Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.5.1
IV.5.5.1 Verband tussen norm en het geschonden belang
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460315:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent uitvoerig Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/3.4; Nuninga 2018, par. 3.1 Relativiteit als fundamenteel privaatrechtelijk concept.
Van Zeben & Du Pon 1981, p. 637.
Andere weergaven van het relativiteitsvereiste zijn denkbaar. Gillaerts en Nuninga koppelen hierbij het eerste element aan het woord ‘jegens’ uit artikel 6:162 lid 1, en de laatste twee elementen (die hij bundelt als het materiële component) aan artikel 6:163 BW. Zie: Nuninga 2019, par. 3.2.3.1 en Gillaerts & Nuninga 2019, par. 3.3.4.
Voor meer voorbeelden, zie o.a. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/130.
HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491 m.nt. Vranken (Astrazeneca/Menzis).
HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2007/576, m.nt. Vranken (Iraanse vluchtelinge).
Artikel 6:162 lid 1 BW bepaalt dat de onrechtmatige daad ook ‘jegens’ een ander gepleegd moet zijn. Vervolgens voegt artikel 6:163 BW daaraan toe dat:
“Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.”
In deze bepalingen komt het relativiteitsvereiste voor de schadevergoedingsactie tot uitdrukking. Dit vereiste legt een verband tussen de norm en het geschonden belang van de eiser.1 Ingevolge het relativiteitsvereiste is een toerekenbare normschending op zichzelf onvoldoende voor aansprakelijkheid: voor aansprakelijkheid op grond van 6:162 BW is ook vereist dat geschonden norm strekt tot de bescherming van de belangen van de eiser.
Zo strekken natuurbeschermingsregels in beginsel tot de bescherming van de natuur. Als een fabriek in strijd met deze regels afvalwater loost op een nabijgelegen meer en zo schade aanricht aan de flora en fauna aldaar, dan kan een liefhebber van de hengelsport die eens per week afreist naar het meertje om daar te vissen geen schadevergoeding vorderen op grond van de overtreding van de natuurbeschermingsregels. Deze regels strekken namelijk niet tot de bescherming van de recreatieve belangen van de visser.
Om vast te stellen of de aangesprokene met de normschending onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eiser, moet het beschermingsbereik van de norm in kaart worden gebracht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever in artikel 6:163 BW drie elementen van het relativiteitsvereiste onderscheidt.2 Voor het relativiteitvereiste moet worden bezien of 1) de persoon van de eiser; 2) de schade zoals de eiser die heeft geleden heeft; en 3) de ontstaanswijze van de schade vallen onder de strekking van de norm.3 De volgende standaardvoorbeelden kunnen de betekenis en werking van deze relativiteitselementen verduidelijken.4
Een voorbeeld van een rechtszaak waarin het persoonlijke element van relativiteit in de weg stond aan schadevergoedingsplichtigheid, is het Astrazeneca/Menzis-arrest.5 In dit arrest trachtte een farmaceut een verzekeraar aansprakelijk te stellen omdat de verzekeraar – in strijd met het Reclamebesluit geneesmiddelen (Rgb) en de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG) – artsen probeerde over te halen om generieke geneesmiddelen voor te schrijven in plaats van de merkgeneesmiddelen van de eiser. Deze voorschriften strekken echter niet tot de bescherming van farmaceuten, maar van consumenten. Hoewel er sprake was van een normschending en de farmaceut daarvan schade ondervond, oordeelde de Hoge Raad dat de verzekeraar niet onrechtmatig jegens de farmaceut heeft gehandeld.
Een rechtszaak die meestal wordt gebruikt om het tweede element van relativiteit te verduidelijken, betreft het Iraanse vluchtelinge-arrest.6 Een vluchtelinge aan wie ten onrechte een verblijfsvergunning is geweigerd, vorderde een vergoeding van de schade doordat zij in afwachting van de verblijfsvergunning geen betaalde arbeid heeft kunnen verrichten en dus inkomen is misgelopen. De Hoge Raad oordeelde dat de geschonden norm een humanitaire strekking heeft, en niet de vermogensrechtelijke belangen van vluchtelingen beoogt te beschermen. De soort schade die de vluchtelinge heeft geleden valt dus niet onder het beschermingsbereik van de geschonden norm.
In het Duwbak Linda-arrest kwamen verschillende relativiteitselementen samen, waaronder het derde element: de ontstaanswijze van de schade. In dit arrest heeft de eigenaar van een gezonken duwbak (genaamd Linda) de Staat aansprakelijk gesteld. Duwbakken moeten worden gekeurd om te voldoen aan de vereisten die het Reglement onderzoek schepen op de Rijn (RosR) eraan stelt. Hij meent dat als de keuring deugdelijk was verricht, de gebreken van Linda boven water zouden zijn gekomen en hij geen schade zou hebben geleden. De HR oordeelde dat de RosR en de daarin vervatte certificeringsverplichting de veiligheid van de scheepvaart in algemene zin beogen te voorkomen. De schade die een eigenaar van een schip lijdt ten gevolge van een ondeugdelijke keuring valt niet onder het beschermingsbereik van het voorschrift uit de RosR.
Als één van de elementen van relativiteit niet aanwezig is, dan strekt de geschonden norm niet tot de bescherming van de belangen van de benadeelde, en handelt de gedaagde dus niet – zoals vereist in artikel 6:162 lid 1 en 6:162 BW – onrechtmatig jegens de benadeelde. Per onrechtmatigheidsgrond verschilt hoe kan worden vastgesteld wiens belangen door de geschonden norm worden beschermd. Hierna komen ze alle drie aan bod.
De relativiteitstoets speelt met name een belangrijke rol bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’. Daarom ga ik als laatst uitvoeriger in op de werking van relativiteit bij deze onrechtmatigheidsgrond, waarbij ik ook stilsta bij het beschermingsbereik van een aantal belangrijke milieuvoorschriften.
Bij de bespreking van het relativiteitsvereiste ga ik niet specifiek in op situaties waarin een leidinggevende een milieuovertreding begaat, omdat voor dit vereiste de positie of kenmerken van de gedaagde er niet toe doen. De relativiteitstoets ziet immers op het verband tussen een norm en het geschonden belang van de eiser. De leidinggevende blijft hier dus in principe buiten beeld.
Ook al heeft dit leerstuk geen specifieke invulling in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, relativiteit is wel een constitutief vereiste voor deze vorm van aansprakelijkheid. Met andere woorden, de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden kan net als iedere andere vorm van onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid vastlopen op relativiteit. Daarom verdient het relativiteitsvereiste het toch besproken te worden in deze paragraaf.