Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.1:9.1 Inleiding
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb Rotterdam 26 maart 2010, LJN BL9761.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In een bestuurlijke boetezaak bestreed de ondernemer, die een hotel dreef op Schiermonnikoog, de oplegging van een bestuurlijke boete uit hoofde van de Tabakswet omdat er volgens hem niet in de hotelbar zou worden gerookt. De ondernemer betoogde dat de ambtenaren van de VWA zich moeten hebben vergist. Het zou om een andere locatie gaan. In dit verband had hij foto's overgelegd waaruit bleek dat de tapkast niet overeenkwam met de beschrijving in het proces-verbaal van inspectie, terwijl een aantal andere beschrijvingen wel overeenkwamen. De rechtbank overwoog:
`De rechtbank is van oordeel dat de minster de door eiseres gezaaide twijfel onvoldoende heeft weerlegd. Niet valt uit te sluiten dat het proces-verbaal ziet op een andere bar dan die van eiseres. Nu temeer geldt dat bij een punitieve sanctie als de onderhavige uitgangspunt moet zijn dat op de minister de bewijslast rust aan te tonen dat sprake is van een overtreding en dat ingeval van niet te verwaarlozen twijfel moet worden aangenomen dat de minister niet aan die bewijslast heeft voldaan — in welk verband de rechtbank wijst op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten voor Mens van 6 december 1988, Series A vol. 146 (Barberá), dat nadien ook inzake een bestuurlijke boete is aangehaald in het arrest van 23 juli 2002, EHRC 2002/88 (Janosevic) —, is onvoldoende komen vast te staan dat het proces-verbaal betrekking heeft op de horecaonderneming van eiseres.’1
In een Wav-zaak was geklaagd dat tijdens een telefoongesprek was nagelaten door de inspecteur van de Arbeidsinspectie een cautie te geven aan de werkgever en dat bij de boeteoplegging evenmin gebruik mocht worden gemaakt van de facturen van het ingeschakelde klussenbedrijf die bij de werkgever waren opgevraagd. De Afdeling overwoog:
`Ten tijde van het telefonisch contact met [belanghebbende] op 31 januari 2006 was door de inspecteurs feitelijk slechts geconstateerd dat de vreemdelingen in het pand arbeid hadden verricht. Het naar aanleiding daarvan gezochte telefonisch contact met eigenaar [belanghebbende], alsmede de, tijdens dat contact en nadien gedane, verzoeken tot het opsturen van de facturen, dienen te worden aangemerkt als handelingen in het kader van het toezicht op de juiste naleving van de Wav. Daar komt bij dat de minister blijkens het boeterapport op dat moment niet op de hoogte was van de betrokkenheid van [appellante] en dat eerst op 11 mei 2006 uit navraag bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen is gebleken dat voor de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden geen tewerkstellingsvergunningen zijn afgegeven. Van een verhoor met het oog op een aan [appellante] op te leggen bestraffende sanctie was derhalve destijds nog geen sprake, zodat de cautie niet hoefde te worden gegeven. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister in de onderhavige procedure geen rekening heeft mogen houden met de opgevraagde facturen. In rechtsoverweging 69 van het arrest Saunders heeft het EHRM overwogen dat het zwijgrecht in een punitieve procedure zich niet uitstrekt tot bewijsmateriaal dat bestaat onafhankelijk van de wil van de beschuldigde. De facturen, waarvan het bestaan, gelet op de door de vreemdelingen in het pand verrichte arbeid, door de minister mocht worden aangenomen, vormen dergelijk bewijsmateriaal. De gedingstukken bevatten voorts geen aanknopingspunten dat de, in het kader van toezicht op naleving van de Wav opgevraagde, facturen zijn verkregen door het gebruik van ongeoorloofde druk van de zijde van de minister. Dat de inspecteurs [belanghebbende] naar aanleiding van zijn toezegging om de facturen toe te zenden meermalen hebben verzocht deze toezegging gestand te doen, is hiertoe onvoldoende. Van schending van artikel 6 van het EVRM is geen sprake.'2
In dit hoofdstuk komt het bewijs en de bewijslastverdeling in het straf- en bestuursrecht aan bod, waarbij ook ruimschoots aandacht voor de bewijsvergaring en de daarbij spelende verdedigingsrechten alsmede het leerstuk van onrechtmatig verkregen bewijs.