Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.10.2.1:10.10.2.1 Informatieverplichtingen voor de Bondsregering
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.10.2.1
10.10.2.1 Informatieverplichtingen voor de Bondsregering
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456493:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BVerfGE 131, 152 (19 juni 2012).
Zie par. 8.4.1.
BVerfGE 131, 183, 187.
BVerfGE 131, 215, 223.
BVerfGE 131, 215.
BVerfGE 131, 220-221, 225-226.
Gesetz über die Zusammenarbeit von Bundesregierung und Deutschem Bundestag in Angelegenheiten der Europäischen Union (EUZBBG), BGBl. I 2013, nr. 36, p. 2170 (12 juli 2013).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de eerste procedure stond de verhouding tussen de Bondsdag en de Bondsregering centraal.1 De maatregelen waar leden van de Bondsdag in een Organstreit-procedure hun pijlen op richtten, bestonden uit enerzijds de oprichting van het ESM en anderzijds de plannen voor een Euro Plus-pact. In dit politieke akkoord, dat uit de gezamenlijke koker van Duitsland en Frankrijk kwam, spraken verschillende lidstaten af om een veelheid aan economische doelstellingen en maatregelen na te streven.2 Iedere lidstaat bleef daarbij verantwoordelijk voor de keuze van de specifieke beleidsmaatregelen, maar in het nationale stabiliteitsprogramma dat in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact bij de Raad en de Europese Commissie moet worden ingeleverd, dient een lidstaat wel aan te geven hoe hij ernaar streeft om de verbintenissen uit het Euro Plus-pact te bereiken.
Verschillende leden van de Bondsdag voelden zich onvoldoende geïnformeerd door de Bondsregering over de totstandkoming van deze maatregelen. De positie van de Bondsdag (en overigens ook van de Bondsraad) bij EU-aangelegenheden en daarmee de informatieverplichtingen die in dit kader op de Bondsregering rusten, zijn zoals hiervoor besproken in artikel 23 GG en meer gedetailleerd in daarop gebaseerde formele wetgeving vastgelegd. De Bondsregering stelde echter dat het ESM en het Euro Plus-pact geen EU-aangelegenheden waren in de zin van artikel 23 GG, omdat het ging om intergouvernementele kwesties.3
Het Bundesverfassungsgericht had in zijn arrest van 19 juni 2012 weinig moeite om deze redenering te weerleggen.4 Het Hof verwees onder meer naar de wijziging van het VWEU die de lidstaten nodig achtten voor de oprichting van het ESM en de nieuwe bevoegdheden die het ESM-verdrag aan EU-instellingen toekende. Dat het ESM-verdrag en het Euro Plus-pact formeel intergouvernementele aangelegenheden waren, was volgens het Hof daarom van ondergeschikt belang. Het Bundesverfassungsgericht concludeerde vervolgens dat de Bondsregering de Bondsdag onvolledig en niet tijdig had geïnformeerd over zowel het ESM als het Euro Plus-pact.5
Dit arrest benadrukte het belang van informatie voor de uitoefening van het budgetrecht. Hoewel het budgetrecht niet zozeer de inzet was van dit geschil, beklemtoonde het Bundesverfassungsgericht de betekenis van het ESM en in mindere mate van het Euro Plus-pact voor de inrichting van de begroting.6 De verplichtingen die met name uit het ESM voortvloeiden hadden immers grote gevolgen voor de nationale begroting. Op die manier speelde het budgetrecht indirect toch een belangrijke rol in deze zaak. Juist vanwege de consequenties van de Europese maatregelen voor de uitoefening van het budgetrecht, was een uitgebreide informatievoorziening noodzakelijk, aldus het Hof. Naar aanleiding van dit arrest werd de wetgeving over de rechten van de Bondsdag bij EU-aangelegenheden opnieuw aangepast en werden deze rechten nog gedetailleerder vastgelegd.7