HR, 02-07-2013, nr. 12/01384
ECLI:NL:HR:2013:127
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
12/01384
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:127, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:84, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:84, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:127, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk o.g.v. art. 80a RO.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 12/01384
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 december 2011, nummer 20/003046-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Mahovic, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst, als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.
Conclusie 11‑06‑2013
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk o.g.v. art. 80a RO.
Nr. 12/01384
Mr. Aben
Zitting 11 juni 2013
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[verdachte]
Bestreden arrest:
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 december 2011, waarbij het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 8 juli 2011 is bevestigd.
Het tweede en het derde middel klagen over de bewezenverklaring van de feiten:
subsidiair, voor zover bewezenverklaard en gekwalificeerd als medeplegen van poging tot doodslag (aangever: [slachtoffer 1])
subsidiair, voor zover bewezenverklaard en gekwalificeerd als medeplegen van poging tot doodslag (aangever: [slachtoffer 2])
primair, medeplegen van poging tot zware mishandeling (aangever:[slachtoffer 3])
subsidiair, voor zover bewezenverklaard en gekwalificeerd als medeplegen van poging tot doodslag (aangever: [slachtoffer 1]; zelfde aangever als onder 1, doch een eerder voorval).
Het betreft telkens gevallen van toepassing van geweld tegen mannen van wie de dadergroep waarin de verdachte opereerde een homoseksuele geaardheid vermoedde. Het geweld is door henzelf omschreven als “flikkertikken”. De klachten houden telkens uitsluitend in dat niet is komen vast te staan dat de verdachte in persoon tegen het hoofd van de betrokkenen heeft geschopt (toen zij op de grond lagen), althans dat telkens niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf het geweld dat deze zware kwalificaties rechtvaardigt heeft toegepast.
’s Hofs kennelijke oordeel dat niet exact hoeft te kunnen worden vastgesteld welk geweld de verdachte specifiek heeft uitgeoefend vanwege de bewezenverklaring van het medeplegen en met het oog op het vastgestelde voorwaardelijke opzet geeft vrij evident geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk (gemotiveerd). De door het hof bevestigde promis-overwegingen van de rechtbank zijn ook overigens alleszins begrijpelijk.
Het eerste middel klaagt tevergeefs over een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van cassatie.
De klachten kunnen worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,