Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.1.4.1
12.1.4.1 Beperkte rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301688:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In algemene zin Asser/Scholten 1945, p. 35-36, specifiek ten aanzien van bijvoorbeeld het erfpachtrecht Reepmaker 1931, p. 78.
Zie hierover Eggens 1960, p. 197; Booms 2014, p. 525.
Zie Asser/Sieburgh 2016, para. 33.
Zie voor de huidige kwalitatieve verplichting bijvoorbeeld Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 254 en de titels van de preadviezen van Maeijer 1966; Smalbraak 1966.
Rank-Berenschot 1992, p. 116.
Asser/Scholten 1945, p. 267-268.
Meijers 1948, p. 146.
Meijers 1948, p. 146.
Parlementaire Geschiedenis Boek 5, p. 3.
Zie in algemene zin Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 47.
Zie de rechtspraak aangehaald bij Rank-Berenschot 1992, p. 119 e.v.; Struycken 2007, p. 391 e.v.; Mollema 2013a, p. 258 e.v.
Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 217.
Rank-Berenschot 1992, p. 120; Vegter 1993, p. 802; Mollema 2013a, p. 255.
Rank-Berenschot 1992, p. 120.
474. Onder het Oud BW werd, net als onder het huidige recht, aangenomen dat de verschaffer en verkrijger van een beperkt recht afspraken konden maken over aanspraken die buiten de (wettelijke) definitie van het beperkte recht lagen. Indien die afspraken niet zagen op de verkrijger van het beperkte recht persoonlijk, maar sterke samenhang vertoonden met het beperkte recht, werd wel gezegd dat er sprake was van ‘kwalitatieve verbintenissen’: aanspraken die de rechthebbende toekwamen in zijn kwaliteit (hoedanigheid) van beperkt gerechtigde. Deze gaven nadere invulling aan de rechten en verplichtingen die bestonden tussen de beperkt gerechtigde en de moedergerechtigde.1
475. Ik bespreek de kwalitatieve verbintenissen nogmaals in paragraaf 13.1.4. Hier merk ik alvast op dat de term ‘kwalitatieve verbintenis’ om meerdere redenen ongelukkig is. Ten eerste legt de term de nadruk op het verbintenisrechtelijke aspect van de kwalitatieve verbintenis. Het is goed mogelijk dat dit aan een betere doordenking van de verhouding van kwalitatieve verbintenissen tot goederenrechtelijke rechten in de weg heeft gestaan.2 Ongelukkig is ten tweede dat de term ‘kwalitatieve verbintenis’ naar modern spraakgebruik de associatie oproept dat er sprake zou zijn van een verplichting om een prestatie te leveren (verbintenis). Onder het oude recht werd de term ‘verbintenis’ ook wel gebruikt als overkoepelende term voor zowel de actieve zijde (vordering) als de passieve zijde (verplichting tot het leveren van een prestatie) van een rechtsbetrekking.3 Tegenwoordig zou men eerder geneigd zijn om te spreken van een ‘kwalitatieve vordering’ of een ‘kwalitatief recht’. Het niet onderscheiden tussen de actieve en passieve zijde van de rechtsbetrekking die tussen partijen bestaat, heeft ertoe geleid dat zowel de aanspraken die toekomen aan een subjectief gerechtigde, als de verplichtingen die rusten op een subjectief gerechtigde (zoals tegenwoordig in het wetboek opgenomen in art. 6:252 BW), in het verleden als ‘kwalitatieve verbintenis’ zijn aangeduid.4 Ik houd, ondanks de hierboven geuite bezwaren, in de rest van de bespreking hieronder de term ‘kwalitatieve verbintenis’ aan om de aanspraken aan te duiden die toekomen aan degene die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht.
476. In de literatuur bestond discussie over de vraag of deze kwalitatieve verbintenissen onderdeel vormden van het beperkte recht in het kader waarvan zij waren bedongen, allemaal los van dit beperkte recht bestonden, of dat sommige onderdeel van het beperkte recht uitmaakten en andere niet. Daarbij werd niet (direct) een onderscheid gemaakt tussen aanspraken die op basis van de wettelijke regeling van beperkte rechten bestonden en aanspraken die door partijen zelf overeen waren gekomen. Niet alle door de wet verleende aanspraken waren overduidelijk onderdeel van het beperkte recht in het kader waarvan zij verleend werden; te denken valt bijvoorbeeld aan het recht van de erfpachter om een vergoeding te krijgen voor achtergelaten zaken na het eindigen van het erfpachtrecht.5 Andersom werden sommige door partijen toegevoegde bedingen juist wél tot de inhoud van het beperkte recht gerekend, zoals rechten uit een overeengekomen reparatieverplichting bij een recht van erfdienstbaarheid.6
477. In plaats van een onderscheid al naar gelang wie de kwalitatieve verbintenis in het leven roept, heeft Meijers bij het schetsen van een systeem voor het vermogensrecht gepleit voor het samenbrengen van aanspraken in het recht waar zij bij horen indien ze met het beperkte recht ontstaan en tenietgaan:
“Zo ligt b.v. in een pandrecht besloten: de juridische macht om bij het niet voldoen van een schuld het voorwerp van het pandrecht te verkopen, de bevoegdheid om zich uit de opbrengst bij voorrang te bevredigen, de bevoegdheid om het pand tot de aflossing der schuld en somtijds zelfs daarna onder zich te houden, de bevoegdheid om bij verlies of ontvreemding het pand van derden op te eisen, enz. Geen dezer bevoegdheden dient men als bijzonder recht naast het pandrecht te plaatsen, tenzij deze bevoegdheden haar eigen wijzen van ontstaan en tenietgaan zouden hebben.”7
478. Door dit criterium te hanteren worden in ieder geval alle aanspraken die de wet aan een beperkt gerechtigde verleent, tot onderdeel van het beperkte recht gemaakt. Daarnaast zijn er natuurlijk aanspraken die partijen onderdeel van een beperkt recht wensen te maken. Zou hetzelfde criterium worden toegepast – hebben deze aanspraken eenzelfde wijze van ontstaan en tenietgaan – dan komt men in een cirkelredenering terecht: of deze aanspraken met het beperkte recht ontstaan en tenietgaan is namelijk precies afhankelijk van het antwoord op de vraag of ze daar onderdeel van uitmaken. Daarom formuleert Meijers ook een positief criterium om te beoordelen of een kwalitatieve verbintenis al dan niet onderdeel moet zijn van een beperkt recht:
“Zo zou men bij het hypotheekrecht een bedongen huurvernietigingsrecht of een bedongen recht van vruchttrekking als bijzondere subjectieve rechten naast het hypotheekrecht kunnen plaatsen; en zelfs hier kan nog de vraag gesteld worden of het nauwe verband van het doel dezer nevenrechten met het doel van het hypotheekrecht het niet wenselijk maakt om hier slechts te spreken van een bedongen uitbreiding van de bevoegdheden van de hypotheekhouder en niet van een bijzonder subjectief recht.”8
479. Kwalitatieve verbintenissen dienen volgens Meijers dus onderdeel te zijn van een beperkt recht indien hun doel in nauw verband staan met het doel van het beperkte recht. Dit zogenaamde ‘voldoende verbandvereiste’ heeft hij vervolgens ten grondslag gelegd aan de regeling voor beperkte rechten in het huidige Burgerlijk Wetboek.9 Het houdt in dat partijen bevoegdheden en verplichtingen tot onderdeel van een beperkt recht kunnen maken indien ze – naast de andere in paragraaf 12.2.1 besproken vereisten – een zodanig verband hebben met het beperkte recht, dat het gerechtvaardigd is ze gelijk te behandelen.10 Omdat al op deze ontwikkeling werd geanticipeerd, is deze opvatting al vóór invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in de rechtspraak tot uitgangspunt genomen.11
480. Het voldoende verbandvereiste wordt naar huidig recht algemeen geaccepteerd als criterium om te bepalen wat – naast de wettelijke omschrijving – onderdeel van een beperkt recht gemaakt kan worden.12 Door dit vereiste ruimhartig te hanteren, zijn vrijwel alle kwalitatieve verbintenissen waarvan onder het oude recht gedacht werd dat ze naast het beperkte recht bestonden, erdoor opgeslokt.13 Dat zorgt er, in de woorden van Rank-Berenschot, voor dat “de ene dogmatische zuiverheid ten koste gaat van de andere: terwijl het onderscheid tussen het zakelijke en persoonlijke recht met de ene hand wordt hersteld, wordt met de andere het zakelijke recht tot buiten zijn natuurlijke grenzen opgerekt”.14 Beperkte rechten bestaan daardoor uit alle aanspraken die de wet aan deze rechten verbindt, aangevuld en verminderd door alle aanpassingen die partijen contractueel aanbrengen.