Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/11.5.2.1
11.5.2.1 Kwalificeert een lening aan een aandeelhouder als ‘uitkering’?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404627:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In faillissement is relevant of een lening van de vennootschap aan een aandeelhouder die niet tot terugbetaling in staat is, kwalificeert als uitkering. Indien de lening kwalificeert als uitkering in de zin van § 30 GmbHG, zijn de medeaandeelhouders subsidiair aansprakelijk voor de terugbetalingsverplichting van de aandeelhouder op grond van § 31 lid 3 GmbHG (zie par. 11.8.1.2). Daarnaast is in dat geval aansprakelijkheid van bestuurders mogelijk op grond van § 43 lid 3 GmbHG (zie par. 11.6).
Zie hierover Vetter 2009, p. 113.
Voor de invoering van het MoMiG is in de Duitse juridische literatuur stevig gediscussieerd over de reikwijdte van § 30 GmbHG. De meningen waren in het bijzonder verdeeld over de vraag of een door de vennootschap aan een aandeelhouder verstrekte lening kwalificeerde als een uitkering en daarom ongeoorloofd was indien vrije reserves ontbraken.1 Sommigen auteurs stelden dat dergelijke upstream loans risico’s meebrachten voor crediteuren en daarom binnen de grenzen van § 30 GmbHG dienden te blijven. Anderen voerden daartegen aan dat het verstrekken van een lening in beginsel geen vermindering van het eigen vermogen van de vennootschap meebracht; er zou slechts sprake zijn van een “reinen Aktivtausch”.2