Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/9.2.5
9.2.5 Andere rechtsgebieden en buitenland
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS597893:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 289 Rv in het algemeen; maar denk ook aan de deelgeschilprocedure: art. 1019aa Rv. Oskam & Van Dijk 2011 en De Groot 2011 hebben reeds de suggestie gedaan om uniforme tarieven te ontwikkelen voor de kostenbegroting in deelgeschilprocedures (zie ook § 4.6.5), dus bij een dergelijke nieuw in te voeren regeling kan ook worden nagedacht over kostenconsequenties ten aanzien van procesgedrag.
Art. 8:75 lid 1 Awb.
Art. 2 lid 3 Bpb.
Zie HR 4 februari 2011, LJN BP2975, VN 2011, 10.7 en meer jurisprudentie in Borman 2009(T&C Awb), art. 2 Bpb, aant. 4.
Zie § 7.3.2.2.
Zie ook § 6.9.
Dit onderzoek ging over Nederlandse civiele dagvaardingszaken, maar in verzoek-schriftprocedures1 of zelfs publiekrechtelijke procedures zal dezelfde behoefte kunnen bestaan aan nadere invulling van de mogelijkheid om procesgedrag te verdisconteren in de kostenveroordeling. Het bestuursrecht kent bijvoorbeeld ook tamelijk open normen als ' kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht' 2 en 'bijzondere omstandigheden'3 die de rechter moet invullen bij het toerekenen van kosten op basis van procesgedrag.4 De eventueel in het liquidatietarief op te nemen scherpe criteria kunnen ook meewegen in de kostenbeslissingen in die andere procedures, steeds voor zover dit aansluit bij de aard van die andere procedures.
Scherpe criteria, maximumbedragen en toerekening op basis van risico kunnen ook een bijdrage leveren aan de kwaliteit van buitenlandse procesrechtelijke systemen, maar het is wel aan te bevelen om delen van dit onderzoek dan eerst te herhalen binnen de context van die systemen. Het literatuuronderzoek naar verstorend procesgedrag (hoofdstuk 3), de beschrijving van de kostenveroorde-lingsregels (hoofdstuk 4) en de interviews zijn uitgevoerd binnen de context van het Nederlandse systeem, waardoor niet bekend is in hoeverre in het buitenland dezelfde verstorende gedragingen tot de meeste overlast leiden en in hoeverre buitenlandse rechters dezelfde terughoudendheid met kostenconsequenties betrachten, als de buitenlandse wetgeving al ruimte biedt voor kostenconsequenties ten aanzien van gedrag. Zo kennen de Verenigde Staten veel verdergaande verplichtingen tot informatie-uitwisseling dan Nederland, waardoor niet-nako-ming van die plichten (en ook fishing expeditions) daar een groter probleem vormt dan hier.5 Het ligt daarom voor de hand dat in de Amerikaanse federale regels is gekozen voor een specifieke bepaling (Rule 37 (b) FRCP) met kostenconsequenties ten aanzien van discovery-verplichtingen.
Ook in hoofdstuk 8 is steeds het Nederlandse systeem de uitgangsbasis, waarbij de effecten zijn voorspeld van het toevoegen van alternatieve prikkels. Een ander procesrechtelijk systeem als vertrekpunt kan tot andere conclusies leiden.
Hoofdstuk 6 laat echter wel zien dat in vrijwel alle bestudeerde buitenlandse systemen de rechter ruimte heeft om via open dan wel scherpe normen kostenconsequenties te verbinden aan procesgedrag. Ook de theoretische, voornamelijk rechtseconomische, analyse uit hoofdstuk 7 staat vrijwel los van het Nederlandse systeem en is eveneens toepasbaar op het buitenland. Die inzichten kunnen worden ingebracht als bijvoorbeeld wordt nagedacht over Europese harmonisatie van proceskostenregelgeving.6