Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.7.2
16.7.2 Toepassingsbereik van artikel 31 EEX-r/24 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS411970:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 27 maart 1979, zaak 143/78, De Cavel I, Jur. 1979 p. 1055, NJ 1979, 610, r.o. 9; HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95 Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 28; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 10; Kropholler, EZPR, p. 360; Gothot/Holleaux, La Convention, p. 114; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 246; Freudenthal, JBPr 2005, afl. 4, p. 374.
Zie ook Verheul, Rechtsmacht, Deel I, p. 133; Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 193; GaudemetTallon, Compétence en Europe, p. 246.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 28; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 10; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 201.
HvJ EG 27 maart 1979, zaak 143/78, De Cavel I, Jur. 1979, p. 1055, NJ 1979, 610; HvJ EG 31 maart 1982, zaak 25/81, Codicil, Jur. 1982, p. 1189, NJ 1982, 281.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339.
Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 202.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 40 en 41.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 19 en HvJ EG 27 april 1999, zaak C-99/96, Mietz/Intership, Jur. 1999, p. 1-2777, NJ 2001, 90, r.o. 40.
HR 6 februari 2004, NJ 2005, 403 (Frans Maas/Petermann); Rb. Roermond 11 juni 2003, NIPR 2003, 380; Rb. 's-Hertogenbosch 5 augustus 2004, NIPR 2004, 377; Hof Arnhem 14 september 2004, NIPR 2005, 49; Rb. Amsterdam 7 juli 2005 en ook Hof Amsterdam 30 maart 2006, NIPR 2006, 299; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 204 verwijst naar enige voorbeelden uit de Belgische rechtspraak.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 41; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 14. Het Hof van Justitie bedoelt hiermee dat de rechter die oordeelt over voorlopige of bewarende maatregelen moet vermijden dat hij prejudicieert op het oordeel van de bodemrechter; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 202.
Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 146; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 249; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 277; Gothot/Holleaux, La Convention, p. 115; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 204 acht het forum acti in ieder geval voldoende; vgl. HR 6 februari 2004, NJ 2005, 403 (Frans Maas/Petermann), r.o. 3.4.4; Pres. Rb. Roermond 26 mei 1988, KG 1988, 261; Rb. Roermond 11 juni 2003, NIPR 2003, 380; Rb. Arnhem 16 januari 2006, NIPR 2006, 143; en impliciet Pres. Rb. Almelo 7 augustus 1985, NIPR 1985, 492, KG 1985, 266.
Het materiële toepassingsbereik van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag wordt bepaald door art. 1 EEX-V°Nerdrag. Hoewel dat niet blijkt uit de tekst van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag, volgt uit art. 1 EEX-V°Nerdrag dat deze bepaling betrekking heeft op de gehele Verordening respectievelijk het gehele Verdrag.1 Art. 31 EEX-V°/24 Verdrag is dus van toepassing in burgerlijke en handelszaken.2 Het materiële toepassingsbereik van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag is gelijk aan het materiële toepassingsbereik van EEX-V°Nerdrag.3 Art. 31 EEX-V°/24 Verdrag kan niet worden gebruikt om voorlopige of bewarende maatregelen te verzoeken voor materies die van het materiële toepassingsgebied van Verdrag zijn uitgesloten.4
Het formele toepassingsbereik wordt niet nader omschreven. Volgens het artikel lijkt slechts vereist dat de bodemrechter bevoegd moet zijn krachtens deze verordening c.q. dit verdrag. Zodra derhalve geen bevoegdheid bestaat van een bodemrechter van een EG- c.q. verdragsluitende staat op grond van Verdrag, is art. 31 EEX-V°/24 Verdrag niet toepasselijk. Art. 31 EEX-V°/24 Verdrag laat daardoor onverlet dat ook het nationale bevoegdheidsrecht een grondslag kan bieden voor het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen (zoals de art. 13 Rv en 10 WIPR). Toch heeft het Hof van Justitie deze grammaticale uitleg van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag niet geheel tot de zijne gemaakt. In het arrest Van Uden/Deco-Line5 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat bij een overeenkomst tot arbitrage, één van de uitsluitingsgronden van art. 1 EEX-V°Nerdrag, de rechter in kort geding toch bevoegd kan zijn krachtens art. 31 EEX-V°/24 Verdrag. Hoewel door de overeenkomst tot arbitrage geen bodemrechter bevoegd is 'krachtens deze verordening' of 'krachtens dit verdrag', kunnen toch voorlopige of bewarende maatregelen worden gevraagd op grond van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag. Dat geldt volgens dezelfde redenering ook, indien om andere redenen geen bodemrechter bevoegd is krachtens EEX-V° respectievelijk Verdrag. Indien de bodemrechter van een EG- c.q. verdragsluitende staat in een burgerlijke of handelszaak bijv. slechts bevoegd is krachtens het commune internationaal privaatrecht dan wel in het geheel niet bevoegd is (bijv. door een forumkeuze), kan een gerecht van een EG- c.q. verdragsluitende staat toch krachtens art. 31 EEX-V°/24 Verdrag bevoegd zijn. Voor het commune internationaal privaatrecht over voorlopige of bewarende maatregelen is daardoor slechts ruimte buiten het materiële toepassingsbereik van de EEX-V° en het Verdrag.
In geval van forumkeuze behoeft derhalve geen sprake te zijn van voldoening aan de vereisten voor (formele) toepasselijkheid van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag:
Aanwijzing van een gerecht of gerechten van een EG respectievelijk verdragsluitende staat; en
Eén van de partijen moet woonplaats hebben op het grondgebied van een EG respectievelijk verdragsluitende staat.6
Art. 31 EEX-V°/24 Verdrag kan derhalve in geval van een forumkeuze naar commuun internationaal privaatrecht worden ingeroepen. Dat zal het geval zijn indien partijen met woonplaats buiten de EG- c.q. verdragsluitende staten een gerecht binnen of buiten de EG- c.q. verdragsluitende staten hebben aangewezen. De andere mogelijkheid is de aanwijzing van een gerecht buiten de EG- c.q. verdragsluitende staten ongeacht de woonplaats van partijen.
In het arrest Van Uden/Deco-Line heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat aan twee ongeschreven voorwaarden moet zijn voldaan, indien de bevoegdheid van de voorzieningenrechter niet voortvloeit uit de art. 2-24 EEX-V°/2-18 Verdrag, maar uitsluitend is gebaseerd op art. 31 EEX-V°/24 Verdrag 7 Er zijn derhalve drie voorwaarden voor de toepasselijkheid van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag en daardoor de internationale bevoegdheid van de rechter van de EG-lidstaten c.q. verdragsluitende staten:
De 'voorlopige of bewarende maatregelen' moeten in de nationale wetgeving zijn vastgesteld; en
Zodra het gerecht zijn bevoegdheid niet kan baseren op de art. 2 en 5 tot en met 24 EEX-V°/18 Verdrag,8 moet een reële band bestaan tussen het voorwerp van voorlopige of bewarende maatregel en de rechter, indien de rechter zijn bevoegdheid baseert op territoriale criteria;9 en
De rechter waarborgt dat de maatregelen daadwerkelijk een voorlopig of bewarend karakter hebben en niet préjudiciëren op de bodemprocedure; zonodig stelt de rechter daartoe modaliteiten of voorwaarden vast.10
De tweede voorwaarde sluit aan bij de lokale functie van de maatregelen. Voor toepasselijkheid van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag is vereist dat de maatregelen worden gevraagd bij de rechter van het land waar de maatregel moet worden gerealiseerd of ten uitvoer worden gelegd.11 Deze regel lijdt uitzondering, indien de geadiëerde rechter bevoegd is krachtens de art. 2 en 5 tot en met 24 EEX-V°/18 Verdrag. Het verdient derhalve de voorkeur steeds eerst te onderzoeken of de rechter die de 'voorlopige of bewarende maatregelen' moet treffen bevoegd is krachtens EEX-V°Nerdrag (inclusie de mogelijkheid van een forumkeuze). Dit onderzoek moet bij voorkeur zelfs plaatsvinden voor toetsing aan de eerste voorwaarde, omdat in geval van bevoegdheid niet meer terzake doende is of het gaat om voorlopige of bewarende maatregelen. De derde voorwaarde is opvallend, omdat de rechter daardoor voor zijn bevoegdheid inhoudelijk aan de voorlopige of bewarende maatregelen modaliteiten moet verbinden zelfs als het nationale recht die niet stelt of heeft voorzien.