De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten
Einde inhoudsopgave
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.4.2:5.4.2 Rechtsgevolgen van opschorting en ontbinding
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/5.4.2
5.4.2 Rechtsgevolgen van opschorting en ontbinding
Documentgegevens:
mr. L.A.R. Siemerink, datum 13-03-2007
- Datum
13-03-2007
- Auteur
mr. L.A.R. Siemerink
- JCDI
JCDI:ADS391598:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 6 'Aansprakelijkheid in isP-overeenkomsten'.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opschorting heeft tot gevolg dat een prestatie wordt uitgesteld. Dit impliceert dat degene die zich op een opschortingsrecht beroept duidelijk te kennen moet geven alsnog van de wederpartij nakoming te verlangen. De bevoegdheid tot opschorting eindigt wanneer het gevaar voor niet-nakoming ophoudt te bestaan. Gedurende de periode van opschorting blijft de verplichting van de schuldenaar beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het gevolg van een ontbinding is dat de ontbindende partij enerzijds weliswaar geen recht meer heeft op de hem verschuldigde prestatie, maar anderzijds ook bevrijd is van zijn eigen verbintenis. In het geval van een gedeeltelijke ontbinding vervalt slechts dat deel van de verbintenissen, waarop de gedeeltelijke ontbinding betrekking heeft. Daarnaast laten de woorden 'daardoor getroffen' in art. 6:271 BW ruimte voor het geval, dat bepaalde bedingen naar hun aard buiten het bereik van de ontbinding vallen, omdat zij juist bedoeld zijn een regeling te geven voor situaties waarin wordt ontbonden, zoals een exoneratiebeding.1 In art. 6:271 BW wordt voor wat betreft de gevolgen van de ontbinding onderscheid gemaakt naar gelang al wel of nog niet uitvoering is gegeven aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Voorzover de verbintenissen nog niet zijn uitgevoerd, vervallen ze op het moment van de ontbinding. Voorzover de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen wel zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties. Een daadwerkelijke ongedaanmaking is onmogelijk bij een 5P-overeenkomst, maar na ontbinding dienen partijen elkaar zo goed als mogelijk in de oorspronkelijke toestand terug te brengen. De ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan op het moment waarop de ontbinding tot stand komt.
Art. 6:269 BW bepaalt dat ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Dit houdt in dat een ontbinding niet terugwerkt tot aan het moment waarop de overeenkomst is gesloten, maar begint te werken op het moment waarop zij plaatsvindt. De verbintenissen gaan daarom pas teniet op het moment van de ontbinding, en blijven bestaan vanaf het moment waarop de overeenkomst waaruit ze voortvloeien werd gesloten tot aan het moment waarop de ontbinding plaatsvindt. Door en met de ontbinding zijn partijen voor de toekomst van hun verplichtingen bevrijd. Vindt desondanks nog nakoming plaats, dan is deze onverschuldigd en kan de prestatie dienovereenkomstig worden teruggevorderd. De partij wier toerekenbare tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd is bovendien verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding plaatsvindt.