Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie
Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.7:5.7 Conclusie
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.7
5.7 Conclusie
Documentgegevens:
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507339:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de toerekening van onrechtmatige informatieverstrekking aan de overheid op grond van artikel 6:162 lid 3 BW centraal. De rechtspraak en literatuur die specifiek betrekking hebben op de toerekening van onrechtmatige informatieverstrekking neigen in overwegende mate naar een gelijkschakeling met de toerekening van onrechtmatige besluitvorming, die in beginsel is gegeven, behoudens zeer zeldzame uitzonderingen. Om die reden – en mede omdat specifieke rechtspraak en literatuur schaars is – is in dit hoofdstuk ook gekeken naar de rechtspraak over de toerekening van onrechtmatige besluitvorming en van andere onrechtmatige gedragingen aan de overheid, te weten wetgeving en strafvorderlijk handelen. Hieruit blijkt dat het niet aanvaardbaar wordt geacht dat de overheid zich tegenover de burger op rechtsdwaling kan beroepen, omdat zij de auteur van het geschreven recht is en omdat zij de schade kan verdelen over de collectiviteit.
Op basis van een analyse van deze rechtspraak en de parallellen met andere onrechtmatige overheidsgedragingen werd geconcludeerd dat de verstrekking van informatie die onjuist is omdat zij in strijd is met de wet, eveneens in beginsel moet worden toegerekend aan de overheid – gelijk hetgeen rechtens is in het aansprakelijkheidsrecht voor besluiten en wetgeving. Voor een uitzondering op deze regel is mijns inziens – anders dan volgt uit het arrest Blaricum/Roozen – evenwel eerder plaats dan in het aansprakelijkheidsrecht voor besluiten en wetten. Naar mijn mening kan een uitzondering worden aangenomen wanneer de overheid geen rekening behoefde te houden met het risico van onjuistheid van de verstrekte informatie, maar alleen dan wanneer haar uitleg in redelijkheid verdedigbaar was én niet werd gelogenstraft door enige beschikbare rechtspraak of literatuur. Het gaat, kort gezegd, om gevallen waarin de juiste uitleg van de wet – en daarmee de onjuistheid van de gegeven informatie – in het geheel niet voorzienbaar was. In die gevallen, die onverminderd zeldzaam zullen zijn, is het niet per se redelijker dat de schade wordt gedragen door het bestuursorgaan dat informatie heeft verstrekt, omdat het bestuursorgaan in die gevallen niet zonder meer ‘beter moest weten’ dan de burger aan wie informatie is verstrekt. Een verwijt treft de overheid dan niet. Toerekening krachtens verkeersopvattingen is dan eveneens onwenselijk.