Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.3.3
4.3.3.3 Pluraliteit verdachten bij absolute en relatieve klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946110:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.1.
Von Brucken Fock 1987, p. 81-82.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 295.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.1 en zie: Schreuder 1899, p. 6-7; Schönfeld 1886, p. 36 en Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 588.
Dat een klachtgerechtigde naar aanleiding van een absoluut klachtdelict zich in zijn klacht niet kan beperken tot één (deel van de) verdachte(n) betekent overigens niet dat steeds alle verdachten zullen (moeten) worden vervolgd. Hetgeen de klachtgerechtigde in diens klacht kenbaar maakt over de wenselijkheid van de vervolging van verschillende verdachten kan van (doorslaggevend) belang zijn voor de beslissing van de officier van justitie of de vervolging van bepaalde verdachten opportuun wordt geacht.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 295.
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3.
Zie ook: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.1. Daarin is een zaak uit 2016 (Rb. Limburg 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6930) beschreven waarin de vervolging van de moeder niet-ontvankelijk is verklaard omdat de klacht van de klachtgerechtigde zoon slechts was gericht tegen zijn vader.
In de vorige paragraaf ging aandacht uit naar de pluraliteit van klachtgerechtigden. De situatie kan zich eveneens voordoen dat sprake is van één vervolgende instantie, één klachtgerechtigde en meerdere verdachten. Ook deze pluraliteit van verdachten verdient nadere bespreking, omdat het een belangrijk onderscheid tussen absolute en relatieve klachtdelicten blootlegt.
Voor de vervolging van absolute klachtdelicten is altijd een klacht vereist. Voor de vervolging van relatieve klachtdelicten is daarentegen slechts een klacht vereist, indien en voor zover een bepaalde (familiaire) relatie tussen het slachtoffer en een verdachte bestaat.1 De vervolging van (mede)daders ten aanzien van wie die familieband niet bestaat, wordt hierdoor niet gehinderd. Het ontbreken van een klacht leidt er bij absolute klachtdelicten dus toe dat de vervolging van het feit is uitgesloten, terwijl bij relatieve klachtdelicten slechts de vervolging van bepaalde verdachten is uitgesloten indien en voor zover over hen niet is geklaagd. Dit kan worden verklaard met de specifieke redengeving voor absolute en relatieve klachtdelicten. Von Brucken Fock beschreef dat voor absolute klachtdelicten kenmerkend is dat deze strafbare feiten diep kunnen ingrijpen in de privésfeer van het slachtoffer, waarbij een strafvervolging ertoe zou kunnen leiden dat feiten in de openbaarheid komen die het slachtoffer privé wenst te houden. Voor het relatieve klachtvereiste is redengevend dat tussen slachtoffer en dader een nauwe (wettelijke) relatie bestaat die bescherming verdient.2 Bij absolute klachtdelicten staat de ruchtbaarheid die vervolging naar aanleiding van het strafbare feit met zich kan brengen centraal, terwijl het bij relatieve klachtdelicten draait om de (familie)band tussen betrokkenen.
Die achtergrond leidt tot een belangrijk verschil in de mogelijkheden tot vervolging bij absolute en relatieve klachtdelicten indien sprake is van pluraliteit van verdachten. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat splitsbaarheid van klachten slechts mogelijk is waar dit door de wet is geoorloofd.3 Die mogelijkheid is bij geen van de absolute klachtdelicten verschaft, waardoor de klacht bij absolute klachtdelicten onsplitsbaar is.4 Dit betekent dat bij deze groep delicten de klacht de deur opent voor de vervolging van alle (mede)plegers en medeplichtigen van het strafbare feit en dat de klachtgerechtigde de klacht niet kan beperken tot één of meerdere daders. De klachtgerechtigde is het recht toegekend strafvervolging naar aanleiding van het aangedane feit te beletten, omdat anders feiten in de openbaarheid kunnen komen die het slachtoffer privé wenst te houden. Dit heeft de wetgever kennelijk geen aanleiding gegeven het klachtgerechtigde slachtoffer ook de gelegenheid te bieden slechts de vervolging van bepaalde verdachten te beletten. Vermoedelijk schuilt hierachter de gedachte dat aan de klachtgerechtigde niet meer rechten dienen te worden toebedeeld dan noodzakelijk is ter bescherming van de belangen waaraan voorrang wordt verleend. Het gaat erom dat een vervolging meer aandacht kan genereren voor bijvoorbeeld een smadelijke uitlating of voor bedrijfsgeheimen die op straat zijn komen te liggen.5 Aandacht voor die feiten kan de klachtgerechtigde voorkomen door een klacht achterwege te laten, maar dit persoonlijk belang waaraan voorrang wordt verleend, maakt niet dat de klachtgerechtigde tevens de keuze moet worden geboden welke verdachten kunnen worden vervolgd.6 De ruchtbaarheid die het strafbare feit met zich brengt staat aldus centraal bij absolute klachtdelicten en de persoon van de verdachte(n) is van minder gewicht bij de werking van dit klachtvereiste.
Dat ligt anders bij relatieve klachtdelicten waar de relatie tussen klachtgerechtigde en verdachte juist redengevend is voor het klachtvereiste. De afweging die de klachtgerechtigde moet maken over de wenselijkheid van vervolging van een familielid kan – in het geval meerdere familieleden verdachte zijn – ten aanzien van de een anders uitvallen dan ten aanzien van de ander. Die achtergrond brengt met zich dat de klacht bij relatieve klachtdelicten wel kan worden gesplitst, in die zin dat deze kan worden beperkt tot één of meerdere verdachten. De mogelijkheid daartoe volgt uit art. 316 lid 2 Sr.7 Dit wetsartikel vormt – via verschillende schakelbepalingen8 – de grondslag voor alle relatieve klachtdelicten. Dit wetsartikel schrijft voor dat in geval de dader op de in art. 316 lid 2 Sr vermelde wijze is gelieerd aan het slachtoffer de vervolging ‘voor zover hem betreft’ alleen plaats heeft ‘op een tegen hem gerichte klacht’. Dit betekent ten eerste dat de vervolging van anderen – ten aanzien van wie de in art. 316 lid 2 beschreven familiaire relatie ontbreekt – niet wordt gehinderd door het klachtvereiste. In deze wettekst ligt tevens expliciet de mogelijkheid besloten om de klacht te beperken tot één of meerdere specifieke verdachten ten aanzien van wie de in art. 316 lid 2 Sr vermelde familiare band bestaat.9 Ter illustratie wijs ik op de situatie dat een vader wordt bestolen door zijn zoon en dochter die daarbij zijn geholpen door één van hun vrienden. De zoon is al eerder gewaarschuwd en is veel ouder dan de dochter. De vader besluit dat zijn zoon beter had moeten weten en hij doet aangifte en klacht tegen zijn zoon. Voor de dochter volstaat huisarrest. Ten overstaan van de vriend van de kinderen heeft de vader slechts als slachtoffer te gelden en is het openbaar ministerie vrij om op te sporen en te vervolgen. Ten aanzien van zijn kinderen heeft de vader als klachtgerechtigde te gelden en is op uiteenlopende wijze gebruik gemaakt van het klachtrecht.
Vanuit het perspectief van rechtsbetrekkingen is de pluraliteit van verdachten bij absolute klachtdelicten niet gecompliceerd. Het openbaar ministerie kan slechts opsporen en vervolgen nadat een klacht van het slachtoffer is ontvangen. Daarna heeft het openbaar ministerie ongehinderd de gelegenheid de verdachten van dat strafbare feit op te sporen en te vervolgen. De klachtgerechtigde kan dus in de rechtsbetrekking tot het openbaar ministerie door middel van een klacht kenbaar maken of vervolging van het strafbare feit dat hem is aangedaan is gewenst, waarna de mogelijkheid tot vervolging slechts is begrensd door de (tijdelijke) mogelijkheid de klacht in te trekken. Het klachtrecht ziet bij absolute klachtdelicten dus niet op de persoon van de verdachte(n) die al dan niet worden vervolgd.
De beschouwingen over de mogelijkheid om klachten te beperken tot bepaalde verdachten maken dat bij relatieve klachtdelicten – bezien vanuit rechtsbetrekkingen – sprake is van een meer gecompliceerde dynamiek. De specifieke relatie tussen een (klachtgerechtigd) slachtoffer en een verdachte heeft zijn weerslag op de wijze waarop het openbaar ministerie invulling kan geven aan de daarmee samenhangende rechtsbetrekking ten overstaan van een specifieke verdachte. In paragraaf 3.2.2.3 is beschreven dat slachtoffers steeds in een driehoeksrelatie staan tot de dader en het openbaar ministerie, omdat de overheid zich ontfermt over de vervolging van de persoon of personen die ervan worden verdacht het feit het slachtoffer te hebben aangedaan. Het openbaar ministerie dient zich bij het strafvorderlijk handelen steeds rekenschap te geven van zijn positie ten opzichte van beide rechtssubjecten. Deze driehoeksrelatie is met name bij relatieve klachtdelicten zeer concreet. De invulling van de rechtsbetrekking tussen de verdachte en het slachtoffer – waarbij het gaat om de vraag of sprake is van een relatie als in art. 316 lid 2 Sr – bepaalt in belangrijke mate de invulling van de rechtsbetrekking tussen het (al dan niet klachtgerechtigde) slachtoffer en het openbaar ministerie, waarna de wijze waarop een klachtgerechtigd slachtoffer daaraan invulling geeft van groot gewicht is voor de invulling die het openbaar ministerie – met het oog opsporing en vervolging – al dan niet kan geven aan de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Deze opeenvolgende beïnvloeding van rechtsbetrekkingen binnen deze driehoek van rechtssubjecten is hieronder weergegeven in figuur F. In het geval sprake is van pluraliteit van verdachten dan kan de wijze waarop deze rechtsbetrekkingen elkaar achtereenvolgens beïnvloeden uiteenlopen ten aanzien van de verschillende verdachten. Het is mogelijk dat een slachtoffer slechts ten aanzien van een deel van de verdachten klachtgerechtigd is, waarna hij desgewenst zijn klacht kan beperken tot een deel van die verdachten. Dit onderstreept de dynamische werking van het klachtvereiste bij relatieve klachtdelicten.
Figuur F
In relatie tot relatieve klachtdelicten verdient tot slot opmerking dat art. 316 lid 3 Sr bepaalt dat de klachttermijn bij dit soort klachtdelicten aanvangt op de dag nadat de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend is geworden. Dit benadrukt dat de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte centraal staat bij relatieve klachtdelicten. Het past bij de idee dat – indien een familielid als bedoeld in art. 316 lid 2 Sr een verdachte blijkt te zijn – de klachtgerechtigde daadwerkelijk gelegenheid moet hebben zich te beraden over de wenselijkheid van de vervolging van die verdachte.