Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.1.2
8.1.2 Plan van behandeling
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS302399:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De situatie waarin een onderneming reeds in surseance verkeert en vervolgens haar eigen faillissement aanvraagt, komt in beide paragrafen ook aan de orde.
Zie een vergelijkbaar onderscheid in stadia bij Beltzer en Van der Pijl 2014, p. 258 e.v.
Kamerstukken II 2014/15, 34 218, nr. 1, Wijziging van de Faillissementswet in verband met de aanwijzing door de rechtbank van een beoogd curator ter bevordering van de afwikkeling van een eventueel faillissement en vergroting van de kansen op voorzetting van een onderneming of van een doorstart van rendabele bedrijfsonderdelen (Wet continuïteit ondernemingen I).
In dit hoofdstuk zal eerst aandacht besteed worden aan de op medezeggenschapsrechtelijk gebied meest prominente wet (de WOR) en haar verhouding tot insolventierecht. De WOR kent aan de OR een aantal rechten toe, waarvan in dit kader het adviesrecht van artikel 25 WOR de meeste aandacht verdient. Voor een goed begrip wordt bij de bespreking van het adviesrecht van artikel 25 WOR onderscheid gemaakt tussen twee verschillende fasen, te weten de fase voorafgaand aan de insolventie van de werkgever, waarbij met name gedoeld wordt op de medezeggenschapsrechten bij de aanvraag van surseance of het eigen faillissement (paragraaf 8.2), en de fase daarna, waarin de werkgever hetzij in surseance, hetzij in staat van faillissement verkeert (paragraaf 8.3).1 In laatstbedoelde paragraaf wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de vraag of bij de doorstart c.q. verkoop door de curator van (een deel van) de onderneming ook een rol voor de OR en de werknemersorganisaties is weggelegd.2 Een aparte paragraaf (paragraaf 8.4) is ingeruimd voor de positie van de OR bij de zgn. pre-pack, de in stilte – onder toeziend oog van de beoogde curator en de rechtbank – voorbereide faillissementsdoorstart, mede gezien het thans bij het parlement in behandeling zijnde wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen I dat aan die praktijk een wettelijke basis beoogt te geven.3 Hoewel de doorstart an sich uitgebreid in een hoofdstuk 7 aan de orde komt, is ervoor gekozen de positie van de OR bij een pre-pack daarvan uit te zonderen en een plek te geven in dit hoofdstuk. Overige relevante bepalingen uit de WOR, waaronder het adviesrecht van artikel 30, dat betrekking heeft op benoeming en ontslag van bestuurders van de onderneming, passeren daarna de revue (paragraaf 8.5). Vervolgens komt de WMCO aan bod (paragraaf 8.6), en daarna in een gezamenlijke paragraaf de SER Fusiegedragregels 2015, het enquêterecht uit boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de informatieverstrekkingplicht van artikel 7:665a BW (paragraaf 8.7), waarna dit hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal conclusies en aanbevelingen (paragraaf 8.8).