Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.8.3
3.8.3 Doorbetalingen
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496266:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Men kan het voorbeeld aanpassen, waarbij A aan B en B aan C soortzaken geeft, of geld. Wat B aan C doorbetaalt kunnen andere zaken van dezelfde soort zijn dan A aan B heeft gegeven. Telkens zou B dat niet hebben gedaan als hij niet van A vergelijkbare zaken of bedragen zou hebben ontvangen.
In uitzonderlijke gevallen, zoals de betaling op aanwijzing waarbij een geldige aanwijzing van B ontbreekt, staat een derde (C) wel bloot aan een directe vordering van een partij (A) bij een rechtsverhouding die moet worden afgewikkeld en waarbij hij zelf geen partij was. Zie par. 3.7.6-3.7.8.
BGH NJW-RR 1991, 345.
In de gevallen die in de vorige paragrafen zijn besproken, verricht A een prestatie aan C. Telkens was van belang of met deze prestatie de schuld van A aan B, of van B aan C teniet is gegaan. De zaken liggen anders indien A niet aan C, maar aan B presteert en B op een later moment een prestatie verricht aan C. In bepaalde gevallen zou men kunnen betogen dat C ten koste van A is verrijkt. Stel bijvoorbeeld dat A een specifieke zaak overdraagt aan B en B aan C. Uiteindelijk komt C’s verrijking, de zaak, uit het vermogen van A.1 Niet direct, maar wel indirect. Dergelijke gevallen waarin prestaties elkaar opvolgen worden prestatieketens genoemd.
De vraag dringt zich op of A van C kan terugvorderen en onder welke voorwaarden.
De auteurs wijzen erop dat partijen die met elkaar handelen van elkaar bepaalde risico’s accepteren. Het gaat daarbij om dezelfde risico’s als bij de driehoeksverhoudingen. In driehoeksverhoudingen worden deze risico’s vaak gecreëerd en geaccepteerd doordat partijen met elkaar onderhandelen over een contract. In het voorgaande werd al duidelijk dat de auteurs van mening zijn dat partijen deze risico’s niet mogen afwentelen op derden.2 Daarom moet A terugvorderen van B, en niet van C. Het argument voor driehoeksverhoudingen dat derden dienen te worden beschermd tegen gevolgen van gebreken in rechtsverhoudingen waarbij zij zelf geen partij zijn, geldt des te sterker wanneer zij niet eens met elkaar hebben gehandeld door prestaties in ontvangst te nemen of rechtstreeks te verrichten. Volgens de Duitse literatuur en rechtspraak heeft A bij doorbetalingen en indirecte verrijkingen niet een directe vordering op C.
Slechts twee uitzonderingen worden gemaakt. De eerste is de Durchgriffskondiktion uit §822. Als A presteert aan B waardoor B ongerechtvaardigd wordt verrijkt en B vervolgens om niet aan C de verrijking doorgeeft, kan A terugvorderen van C. De Durchgriffskondiktion is besproken in paragraaf 3.4.6.
De tweede uitzondering betreft het geval waarin eigenaar A zaken levert aan B zonder dat daarbij de eigendom overgaat op B, waarna B de zaken doorlevert aan C. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als fabrikant A zaken levert onder eigendomsvoorbehoud aan groothandel B die de zaken doorlevert aan C. De prestaties AB en BC volgen elkaar dan op. Als B onbevoegd deze zaken levert aan C wordt A op grond van §932 eigenaar. Daar is bepaald dat degene die te goeder trouw een zaak geleverd krijgt, ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder de eigendom verkrijgt. Deze verrijking is volgens het BGH niet ongerechtvaardigd. 3 Door de bescherming van C tegen een vordering van A uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, volgt het verbintenissenrecht de goederenrechtelijke ordening die §932 aanbrengt. Deze ordening ziet niet enkel op de vermogensverschuiving die plaatsvindt door de toedeling van de eigendom aan C, zij ziet ook op de toedeling van de waarde die in het eigendomsrecht besloten licht. Aangezien C wordt beschermd, heeft A op grond van §816 een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking tegen B en niet tegen C.