Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.
HR, 18-11-2022, nr. 21/04460
ECLI:NL:HR:2022:1702
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2022
- Zaaknummer
21/04460
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1702, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:453, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:2321, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2022:453, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1702, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑11‑2021
- Vindplaatsen
JAR 2022/304
AR-Updates.nl 2022-1279
VAAN-AR-Updates.nl 2022-1279
JAR 2022/304
Uitspraak 18‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht; bevoegdheid Nederlandse rechter. Arbeidsovereenkomst piloot; plaats 'van waaruit' de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt (art. 21 lid 1, onder b, onderdeel i, Brussel I-bis Verordening); belang 'home base' in Verordening 3922/91 en omstandigheid dat 'home base' op verzoek van werknemer kan worden gewijzigd.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/04460
Datum 18 november 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
NETJETS MANAGEMENT LIMITED,gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: NetJets,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
[de piloot],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de piloot,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 8647820 \ AO VERZ 20-109 van de kantonrechter te Haarlem van 1 oktober 2020;
de beschikkingen in de zaak 200.287.612/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 juli 2021 en 12 oktober 2021.
NetJets heeft tegen de beschikking van het hof van 27 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De piloot heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van NetJets heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) NetJets is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde luchtvaartmaatschappij die privévluchten verzorgt. NetJets vervoert personen binnen Europa, naar Noord-Afrika en naar de oostkust van de Verenigde Staten van Amerika.
(ii) De piloot werkte in dienst van NetJets.
(iii) In de arbeidsovereenkomst van de piloot staat onder andere:
“5. Place of work
5.1
It is in the nature of the Flight Crew Member’s position that job mobility is essential. The Flight Crew Member will not have a normal place of work. The Flight Crew Member will be expected to travel as necessary for the proper performance of his duties under this Agreement. (...)
6. Gateway Airport
6.1
The Flight Crew Member will be required to select an airport from which, subject to such airport being agreed by the Company, he/she will be transported to his/her aircraft for the start of commencement of his/her duties under this Agreement ("the Gateway Airport"). In the event that the Flight Crew Member chooses makes his/her own travel arrangements to travel to the aircraft, such arrangements shall be made at his/her own expense.
6.2
For the avoidance of doubt, the Gateway Airport is not, and shall not be deemed to be the Flight Crew Member's place of work or base, it being hereby acknowledged by both parties that the location where the Flight Crew Member performs the entirety of his/her duties depends entirely on where the aircraft is and the trip being undertaken.”
(iv) In de Operations Manual van NetJets staan als definities:
“Gateway: The location, permanent or temporary, selected by the crew member for the day he starts or ends a tour. The company will assign home base as being the crew member chosen gateway.
Home base: The location, assigned by the operator to the crew member, from where the crew member normally starts and ends a duty period or a series of duty periods and where, under normal circumstances, the operator is not responsible for the accommodation of the crew member concerned.
(...)
Tour: A series of consecutive duty days that normally begins after a period of more than 3 consecutive days off and that starts when the crew member first leaves his gateway for the purpose of performing a flight duty period positioning (including any standby period).
A crew member is considered to be away from the gateway for the entire duration of the tour. If, during a tour, a crew member ends a duty period at his gateway, [NetJets] shall continue to provide a suitable accommodation unless the crew member is assigned home standby duty (...)”
(v) De piloot draaide diensten (een tour geheten) van zes dagen achtereen, waarna hij vijf dagen vrij was voordat een nieuwe dienst van zes dagen begon. De piloot vertrok vanaf de luchthaven Schiphol hetzij met een vliegtuig van NetJets waarvan hij de piloot was, hetzij met een lijnvlucht naar een andere luchthaven.
(vi) De piloot ontving van medewerkers van het kantoor van NetJets in Portugal per e-mail en via een app op zijn iPad instructies voor de vluchten van zijn dienst.
(vii) Bij brief van 18 mei 2020 heeft NetJets de arbeidsovereenkomst van de piloot per direct opgezegd met betaling van een ‘statutory redundancy pay’ en een ‘payment in lieu of outstanding notice’ ter hoogte van drie maandsalarissen.
2.2
In dit geding verzoekt de piloot onder meer toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard van de verzoeken kennis te nemen.
2.3
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en de zaak teruggewezen naar de kantonrechter om op de hoofdzaak te worden beslist. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Op deze procedure is de Brussel I-bis Verordening1.van toepassing. (rov. 3.4) Art. 21 lid 1, onder b, onderdeel i, Brussel I-bis Verordening bepaalt dat de werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt. Nu de plaats waar de piloot gewoonlijk werkte niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, dient het hof de plaats te bepalen ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde. In die beschouwing dient volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie een aantal aanwijzingen te worden betrokken, namelijk vanuit welke plaats de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden (ECLI:EU:C:2011:151 Koelzsch en ECLI:EU:C:2011:842 Voogsgeerd). Hierbij dient tevens in aanmerking te worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht, gestationeerd zijn (ECLI:EU:C:2017:688 Ryanair). Het begrip ‘thuisbasis’ in de zin van Verordening (EEG) nr. 3922/912.vormt een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van voornoemde aanwijzingen. In bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 wordt thuisbasis omschreven als ‘de locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie’. Slechts als vorderingen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de thuisbasis zou deze laatste voor de bepaling van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt irrelevant zijn. (rov. 3.6)
Bij het bepalen van de plaats ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde, is allereerst van belang dat de piloot zijn opdrachten voor NetJets verrichtte vanaf Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeerde. De piloot ontving instructies voor opdrachten van NetJets thuis via de e-mail of de app op zijn iPad. Na accordering van een opdracht zorgde de piloot ervoor dat hij in zijn NetJets-uniform op de afgesproken tijd op Schiphol aanwezig was. De piloot vertrok vanaf de luchthaven Schiphol hetzij met een vliegtuig van NetJets waarvan hij de piloot was, hetzij met een lijnvlucht naar een andere luchthaven. De plaats waar de vliegtuigen gestationeerd zijn, kan niet ondubbelzinnig worden vastgesteld, omdat de plaats waar de vliegtuigen van NetJets zich bevinden, wisselt. Dit flexibele businessmodel betekent evenwel niet dat de plaats van waaruit de piloot gewoonlijk werkte niet kan worden gelokaliseerd.
Het begrip ‘thuisbasis’ in de zin van Verordening (EEG) nr. 3922/91 vormt namelijk een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van voornoemde aanwijzingen. In dat kader is van belang dat de definitie van ‘home base’ in de Operations Manual van NetJets vrijwel gelijkluidend is aan de definitie van ‘thuisbasis’ in Verordening (EEG) nr. 3922/91.
De piloot begint en eindigt in de regel een tour vanaf Schiphol. Tot het begin van een tour en na afloop daarvan moet de piloot voor eigen vervoer en onderdak zorgen, op eigen kosten. Gedurende een tour neemt NetJets vanaf de ‘home base’ de zorg voor vervoer en accommodatie over en betaalt zij de daarmee gemoeide kosten. De thuisbasis van de piloot is derhalve Schiphol, waarbij niet van belang is dat deze (in theorie) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd. Nu de verzoeken van de piloot geen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de thuisbasis, dient de plaats ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde, te worden vastgesteld op Schiphol, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is. (rov. 3.7)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel bevat de klacht dat onjuist is de beslissing van het hof (in rov. 3.7) dat niet van belang is dat de ‘home base’ op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd. Het hof heeft daarmee volgens het onderdeel miskend dat bij de beoordeling of een bepaalde luchthaven de ‘home base’ van een piloot is in de zin van bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91, van (groot) belang is of die ‘home base’ is aangewezen door de exploitant van de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is, of dat die ‘home base’ (de facto) door de piloot wordt bepaald (en kan worden gewijzigd). Althans heeft het hof met die beslissing miskend dat bij de beoordeling welk gewicht in een concreet geval aan de tussen werknemer en werkgever als ‘home base’ geldende luchthaven kan worden toegekend bij de beoordeling van waaruit die piloot zijn werkzaamheden verricht in de zin van art. 21 lid 1, onder b, onderdeel i, Brussel I-bis Verordening, van (groot) belang is of de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is die ‘home base’ aanwijst, dan wel of de piloot die ‘home base’ (de facto) bepaalt.
3.1.2
De Hoge Raad stelt voorop dat het onderdeel terecht niet bestrijdt het door het hof in rov. 3.6 van zijn uitspraak vermelde (hiervoor in 2.3 weergegeven) beoordelingskader voor de vraag of de Nederlandse rechter in dit geding bevoegd is.
3.1.3
Het oordeel van het hof dat Schiphol de plaats is ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde, berust op een waardering en weging van het geheel van omstandigheden dat dit geval kenmerkt. De omstandigheid dat de ‘home base’ in de zin van B bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 Schiphol was, neemt in dat geheel naar het kennelijke oordeel van het hof slechts een ondergeschikte plaats in. Het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter bevoegd is, steunt immers voornamelijk op de omstandigheden (rov. 3.7):
- dat de piloot zijn opdrachten voor NetJets verrichtte vanaf de luchthaven Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeerde;
- dat de piloot vanaf Schiphol vertrok hetzij met een lijnvlucht hetzij als piloot in een vliegtuig van NetJets;
- dat de piloot de instructies voor opdrachten thuis ontving via e-mail of via een app op zijn i-pad;
- dat de piloot na aanvaarding van een opdracht ervoor zorgde dat hij in het pilotenuniform van NetJets op de afgesproken tijd op Schiphol aanwezig was;
- dat de piloot tot het begin van een tour en na afloop daarvan voor eigen vervoer en onderdak moest zorgen, op eigen kosten, en dat NetJets gedurende een tour de zorg voor vervoer en accommodatie overnam en de daarmee gemoeide kosten betaalde.
Tegen deze achtergrond geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk dat de omstandigheid dat de ‘home base’ in de zin van bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 op verzoek van de piloot kon worden gewijzigd, het hof niet heeft weerhouden van zijn hiervoor bedoelde oordeel omtrent de plaats ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde. De klachten van het onderdeel stuiten hierop af.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt NetJets in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de piloot] begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 18 november 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑11‑2022
Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatievan technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van deburgerluchtvaart, PbEG 1991, L 373/4, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1899/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006, PbEU 2006, L 377/1.
Conclusie 13‑05‑2022
Inhoudsindicatie
IPR. Procesrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter tot kennisneming van arbeidsgeschil tussen luchtvaartmaatschappij en piloot; ‘plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ in zin art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis; begrip ‘home base’ in zin Verordening (EEG) 3922/91; HvJEU inzake Ryanair (ECLI:EU:C:2017:688).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04460
Zitting 13 mei 2022
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
NetJets Management Limited
(hierna: NetJets)
tegen
[de piloot]
(hierna: de piloot)
In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter op grond van art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis1.bevoegd is kennis te nemen van een arbeidsrechtelijk geschil tussen een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde luchtvaartmaatschappij en een piloot naar aanleiding van de beëindiging van het arbeidscontract door de luchtvaartmaatschappij. Heeft het hof terecht internationale bevoegdheid aangenomen, omdat Schiphol als ‘home base’ van de piloot (in de zin van Bijlage III van de Verordening (EEG) nr. 3922/91)2.is aan te merken en daarmee als de plaats van waaruit de piloot gewoonlijk heeft gewerkt? Gelijktijdig met deze conclusie neem ik ook conclusie in de identieke zaken 21/04450 en 21/04459.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan, kort weergegeven, van het volgende worden uitgegaan.3.NetJets is een luchtvaartmaatschappij, gevestigd in Londen, Verenigd Koninkrijk, die privévluchten verzorgt en 589 piloten en boordpersoneel in dienst heeft. NetJets heeft Falcon-toestellen en transporteert personen binnen Europa, naar Noord-Afrika en naar de oostkust van de Verenigde Staten.
1.2
De piloot is op 1 januari 2008 bij NetJets in dienst getreden. Zijn laatstverdiende salaris bedraagt € 5.115,46 bruto, te vermeerderen met emolumenten. In de arbeidsovereenkomst van de piloot staat onder andere:
‘5. Place of work
5.1
It is in the nature of the Flight Crew Member’s [piloot, A-G] position that job mobility is essential. The Flight Crew Member will not have a normal place of work. The Flight Crew Member will be expected to travel as necessary for the proper performance of his duties under this Agreement. (…)
6. Gateway Airport
6.1
The Flight Crew Member will be required to select an airport from which, subject to such airport being agreed by the Company, he/she will be transported to his/her aircraft for the start of commencement of his/her duties under this Agreement (“the Gateway Airport”). In the event that the Flight Crew Member chooses makes his/her own travel arrangements to travel to the aircraft, such arrangements shall be made at his/her own expense.
6.2
For the avoidance of doubt, the Gateway Airport is not, and shall not be deemed to be the Flight Crew Member’s place of work or base, it being hereby acknowledged by both parties that the location where the Flight Crew Member performs the entirety of his/her duties depends entirely on where the aircraft is and the trip being undertaken.’
1.3
In de Operations Manual van NetJets staan als definities:
‘Gateway: The location, permanent or temporary, selected by the crew member for the day he starts or ends a tour. The company will assign home base as being the crew member chosen gateway.
Home base: The location, assigned by the operator to the crew member, from where the crew member normally starts and ends a duty period or a series of duty periods and where, under normal circumstances, the operator is not responsible for the accommodation of the crew member concerned.
(…)
Tour: A series of consecutive duty days that normally begins after a period of more than 3 consecutive days off and that starts when the crew member first leaves his gateway for the purpose of performing a flight duty period positioning (including any standby period).
A crew member is considered to be away from the gateway for the entire duration of the tour. If, during a tour, a crew member ends a duty period at his gateway, NTA [NetJets, A-G] shall continue to provide a suitable accommodation unless the crew member is assigned home standby duty (…).”
1.4
De piloot draait diensten (een tour geheten) van zes dagen achtereen, waarna hij vijf dagen vrij is voordat een nieuwe dienst van zes dagen begint. De piloot vertrekt vanaf de luchthaven Schiphol óf met een vliegtuig van NetJets, waarvan hij de piloot is, óf hij gaat mee met een lijnvlucht naar een andere luchthaven waar hij met een toestel van NetJets zijn tour start.
1.5
In een brief van 16 oktober 2018 van NetJets aan de piloot, met een aanbod voor indiensttreding, staat als gateway EHAM Amsterdam Airport vermeld. EHAM is de internationale vliegveldcode voor Schiphol. De piloot ontvangt van medewerkers van NetJets in Portugal per e-mail en via een app op zijn iPad instructies voor de vluchten van zijn dienst.
1.6
Bij brief van 18 mei 2020 heeft NetJets de arbeidsovereenkomst van de piloot per direct beëindigd met betaling van een statutory redundancy pay en een payment in lieu of outstanding notice ter hoogte van drie maandsalarissen.
1.7
De piloot heeft zich gewend tot de rechtbank Noord-Holland met het verzoek om NetJets te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, een contractuele beëindigingsvergoeding en vertaalkosten.
1.8
In zijn beschikking van 1 oktober 20204.heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om van de verzoeken van de piloot kennis te nemen. Daartoe heeft de kantonrechter, kort samengevat, overwogen dat de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een internationaal arbeidsgeschil, moet worden beantwoord aan de hand van art. 21 en 23 van de Verordening Brussel I-bis (rov. 5.2). De in de arbeidsovereenkomst opgenomen forumkeuze voldoet niet aan de vereisten van art. 23 Verordening Brussel I-bis (rov. 5.3), zodat op grond van art. 21 Verordening Brussel I-bis moet worden gekeken of kan worden vastgesteld waar de piloot gewoonlijk heeft gewerkt. Nu dat niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld (rov. 5.4), moet worden bepaald vanuit welk land de piloot gewoonlijk heeft gewerkt (rov. 5.5). De kantonrechter heeft aan de hand van de aanwijzingen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in zijn rechtspraak heeft gegeven, geconcludeerd dat de plaats van waaruit een werknemer gewoonlijk werkt in dit geval niet kan worden vastgesteld (rov. 5.6-5.15). Op grond van art. 21 lid 1, sub b, onderdeel ii, Verordening Brussel I-bis is dan bevoegd de rechter van de vestiging van indienstneming bepalend, zijnde Londen (rov. 5.16).
1.9
De piloot heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Bij beschikking van 27 juli 2021 heeft het hof de Nederlandse rechter bevoegd verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank Noord-Holland om op de hoofdzaak te worden beslist. Het hof heeft onder meer overwogen dat NetJets is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en dat op grond van art. 67 van de Withdrawal Agreement tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU5., de Verordening Brussel I-bis van toepassing is op de onderhavige procedure, nu deze gestart is vóór 1 januari 2021 (rov. 3.4). Art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis bepaalt dat de werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt. De plaats waar de piloot gewoonlijk werkt kan niet ondubbelzinnig worden vastgesteld, zodat de plaats moet worden bepaald ‘van waaruit’ de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde. Daarbij moet volgens de rechtspraak van het HvJEU een aantal aanwijzingen worden betrokken, namelijk vanuit welke plaats de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Ook dient in aanmerking te worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht gestationeerd zijn. Het begrip ‘thuisbasis’ in de zin van Verordening 3922/91 vormt een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van voornoemde aanwijzingen. In bijlage III bij Verordening 3922/91 wordt thuisbasis omschreven als ‘de locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie’. Slechts als vorderingen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de thuisbasis zou deze laatste voor de bepaling van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt irrelevant zijn (rov. 3.6).
1.10
Vervolgens heeft het hof in rov. 3.7 overwogen:
‘Bij het bepalen van de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Netjets vervulde is allereerst van belang dat [de piloot] zijn opdrachten voor Netjets verricht vanaf Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeert. [De piloot] ontvangt instructies voor opdrachten van Netjets thuis via de email of de app op zijn iPad. Na accordering van een opdracht zorgt [de piloot] ervoor dat hij in zijn Netjets-uniform op de afgesproken tijd op Schiphol aanwezig is. [De piloot] begint zijn tour vanaf Schiphol of met een vliegtuig van Netjets, waarvan hij de piloot is, of hij gaat mee met een lijnvlucht naar een andere luchthaven waar hij met een toestel van Netjets zijn tour start. De plaats waar de vliegtuigen gestationeerd zijn kan niet ondubbelzinnig worden vastgesteld, omdat de plaats waar de vliegtuigen van Netjets zich bevinden wijzigt. Dit flexibele businessmodel betekent evenwel niet dat de plaats van waaruit [de piloot] gewoonlijk werkt niet kan worden gelokaliseerd. zaaknummer: 200.287.612/01 7 Het begrip ‘thuisbasis’ in de zin van Verordening 3922/91 vormt namelijk een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van voornoemde aanwijzingen. In dat kader is van belang dat de definitie van home base in de Operations Manual van Netjets vrijwel gelijkluidend is aan de definitie van thuisbasis in Verordening 3922/91. [De piloot] begint en eindigt in de regel een tour vanaf Schiphol. Tot het begin van een tour en na afloop daarvan moet de piloot voor eigen vervoer en onderdak zorgen, op eigen kosten. Gedurende een tour neemt Netjets vanaf de home base de zorg voor vervoer en accommodatie over en betaalt de daarmee gemoeide kosten. De thuisbasis van [de piloot] is derhalve Schiphol, waarbij niet van belang is dat deze (in theorie) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd. Nu de verzoeken van [de piloot] geen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de thuisbasis dient de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Netjets vervulde te worden vastgesteld op Schiphol, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is. Nu het hof een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie EU niet noodzakelijk acht voor het wijzen van deze beschikking wordt de suggestie van Netjets daartoe gepasseerd.’
1.11
Het hof heeft bij beschikking van 12 oktober 2021 op verzoek van NetJets beslist dat tegen de tussenbeschikking van 27 juli 2021 onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.
1.12
NetJets heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 27 juli 2021. De piloot heeft geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel valt, na een bespreking van de feiten en het procesverloop, uiteen in drie onderdelen.
2.2
Onderdeel 1 is gericht tegen de passage in rov. 3.7, waarin het hof heeft overwogen dat bij de beoordeling dat Schiphol de thuisbasis (‘home base’) van de piloot is in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 ‘niet van belang is dat deze (in theorie) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd’. Het onderdeel klaagt in de kern genomen dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de thuisbasis (de facto) door de piloot wordt bepaald, van (groot) belang is voor het bepalen van ‘de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’.
2.3
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. In cassatie staat onbestreden vast dat in deze zaak de Verordening Brussel I-bis van toepassing is. Deze Verordening bevat in Afdeling 5 van Hoofdstuk II een autonome regeling van de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst (art. 20 t/m 23). In deze zaak rijst de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan baseren op een bevoegdheidsgrond van art. 21 Verordening Brussel I-bis. Deze bepaling luidt als volgt:
‘1. ‘1. De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
‘1. a. voor de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft, of
‘1. b. in een andere lidstaat:
‘1. i. voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
‘1. ii. wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.
‘1. 2. Een werkgever die geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in overeenstemming met lid 1, onder b), worden opgeroepen voor het gerecht van een lidstaat.’
2.4
De werknemer had in deze zaak ervoor kunnen kiezen NetJets op grond van art. 21 lid 1, sub a, Verordening Brussel I-bis op te roepen voor de Engelse rechter, zijnde de rechter van de lidstaat van de plaats van vestiging (woonplaats) van NetJets. Art. 21 geeft de werknemer echter de keuze de werkgever op te roepen in een andere lidstaat voor het gerecht van ‘de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’. Deze aanknoping wordt niet alleen in het internationale bevoegdheidsrecht gehanteerd, maar geldt ook voor het bepalen van het toepasselijk recht in zaken betreffende verbintenissen uit een individuele arbeidsovereenkomst. Wat dit laatste betreft, bepaalt art. 8 lid 2 Rome I-Verordening6.dat op een arbeidsovereenkomst, bij gebreke van rechtskeuze door partijen, van toepassing is ‘het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’.
2.5
Over de uitleg van het begrip ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’, heeft het HvJEU een aantal prejudiciële beslissingen gewezen. Voor zover deze rechtspraak betrekking heeft op de uitleg van art. 6 lid 2, onder a, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO)7.– de voorganger van art. 8 lid 2 Rome I-verordening – moet deze rechtspraak ook in aanmerking worden genomen voor de uitleg van hetzelfde begrip in art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis.8.Hetzelfde geldt voor de rechtspraak waarin het HvJEU uitleg heeft gegeven aan soortgelijke bevoegdheidsbepalingen opgenomen in de voorgangers van de Verordening Brussel I-bis, te weten de Verordening Brussel-I en het EEX-Verdrag.9.
2.6
Voor de uitleg van art. 6 EVO inzake het toepasselijke recht op een arbeidsovereenkomst is het vaste rechtspraak van het HvJEU dat het criterium van het land waar de werknemer ‘gewoonlijk zijn arbeid verricht’ ruim moet worden uitgelegd. Het criterium van de plaats van ‘vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen’ kan slechts toepassing vinden wanneer de aangezochte rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk werd verricht.10.Onder verwijzing naar deze rechtspraak heeft het HvJEU overwogen dat het begrip ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ in de bevoegdheidsbepaling van art. 19, punt 2, onderdeel a, Verordening Brussel I (overgenomen in art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis) ruim moet worden uitgelegd en dat daarmee wordt gedoeld op de plaats waar of van waaruit de werknemer feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult. In het geval dat dit niet kan worden bepaald, komt het subsidiaire criterium aan de orde, waarin bevoegdheid is toegekend aan het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen (art. 19, punt 2, onderdeel b, Verordening Brussel I en art. 21 lid 1, sub b, onderdeel ii, Verordening Brussel I-bis).11.De rechter dient dus eerst na te gaan of hij de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt kan vaststellen. Indien de rechter deze plaats niet ondubbelzinnig kan vaststellen, moet hij onderzoeken of hij de plaats kan bepalen van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt.12.Bij het bepalen van deze plaats moet de rechter de aanwijzingen in aanmerking nemen die uit de rechtspraak van het HvJEU volgen.13.Met deze benadering wordt volgens het HvJEU vermeden dat het begrip ‘de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’, wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen tot het ontstaan van ontwijkingsstrategieën.14.
2.7
Het HvJEU heeft in zijn rechtspraak die betrekking heeft op arbeidsrechtelijke geschillen in de vervoerssector aanwijzingen geformuleerd met behulp waarvan de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, kan worden bepaald.15.In het arrest Ryanair, dat betrekking heeft op de bevoegdheid ten aanzien van een arbeidsrechtelijk geschil in de burgerluchtvaartsector, is de vraag aan de orde gekomen wat de plaats is waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, indien hij zijn functies uitoefent aan boord van een vliegtuig. Het HvJEU heeft erop gewezen dat de nationale rechter ter bepaling van ‘de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ bij arbeidsverhoudingen in de vervoerssector een aantal aanwijzingen in zijn beschouwing kan betrekken. In het bijzonder moet de nationale rechter vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden.16.Wat betreft die laatste aanwijzing heeft het HvJEU gepreciseerd dat, in omstandigheden zoals in het hoofdgeding, mede in aanmerking moet worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht, gestationeerd zijn.17.
2.8
In de Ryanair-zaak heeft de verwijzende rechter het HvJEU ook gevraagd of ‘de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ kan worden gelijkgesteld met het begrip ‘thuisbasis’ (‘home base’) in de zin van Bijlage III van de Verordening (EEG) nr. 3922/91 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart.18.In deze bijlage wordt het begrip ‘thuisbasis’ binnen het ‘Subdeel Q. Vlieg- en diensttijdbeperkingen en rusttijden’ als volgt gedefinieerd:
‘De locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie’.19.
2.9
Norm OPS 1.1090, punt 3.1 van Bijlage III van Verordening nr. 3922/91 bepaalt dat het de verantwoordelijkheid van de exploitant is om de thuisbasis van elk bemanningslid aan te wijzen.20.De thuisbasis is met name van belang voor het vaststellen van de minimumrustperiode.21.
2.10
Het juridische begrip ‘thuisbasis’ was aanvankelijk gereserveerd voor veiligheidsdoeleinden in de burgerluchtvaart, maar wordt inmiddels ook voor andere doeleinden gebruikt.22.Zo speelt het begrip binnen het EU-recht een belangrijke rol bij het vaststellen van de toepasselijke wetgeving inzake sociale zekerheid.23.In Nederland is op de website van de Sociale Verzekeringsbank te lezen dat een werknemer die werkt in de cockpit of de cabine van de burgerluchtvaart, sociaal verzekerd is in het land waar de thuisbasis ligt.24.Voor het bepalen van het toepasselijke recht op een arbeidsovereenkomst en in het bijzonder de vraag of de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land dan dat waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van art. 6 EVO (art. 8 Verordening Rome I) heeft het HvJEU overwogen dat onder de belangrijke factoren voor die aanknoping allereerst rekening dient te worden gehouden ‘met het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij is aangesloten bij de sociale zekerheid en de verschillende pensioen-, ziektekostenverzekerings- en invaliditeitsregelingen’.25.Overigens worden deze factoren in de rechtspraak van het HvJEU niet genoemd als aanwijzingen voor het bepalen van de bevoegde rechter.
2.11
Bij de beantwoording van de vraag of het begrip ‘thuisbasis’ kan worden gebruikt voor het bepalen van de internationale bevoegdheid van de rechter op basis van art. 19, punt 2, onderdeel a, Verordening Brussel I, heeft het HvJEU vooropgesteld dat de Verordening Brussel I niet verwijst naar Verordening nr. 3922/91 en evenmin dezelfde doelstellingen heeft. Laatstgenoemde verordening strekt ertoe technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart te harmoniseren, terwijl de Verordening Brussel I (mede) tot doel heeft de bevoegdheidsregels van de gerechten van de lidstaten te unificeren.26.Het begrip thuisbasis kan daarom niet worden gelijkgesteld met de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt.27.Dat neemt niet weg dat het begrip thuisbasis een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van de aanwijzingen die door het HvJEU in zijn rechtspraak zijn geformuleerd met behulp waarvan de rechter de plaats kan bepalen waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt.28.Het HvJEU heeft hierbij opgemerkt dat de thuisbasis niet door het toeval wordt bepaald en evenmin door de werknemer, maar door de exploitant voor ieder bemanningslid (op grond van het reeds genoemde OPS 1.1090, punt 3.1).
2.12
Het HvJEU heeft verder in het Ryanair-arrest overwogen dat het begrip ‘thuisbasis’ slechts irrelevant zou zijn voor het bepalen van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, wanneer de vordering, rekening houdend met de feitelijke omstandigheden, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats dan die van de ‘thuisbasis’.29.
2.13
Het feit dat óók Verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels verwijst naar het begrip ‘thuisbasis’, is volgens het HvJEU niet van invloed op de uitleg van het begrip ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’, omdat deze verordening andere doelstellingen heeft dan de Verordening Brussel I, namelijk het vrije verkeer van werknemers en het bijdragen aan de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden.30.
2.14
Na deze uiteenzetting keer ik terug naar het middel. Onderdeel 1 (onder 22) klaagt dat het hof heeft miskend dat bij de beoordeling of een bepaalde luchthaven de thuisbasis is van een piloot in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91, van (groot) belang is of die thuisbasis is aangewezen door de exploitant van de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is, of dat die thuisbasis (de facto) door de piloot wordt bepaald (en kan worden gewijzigd).
2.15
Uit het Ryanair-arrest volgt dat de thuisbasis een factor vormt die een belangrijke rol kan spelen bij het bepalen van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt. Het HvJEU heeft daarbij overwogen, en kennelijk relevant geacht, dat de thuisbasis door de exploitant voor ieder bemanningslid wordt bepaald, en niet door het toeval of door de werknemer. In het onderhavige geval bepaalt de arbeidsovereenkomst tussen de piloot en NetJets dat de piloot de ‘Gateway Airport’ aanwijst, ‘subject to such airport being agreed by the Company’. De Operations Manual vermeldt dat NetJets de ‘home base’ (thuisbasis) aanwijst op basis van de keuze van de piloot voor de ‘Gateway Airport’. Het is dus NetJets en niet de piloot, die verantwoordelijk is voor het aanwijzen van de thuisbasis van de piloot. De Operations Manual sluit op dit punt aan bij norm OPS 1.1090, punt 3.1 van Bijlage III van Verordening nr. 3922/91. Dat NetJets de thuisbasis niet eenzijdig bepaalt en aan de piloot oplegt, maar de aanwijzing van de thuisbasis baseert op de keuze van de werknemer voor de ‘Gateway Airport’, waarmee NetJets heeft ingestemd, maakt naar mijn mening geen verschil. Voor de door NetJets verdedigde opvatting dat het voor de beoordeling of een luchthaven de thuisbasis is in de zin van bijlage III van Verordening nr. 3922/91 van belang is op welke wijze de exploitant de thuisbasis bepaalt, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de EU-regelgeving, noch in de rechtspraak van het HvJEU. De klacht faalt daarom.
2.16
Het onderdeel (onder nr. 22) klaagt verder, kort samengevat, dat het hof heeft miskend dat bij de beoordeling welk gewicht aan de thuisbasis kan worden toegekend bij het bepalen van de plaats van waaruit de piloot zijn werkzaamheden gewoonlijk verricht, van (groot) belang is of die thuisbasis is aangewezen door de exploitant van de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is, of dat die thuisbasis (de facto) door de piloot wordt bepaald (en kan worden gewijzigd). NetJets heeft hiertoe in de toelichting op onderdeel I verschillende argumenten naar voren gebracht, die ik hierna bespreek.
2.17
Het eerste argument luidt dat de thuisbasis in veel minder sterke mate objectief is bepaald wanneer de werknemer deze te allen tijde kan wijzigen.31.Wanneer de thuisbasis in dat geval een bepalende factor is bij de beoordeling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, zou dat de facto betekenen dat de werknemer de thuisbasis zou kunnen wijzigen vlak voordat hij een procedure tegen de werkgever aanhangig maakt, met de bedoeling zijn zaak voor het gerecht van zijn keuze te brengen. Dit zou in strijd zijn met de bedoeling van art. 21 lid 1, sub b, Verordening Brussel I-bis en met punt 62 van het Ryanair-arrest, waarin het HvJEU heeft overwogen dat moet worden ‘vermeden dat een begrip als ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen tot het ontstaan van ontwijkingstrategieën’.
2.18
Dit argument van NetJets overtuigt niet. Het enkele feit dat de thuisbasis in theorie door de werknemer kan worden gewijzigd en op deze manier, eveneens in theorie, onderdeel kan worden van diens processtrategie, levert onvoldoende grond op om minder gewicht toe te kennen aan deze factor bij de beoordeling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt. Dat ligt anders wanneer de werknemer in een concreet geval vlak vóór het aanhangig maken van een procedure daadwerkelijk zijn thuisbasis heeft gewijzigd. In dat geval ligt het voor de hand dat de rechter de thuisbasis (aanzienlijk) minder zwaar laat meewegen in zijn beoordeling. Het is dan overigens aannemelijk dat de rechter op basis van de feitelijke omstandigheden tot de conclusie komt dat de vordering een nauwere band heeft met een andere plaats, waarmee de thuisbasis irrelevant is voor de beoordeling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt.32.In de onderhavige zaak blijkt echter niet dat de piloot zijn thuisbasis vlak voor de procedure (de facto) heeft gewijzigd. Het oordeel van het hof dat de thuisbasis in deze zaak een belangrijke factor vormt bij de vaststelling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de omstandigheden ook niet onbegrijpelijk.
2.19
Ten overvloede merk ik nog op dat wanneer zou worden aangenomen dat het begrip ‘thuisbasis’ niet of verminderd relevant is in het geval dat de exploitant de aanwijzing van de thuisbasis de facto aan de werknemer overlaat, hiermee een ontwijkingsstrategie voor de exploitant kan ontstaan. Wanneer de rechter geen of weinig gewicht zou mogen toekennen aan de thuisbasis bij de vaststelling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, zou dat die vaststelling kunnen bemoeilijken. Indien de rechter de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt niet kan vaststellen, kan immers de werknemer zijn vordering slechts aanhangig maken bij de rechter van de plaats waar zich de vestiging bevindt die hem in dienst heeft genomen (art. 21 lid 1, sub b, onderdeel ii, Verordening Brussel I-bis) of bij de rechter van de lidstaat waar de werkgever woonplaats heeft (art. 21 lid 1, sub a, Verordening Brussel I-bis). Door de verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van de thuisbasis (de facto) bij de werknemer neer te leggen, zou de werkgever kunnen bewerkstelligen dat de werknemer minder snel een beroep kan doen op art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis. Dat is gelet op de doelstelling van de autonome bevoegdheidsbepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II van de Verordening Brussel I-bis, namelijk bescherming van de werknemer, een onwenselijk resultaat.
2.20
NetJets heeft als tweede argument nog betoogd dat wanneer de werknemer de vrijheid krijgt om (op verzoek) van thuisbasis te veranderen, de plaats van de thuisbasis in het licht van de doelstelling van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels van geen of beperkte betekenis zou moeten zijn bij de beoordeling van de plaats ‘van waaruit’ de werknemer gewoonlijk werkte. Volgens NetJets komt de uniformiteit in het gedrang wanneer piloten van één en dezelfde werkgever allen een verschillende thuisbasis kiezen. Bij één reorganisatie in het kader waarvan bijvoorbeeld honderd piloten worden ontslagen, zou dat ertoe kunnen leiden dat tientallen verschillende jurisdicties bevoegd worden, aldus NetJets.33.
2.21
Zoals reeds opgemerkt, kan de werknemer de bevoegdheid van de rechter niet gemakkelijk beïnvloeden door een wijziging van zijn thuisbasis. Bovendien kan de werknemer de thuisbasis niet eigenhandig wijzigen, zo volgt uit de arbeidsovereenkomst tussen de piloot en NetJets en de Operations Manual. De werknemer kan verzoeken de ‘Gateway Airport’ te wijzigen, maar deze wijziging behoeft instemming van NetJets. Vervolgens wijst NetJets op basis van de Gateway Airport de thuisbasis aan. NetJets is dus steeds op de hoogte van (een wijziging van) de thuisbasis. In dit licht valt niet in te zien waarom het toekennen van gewicht aan het begrip ‘thuisbasis’ bij de beoordeling van de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt in dat geval zou kunnen leiden tot een voor NetJets onvoorspelbare bevoegdheid.
2.22
De Verordening Brussel I-bis heeft (mede) tot doel te bewerkstelligen dat de gerechten van de EU-lidstaten hun internationale bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken bepalen aan de hand van uniforme bevoegdheidsregels, die op uniforme wijze worden toegepast, waarmee eenheid van rechtsbedeling tot stand wordt gebracht.34.De uniformiteit van de bevoegdheidsregels staat eraan in de weg dat gerechten in verschillende lidstaten zich ten aanzien van het onderhavige geschil tussen de piloot en NetJets bevoegd kunnen verklaren op basis van het criterium ‘de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’. Voor de stelling van NetJets dat de uniformiteit óók in het geding is wanneer de gerechten in verschillende lidstaten bevoegd zouden zijn ten aanzien van vorderingen die verschillende werknemers met verschillende thuisbases tegen NetJets aanhangig hebben gemaakt, is in de rechtspraak van het HvJEU geen steun te vinden. Het HvJEU heeft in het kader van de bevoegdheidsregels betreffende verbintenissen uit individuele arbeidsovereenkomst juist benadrukt dat de bevoegdheid in ieder afzonderlijk geval moet worden bepaald, waarbij de rechter rekening moet houden met alle feitelijke omstandigheden, waaronder in een voorkomend geval de thuisbasis.35.
2.23
Het derde argument van NetJets is gebaseerd op de overweging van het HvJEU in het Ryanair-arrest dat de thuisbasis door de exploitant wordt bepaald, en niet door het toeval of door de werknemer. Volgens NetJets ligt in deze overweging a contrario besloten dat wanneer de thuisbasis wél door de werknemer wordt bepaald, aan dit begrip niet hetzelfde gewicht kan worden toegekend als wanneer de thuisbasis door de exploitant wordt bepaald.36.
2.24
Ook dit argument dient te worden verworpen. Hierboven bleek al dat het NetJets is die op grond van de Operations Manual de thuisbasis van de piloot aanwijst. De wijze waarop NetJets tot die aanwijzing komt, is daarbij niet van belang.
2.25
Uit het bovenstaande volgt dat de argumenten die NetJets naar voren heeft gebracht, onvoldoende steun bieden voor de stelling dat voor de beoordeling van de plaats van waaruit de piloot gewoonlijk werkt, in dit concrete geval van (groot) belang is dat de thuisbasis de facto door de piloot wordt bepaald en kan worden gewijzigd. De klacht dat het hof dit met zijn beslissing heeft miskend, faalt daarom.
2.26
Het onderdeel (onder nr. 23) klaagt verder nog dat de beslissing van het hof in rov. 3.7 ook in die zin rechtens onjuist is, omdat het hof daarmee heeft miskend dat bij de beoordeling van waaruit de piloot zijn werkzaamheden verricht in de zin van art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Verordening Brussel I-bis, acht moet worden geslagen op ‘alle omstandigheden die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken’ en het feit dat het bij NetJets aan de piloten is overgelaten om hun thuisbasis te bepalen, ontegenzeggelijk één van die omstandigheden is.
2.27
De klacht bouwt voort op de eerdere klacht uit het onderdeel (onder nr. 22) en deelt het lot daarvan.
2.28
De slotsom is dat onderdeel 1 geheel faalt.
2.29
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat bij het bepalen van de plaats van waaruit de piloot het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde allereerst van belang is dat de piloot zijn opdrachten voor NetJets verricht vanaf Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeert. Het onderdeel valt uiteen in verschillende rechts- en motiveringsklachten.
2.30
Het onderdeel (onder nr. 25) betoogt, in de kern genomen, dat het hof klaarblijkelijk onder ‘het verrichten van opdrachten voor NetJets vanaf Schiphol’ heeft verstaan zowel (i) het vertrekken van Schiphol om als passagier van een lijnvlucht naar een andere luchthaven te vliegen van waaruit de piloot zijn transportopdracht voor NetJets zou starten, als (ii) het vertrekken vanaf Schiphol als piloot van een NetJets toestel op een hem door NetJets gegeven transportopdracht. Voor zover het hof van mening is dat Schiphol in zowel geval (i) als geval (ii) is aan te merken als ‘de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten heeft verricht’ in de zin van het Koelzsch-arrest, heeft het hof miskend dat Schiphol alleen in geval (ii) als zodanig kan worden aangemerkt. Dit betekent eveneens dat het hof heeft miskend dat het vertrek vanaf Schiphol slechts in geval (ii) is te duiden als ‘met name’ mee te wegen aanwijzing dat de piloot zijn werkzaamheden vanuit Nederland verrichtte.
2.31
Bij de bespreking van deze klacht stel ik het volgende voorop. In het arrest Koelzsch, waarin de werknemer werkzaam was in de sector van het internationaal wegvervoer, heeft het HvJEU in het kader van art. 6 lid 2, onder a, EVO overwogen dat de nationale rechter voor de vaststelling van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, rekening moet houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken.37.Met name moet hij vaststellen:
- de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht;
- de plaats waar de werknemer de instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert;
- de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden;
- de plaatsen waar het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht;
- de plaatsen waar de goederen worden gelost;
- de plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.38.
2.32
In het arrest Voogsgeerd was de werknemer werkzaam als machinist in de zeevaartsector. Het HvJEU herhaalde, wederom in de context van art. 6 lid 2, onder a, EVO, dat de nationale rechter rekening moet houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken. ‘Gelet op de aard van de werkzaamheden in de zeevaartsector’ heeft het HvJEU met name van belang geacht de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, en de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden.39.Het HvJEU heeft verder overwogen:
‘De in de verwijzingsbeslissing vermelde elementen die de arbeidsbetrekking kenmerken, te weten de plaats van de effectieve tewerkstelling, de plaats waar de werknemer de instructies ontvangt of de plaats waar deze zich moet aanmelden alvorens zijn opdrachten uit te voeren, zijn dus van belang voor het bepalen van het op deze arbeidsbetrekking toepasselijke recht, in die zin dat wanneer deze plaatsen in hetzelfde land zijn gelegen, de aangezochte rechter kan oordelen dat de situatie onder de regeling van artikel 6, lid 2, sub a, van het Verdrag van Rome valt’ (mijn curs., A-G).40.
2.33
Deze aanwijzingen verschillen enigszins ten opzichte van de aanwijzingen die het HvJEU in het Koelzsch-arrest heeft geformuleerd. In de literatuur wordt doorgaans aangenomen dat het HvJEU de aanwijzingen in Voogsgeerd specifiek heeft toegespitst op de zeevaartsector.41.
2.34
In het Ryanair-arrest heeft het HvJEU slechts in algemene zin overwogen dat de nationale rechter een aantal aanwijzingen, waaronder de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, in zijn beschouwing moet betrekken.42.Het HvJEU heeft niet uitgelegd hoe ‘de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ moet worden bepaald in de context van het hoofdgeding, waarin de werknemers werkzaam waren als stewards en stewardessen en hun functies de veiligheid en verzorging van passagiers, verkoop aan boord en schoonmaak omvatten.43.De conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe bevat een opsomming van de ‘relevante aanwijzingen voor de bepaling van de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn verplichtingen hoofdzakelijk vervult in de omstandigheden van het hoofdgeding’.44.Hierin ontbreekt ‘de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ als relevante aanwijzing. In de omstandigheden van het hoofdgeding wordt door de A-G overwegend belang gehecht aan de plaats waar de werknemers hun werkdag begonnen en beëindigden.45.
2.35
Het HvJEU heeft in het Ryanair-arrest wél een specifieke invulling gegeven aan de eveneens in het Koelzsch-arrest genoemde aanwijzing van ‘de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden’, door te overwegen dat dit de plaats is waar de luchtvaartuigen aan boord waarvan de werkzaamheden gewoonlijk worden verricht, gestationeerd zijn.46.Daarnaast breng ik in herinnering dat het HvJEU heeft overwogen dat in het kader van de burgerluchtvaart het begrip ‘thuisbasis’ een factor is die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van de aanwijzingen die het HvJEU in zijn rechtspraak (waaronder het Koelzsch-arrest) heeft vermeld.47.
2.36
Uit het voorgaande blijkt dat de rechter de door het HvJEU in zijn rechtspraak geformuleerde aanwijzingen als richtsnoer moet gebruiken voor de beoordeling van ‘de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’, maar bij de uitleg en de toepassing van deze aanwijzingen steeds de aard van de werkzaamheden in de desbetreffende sector in acht dient te nemen.
2.37
In de zaak die in cassatie aan de orde is, heeft het hof overwogen dat de piloot zijn opdrachten voor NetJets verrichtte vanaf Schiphol, waarmee het hof, zo blijkt uit rov. 3.7, óók de situatie heeft bedoeld dat de piloot zich in zijn NetJets-uniform na accordering van een opdracht op de afgesproken tijd op Schiphol meldt om als passagier van een lijnvlucht naar een andere luchthaven te vliegen, van waaruit hij als piloot vliegt met een toestel van NetJets. Het hof heeft bij de bepaling van ‘de plaats van waaruit de piloot zijn opdrachten verricht’ kennelijk het geheel van de verplichtingen van de piloot jegens NetJets in aanmerking genomen en niet uitsluitend de verplichting van de piloot om passagiers te vervoeren in een toestel van NetJets. Uit rov. 3.6 en 3.7 volgt bovendien dat het hof bij de bepaling van ‘de plaats van waaruit de piloot zijn opdrachten verricht’ van belang heeft geacht dat Schiphol de thuisbasis van de piloot is.
2.38
In het licht van de besproken rechtspraak van het HvJEU getuigt het oordeel van het hof in de bestreden beschikking niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij merk ik nog op dat NetJets niet heeft gesteld dat het verzoek van de piloot, gezien de feitelijke omstandigheden, nauwere banden heeft met een andere plaats dan met de thuisbasis, en dat de thuisbasis om deze reden irrelevant zou zijn.48.
2.39
In haar procesinleiding49.heeft NetJets zich beroepen op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (na cassatie en verwijzing) van 27 juli 2021 in de zaak Silo-Tank.50.In deze zaak was de vraag aan de orde welk recht van toepassing was op arbeidsovereenkomsten van Hongaarse vrachtwagenchauffeurs die hun transportopdrachten in verreweg de meeste gevallen begonnen en eindigden in Nederland. De werkgever had gesteld dat de vervoersopdrachten werden verricht vanuit Hongarije, waar de werknemers hun woonplaats hadden, omdat de werkgever de aanreistijd van de werknemers vanuit hun woonplaats naar de opstapplek (doorgaans in Nederland) en de terugreistijd van de afstapplek (doorgaans in Nederland) terug naar hun woonplaats als werktijd aanmerkte. Het hof heeft deze stelling verworpen en daartoe overwogen dat het werk van de werknemers het chaufferen op een vrachtwagen gedurende internationale ritten was, niet het reizen naar de plek van waaruit de rit met de vrachtwagen begon of het terugreizen vanaf de afstapplek.51.
2.40
NetJets betoogt dat dit arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden steun biedt voor haar standpunt dat Schiphol slechts kan worden aangemerkt als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de gevallen waarin de piloot daadwerkelijk als piloot van een NetJets-toestel vanaf Schiphol vertrok om voor haar een transportopdracht vanaf Schiphol te verrichten.
2.41
Dit betoog van NetJets kan niet worden gevolgd. In deze zaak staat, anders dan in de zaak Silo-Tank, de reis vanuit de woonplaats van de piloot niet ter discussie, maar gaat het om de reizen van de piloot vanaf de thuisbasis van de piloot (Schiphol) als passagier met een lijnvlucht naar een andere luchthaven, waar de piloot overstapt op een NetJets-toestel, waarvan hij de piloot is. Deze reizen zijn onderdeel van de ‘duty period’ (dienstperiode) van de piloot.52.Het hof heeft bij de bepaling van de aanwijzing ‘de plaats van waaruit de werknemer zijn opdrachten verricht’ ook belang gehecht aan de omstandigheid dat Schiphol is aangewezen als de thuisbasis van de piloot. Dit oordeel getuigt, zoals reeds hierboven bleek, niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.42
Uit het bovenstaande volgt dat de klacht dat het hof heeft miskend dat Schiphol alleen als ‘de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ kan worden aangemerkt wanneer de piloot vanaf Schiphol vertrekt met een vliegtuig van NetJets waarvan hij de piloot is, niet kan slagen.
2.43
Het onderdeel (onder nrs. 26-28) bevat nog een rechtsklacht en een motiveringsklacht, die beide zijn gericht tegen rov. 3.7. De klachten zijn gebaseerd op de lezing van de bestreden beschikking dat het hof ervan is uitgegaan dat Schiphol slechts in de gevallen waarin de piloot daadwerkelijk als piloot van een NetJets-toestel vanaf Schiphol vertrok, is aan te merken als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van het Koelzsch-arrest. Uit het voorgaande volgt dat deze lezing onjuist is, zodat de klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.44
Onderdeel 3 bevat een klacht die voortbouwt op het slagen van één of meer klachten uit de voorgaande onderdelen. Nu geen van de klachten slaagt, behoeft onderdeel 3 geen bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2022
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351/1.
Verordening (EEG) nr. 3922/91 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart. Zie hierover onder punt 2.8 van deze conclusie.
Zie rov. 2.1-2.9 van de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 27 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2321.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Pb 2008, L 177/6.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, gesloten te Rome op 19 juni 1980, Trb. 1980, 156.
Zie ook onder punten 74-80 van de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe (ECLI:EU:C:2017:312) vóór HvJEU 14 september 2017, gevoegde zaken C-168/16 en C-169/16, ECLI:EU:C:2017:688, NJ 2018/4, SEW 2018/123, m.nt. T. Kruger (Ryanair).
Zie art. 5 sub 1 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, Trb. 1989, 142, en art. 19 sub 2, onderdeel a, van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1. Zie ook Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe vóór HvJEU 14 september 2017 (Ryanair), reeds aangehaald, punten 59-72
Zie HvJEU 12 september 2013, C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551, NJ 2015/166, m.nt. Th.M. de Boer (Schlecker), punt 31; HvJEU 15 maart 2011, C-29/10, ECLI:EU:C:2011:151, NJ 2011/246, m.nt. M.V. Polak (Koelzsch), punten 43-45; HvJEU 15 december 2011, ECLI:EU:C:2011:842, NJ 2012/273, m.nt. M.V. Polak (Voogsgeerd), punten 32-33.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punten 56-59.
Zie ook J.A. Pontier, Arbeidsovereenkomst en arbeidsverhoudingen in het IPR, Praktijkreeks IPR, 2020, nr. 87.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 61.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 62.
Zie de reeds aangehaalde arresten Koelzsch, Voogsgeerd en Ryanair.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 63.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 64.
PbEG 1991, L 373/4. Bijlage III is aan Verordening (EEG) nr. 3922/91 toegevoegd krachtens Verordening (EG) nr. 1899/2006 (PbEU 2006, L 377/176). Bijlage III is twee keer vervangen: bij Verordening (EG) nr. 8/2008 (PbEU 2008, L10/1) en Verordening (EG) nr. 859/2008 (PbEU 2008, L 254/1). De bewoordingen van de voor deze zaak relevante normen zijn echter niet gewijzigd. De huidige status van de bijlage is onduidelijk. In punt 16 van zijn conclusie bij Ryanair heeft A-G Saugmandsgaard Øe slechts gewezen op het feit dat bijlage III is vervangen, maar hij achtte de bijlage nog wel van kracht. In punt 12 van het Ryanair-arrest heeft het HvJEU overwogen dat Verordening nr. 3922/91 is ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 216/2008 (PbEU 2008, L 79/1). Art. 69 lid 3 van laatstgenoemde verordening bepaalt dat Bijlage III wordt geschrapt ‘met ingang van de datum waarop de overeenkomstige maatregelen als bedoeld in artikel 8, lid 5, in werking treden’. Uit overweging 84 van de preambule van Verordening (EU) 2018/1139 (PbEU 2018, L 212/1) blijkt dat deze ‘overeenkomstige maatregelen’ in 2018 nog getroffen moesten worden. De website EUR-Lex vermeldt op het moment van schrijven van deze conclusie dat de laatste versie van bijlage III (ingevoerd bij Verordening nr. 859/2008) van kracht is, maar vermeldt tevens bij datum einde geldigheid: ‘Onbekend; stilzwijgende opheffing door [Verordening 2018/1139]’, zie http://data.europa.eu/eli/reg/2008/859/oj.
Norm OPS 1.1095, punt 1.7 van Bijlage III van Verordening nr. 3922/91.
Norm OPS 1.1090, punt 3.1 van Bijlage III van Verordening nr. 3922/91.
Norm OPS 1.1110, punt 1.1 en 1.2 van Bijlage III van Verordening nr. 3922/91.
D. Babuder, Legal evolution of the concept of ‘home base’ for the purpose of determining labour and social security law applicable to European aircrew member, Journal of Air Transport Management 2021, vol. 92, p. 1.
Zie in dit verband overweging 18ter van de Preambule van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (PbEG 2004, L 166/1), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 465/2012 (PbEU 2012, L 149/4), waarin is overwogen dat het gerechtvaardigd is ‘het begrip thuisbasis als het criterium te hanteren voor de vaststelling van de op leden van het cockpit- en het cabinepersoneel toepasselijke wetgeving. De op leden van het cockpit- en het cabinepersoneel toepasselijke wetgeving dient echter stabiel te blijven en het „thuisbasis”-beginsel mag er niet toe leiden dat de toepasselijke wetgeving veelvuldig verandert als gevolg van de werkpatronen en de seizoenbehoeften van de sector’. Volgens art. 11 lid 5 Verordening (EG) nr. 883/2004 worden werkzaamheden van een lid van het cockpit- of het cabinepersoneel dat met betrekking tot luchtpassagiers of luchtvrachtvervoer diensten verricht, beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in de lidstaat waar het lid zijn thuisbasis heeft zoals omschreven in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91.
Zie HvJEU 12 september 2013, ECLI:EU:C:2013:551, NJ 2015/166, m.nt. Th.M. de Boer (Schlecker), punt 41.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 47.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 66.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 69.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 73.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 74.
Procesinleiding, schriftelijke toelichting onderdeel 1, punt (l).
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 73.
Procesinleiding, schriftelijke toelichting onderdeel 1, punt (m).
Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2019/39.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punten 61, 62, 73.
Procesinleiding, schriftelijke toelichting onderdeel 1, punt (n).
Zie het arrest Koelzsch, reeds aangehaald, punt 48
Zie het arrest Koelzsch, reeds aangehaald, punt 49.
Zie het arrest Voogsgeerd, reeds aangehaald, punt 38.
Zie het arrest Voogsgeerd, reeds aangehaald, punt 40.
Zie ook onder punt 3.8 van de conclusie van A-G Drijber (ECLI:NL:PHR:2018:942) vóór HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2165, NJ 2019/17, met verdere verwijzingen. Zie ook Pontier, a.w., nr. 249.
Ryanair, reeds aangehaald, punt 63.
Conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe vóór HvJEU 14 september 2017 (Ryanair), reeds aangehaald, punt 30.
Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe vóór HvJEU 14 september 2017 (Ryanair), reeds aangehaald, punten 96-108.
Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe vóór HvJEU 14 september 2017 (Ryanair), reeds aangehaald, punt 97.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 64.
Zie het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 69.
Vgl. het arrest Ryanair, reeds aangehaald, punt 73.
Procesinleiding, schriftelijke toelichting onderdeel 2, punt (u).
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7206, JAR 2021/212, m.nt. E.J.A. Franssen, na verwijzing door HR 23 november 2018, reeds aangehaald.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, reeds aangehaald, rov. 3.14.
Dit blijkt uit de definitie van ‘home base’ uit de Operations Manual van NetJets.
Beroepschrift 30‑11‑2021
PROCESINLEIDING IN CASSATIE IN VERZOEKPROCEDURE
1. Verzoekende partij
1.
Verzoekster tot cassatie is:
de vennootschap naar buitenlands recht
NETJETS MANAGEMENT LIMITED1. (‘NetJets’)
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk
kantoorhoudende aan
5 Young Street,
Londen W8 5EH, Verenigd Koninkrijk.
2.
NetJets kiest woonplaats aan de Claude Debussylaan 80, 1082 MD Amsterdam, op het kantoor van de advocaat bij de Hoge Raad prof. mr. S.F. Sagel (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). NetJets stelt prof. mr. S.F. Sagel, die als zodanig deze procesinleiding ondertekent en indient, tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partij
3.
Verweerder in cassatie is:
De heer [de piloot] (‘[de piloot]’)
wonende aan de [adres],
[postcode] [woonplaats].
4.
[de piloot] is in de vorige instantie vertegenwoordigd door mr. L.S. van Dis (Van Dis: arbeidsrecht), die kantoor houdt aan de Groenekanseweg 70, 3732 AG De Bilt.
3. Bestreden beschikking
5.
NetJets komt in cassatieberoep van de beschikking van 27 juli 2021 die het Gerechtshof Amsterdam (‘Hof’) in hoger beroep onder zaaknummer 200.287.612/01 heeft gegeven tussen NetJets als geïntimeerde, tevens (voorwaardelijk) incidenteel appellante, en [de piloot] als appellant, tevens (voorwaardelijk) incidenteel geïntimeerde (‘Beschikking’). Het Hof heeft bij beschikking van 12 oktober 2021 bepaald dat tegen de Beschikking onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.
4. Bevoegde rechter
6.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Middel van cassatie
7.
NetJets voert tegen de Beschikking het navolgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van de Beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam van die Beschikking zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Feiten2. en procesverloop
8.
NetJets is een luchtvaartmaatschappij die privévluchten verzorgt. NetJets heeft 589 piloten en boordpersoneel in dienst. [de piloot] is op 1 januari 2008 als piloot in dienst getreden bij NetJets.3.
9.
NetJets heeft bij brief van 18 mei 2020 de arbeidsovereenkomst van [de piloot] per direct beëindigd met betaling van een statutory redundancy pay en een payment in lieu of outstanding notice ter hoogte van drie maandsalarissen.4.
10.
In eerste aanleg heeft [de piloot] de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland (‘kantonrechter’) verzocht om aan hem, ten laste van NetJets, zowel een billijke vergoeding, een transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, de contractuele beëindigingsvergoeding alsmede vertaalkosten toe te kennen, met veroordeling van NetJets in de proceskosten en nakosten.5.
11.
Tussen partijen is in deze procedure — voor zover in cassatie van belang — in geschil of de Nederlandse rechter bevoegd is om van deze verzoeken van [de piloot] kennis te nemen.
12.
In de arbeidsovereenkomst tussen NetJets en [de piloot] is een forumkeuzebeding opgenomen waarin is overeengekomen dat op de overeenkomst het recht van Engeland en Wales van toepassing is en dat bij een geschil met betrekking tot de arbeidsovereenkomst de Engelse rechter exclusief bevoegd is.6.
13.
In de arbeidsovereenkomst tussen NetJets en [de piloot] is verder onder meer het volgende opgenomen:
‘5. Place of work
5.1
It is in the nature of the Flight Crew Member's [[de piloot], hof] position that job mobility is essential. The Flight Crew Member will not have a normal place of work. The Flight Crew Member will be expected to travel as necessary for the proper performance of his duties under this Agreement. (…)
6. Gateway Airport
6.1
The Flight Crew Member will be required to select an airport from which, subject to such airport being agreed by the Company, he/she will be transported to his/her aircraft for the start of commencement of his/her duties under this Agreement (‘the Gateway Airport’). In the event that the Flight Crew Member chooses makes his/her own travel arrangements to travel to the aircraft, such arrangements shall be made at his/her own expense.
6.2
For the avoidance of doubt, the Gateway Airport is not, and shall not be deemed to be the Flight Crew Member's place of work or base, it being hereby acknowledged by both parties that the location where the Flight Crew Member performs the entirety of his/her duties depends entirely on where the aircraft is and the trip being undertaken.’ 7.
14.
In de Operations Manual van NetJets, die onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen NetJets en [de piloot], zijn onder meer de volgende definities opgenomen:
‘Gateway: The location, permanent or temporary, selected by the crew member for the day he starts or ends a tour. The company will assign home base as being the crew member chosen gateway.
Home base: The location, assigned by the operator to the crew member, from where the crew member normally starts and ends a duty period or a series of duty periods and where, under normal circumstances, the operator is not responsible for the accommodation of the crew member concerned.
(…)
Tour: A series of consecutive duty days that normally begins after a period of more than 3 consecutive days off and that starts when the crew member first leaves his gateway for the purpose of performing a flight duty period positioning (including any standby period).
A crew member is considered to be away from the gateway for the entire duration of the tour. If, during a tour, a crew member ends a duty period at his gateway, NTA [Netjets, hof] shall continue to provide a suitable accommodation unless the crew member is assigned home standby duty (…)’ 8.
15.
NetJets heeft er ten processe op gewezen — en daar moet in cassatie bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag ook van worden uitgegaan -, dat de wijziging van de Gateway (en daarmee de home base) op verzoek van de werknemer geen theoretische mogelijkheid betreft, maar dat zo'n wijziging op verzoek van de werknemer in de praktijk met grote regelmaat geschiedt binnen NetJets, te weten zo'n 3000 keer per jaar.9.
16.
[de piloot] draaide diensten (een tour geheten) van zes dagen achtereen, waarna hij vijf dagen vrij was voordat een nieuwe dienst van zes dagen begon. [de piloot] vertrok vanaf de luchthaven Schiphol ofwel met een vliegtuig van NetJets, waarvan hij de piloot was, of hij ging mee met een lijnvlucht (van een andere luchtvaartmaatschappij) naar een andere luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika waar hij met een toestel van NetJets zijn tour van zes dagen startte.10. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dat laatste scenario zich in verreweg de meeste gevallen voordeed.11.
17.
[de piloot] ontving van medewerkers van NetJets in Portugal per e-mail en via een app op zijn iPad instructies voor de vluchten van zijn dienst.12.
18.
De kantonrechter heeft zich op grond van artikel 21 Brussel I-bis Verordening13.(‘Verordening’) onbevoegd verklaard om van de verzoeken van [de piloot] kennis te nemen. De kantonrechter heeft beslist dat aan de hand van de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ EU’) in zijn rechtspraak geformuleerde aanknopingspunten niet kan worden vastgesteld ‘van waaruit’ [de piloot] gewoonlijk zijn werkzaamheden verrichtte (in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening), zodat op grond van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel ii Verordening de vestiging van indienstneming — te weten: Londen — bepalend is voor de bevoegdheid van de rechter.14. In dat kader heeft de kantonrechter geoordeeld dat de thuisbasis, ofwel de home base van [de piloot] — naar het oordeel van de kantonrechter was die home base Schiphol — slechts van beperkte relevantie kan worden geacht bij de beoordeling ‘van waaruit’ [de piloot] gewoonlijk werkte. Zulks omdat de home base feitelijk door [de piloot] zelf werd bepaald:
‘5.11
In de Ryanair uitspraak was het Ryanair als exploitant die de thuisbasis van de vliegers aanwees. In de voorliggende situatie ligt dat anders en kunnen de vliegers zelf hun gateway airport aanwijzen als het vliegveld waarnaar zij na hun dienst terugkeren op kosten van Netjets. Ook kunnen de vliegers deze gateway airport (tijdelijk) wijzigen. Uit de Operations Manual van Netjets volgt weliswaar dat de home base van de vliegers (waarvan de definitie overigens grotendeels overeenkomst met het begrip ‘thuisbasis’ uit de Verordening 3922/91) weliswaar door Netjets wordt aangewezen, maar uit de definitie van het begrip gateway airport volgt ook dat de home base altijd door Netjets wordt aangewezen overeenkomstig de door haar werknemer gekozen gateway airport. Feitelijk komt dit erop neer dat de thuisbasis in de zin van de Operations Manual niet door Netjets, maar door de vliegers wordt bepaald. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de thuisbasis van de vliegers anders dan in de Ryanair zaak in de voorliggende zaak slechts van beperkte relevantie is bij het bepalen van de hierna te bespreken aanwijzingen.’15.
19.
[de piloot] is tegen deze beslissing van de kantonrechter en de door haar uitgesproken onbevoegdverklaring, alsmede tegen de daaraan ten grondslag gelegde motivering in principaal hoger beroep opgekomen. NetJets heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.
20.
In de Beschikking heeft het Hof beslist dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is om van de verzoeken van [de piloot] kennis te nemen. Het Hof heeft de beslissing van de kantonrechter om die reden vernietigd. Daartoe heeft het Hof als volgt overwogen en beslist:
‘3.7
Bij het bepalen van de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Netjets vervulde is allereerst van belang dat [de piloot] zijn opdrachten voor Netjets verricht vanaf Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeert. [de piloot] ontvangt instructies voor opdrachten van Netjets thuis via de e-mail of de app op zijn iPad. Na accordering van een opdracht zorgt [de piloot] ervoor dat hij in zijn Netjets-uniform op de afgesproken tijd op Schiphol aanwezig is. [de piloot] begint zijn tour vanaf Schiphol of met een vliegtuig van Netjets, waarvan hij de piloot is, of hij gaat mee met een lijnvlucht naar een andere luchthaven waar hij met een toestel van Netjets zijn tour start. De plaats waar de vliegtuigen gestationeerd zijn kan niet ondubbelzinnig worden vastgesteld, omdat de plaats waar de vliegtuigen van Netjets zich bevinden wijzigt. Dit flexibele businessmodel betekent evenwel niet dat de plaats van waaruit [de piloot] gewoonlijk werkt niet kan worden gelokaliseerd. Het begrip ‘thuisbasis’ in de zin van Verordening 3922/91 vormt namelijk een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van voornoemde aanwijzingen. In dat kader is van belang dat de definitie van home base in de Operations Manual van Netjets vrijwel gelijkluidend is aan de definitie van thuisbasis in Verordening 3922/91. [de piloot] begint en eindigt in de regel een tour vanaf Schiphol. Tot het begin van een tour en na afloop daarvan moet de piloot voor eigen vervoer en onderdak zorgen, op eigen kosten. Gedurende een tour neemt Netjets vanaf de home base de zorg voor vervoer en accommodatie over en betaalt de daarmee gemoeide kosten. De thuisbasis van [de piloot] is derhalve Schiphol, waarbij niet van belang is dat deze (in theorie) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd. Nu de verzoeken van [de piloot] geen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de thuisbasis dient de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Netjets vervulde te worden vastgesteld op Schiphol, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is. Nu het hof een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie EU niet noodzakelijk acht voor het wijzen van deze beschikking wordt de suggestie van Netjets daartoe gepasseerd. De grieven in principaal appel slagen.’16.
21.
Vervolgens heeft het Hof beslist om de zaak ex artikel 76 Rv naar de rechtbank Noord-Holland te verwijzen om op de hoofdzaak te beslissen.17. Tot slot is NetJets veroordeeld in de kosten van beide instanties.18.
Onderdeel 1
Rechtsklacht inzake betekenis home base in de zin van bijlage iii bij verordening 3922/9119. voor bepaling aanwijzingen die met name van gewicht zijn bij beoordeling van waaruit een piloot zijn werkzaamheden verricht
22.
De beslissing van het Hof in rov. 3.7 dat bij de beoordeling dat Schiphol de home base (in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91) is van [de piloot], ‘niet van belang is dat deze (home base, SFS) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd’, is rechtens onjuist. Het Hof heeft met die beslissing namelijk miskend dat bij de beoordeling of een bepaalde luchthaven de home base in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 is van een piloot — welke home base ingevolge HvJ EU 14 september 2017, EU:C:2017:688 (Ryanair) een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van de aanwijzingen die volgens het HvJ EU van gewicht zijn om te beoordelen van waaruit die piloot zijn werkzaamheden verricht in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening -, van (groot) belang is of die home base is aangewezen door de exploitant van de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is, of dat die home base (de facto) door de piloot wordt bepaald (en kan worden gewijzigd). Althans heeft het Hof met die beslissing miskend dat bij de beoordeling welk gewicht in een concreet geval aan de tussen werknemer en werkgever als home base geldende luchthaven kan worden toegekend bij de bepaling van de aanwijzingen die volgens het HvJ EU van gewicht zijn om te beoordelen van waaruit die piloot zijn werkzaamheden verricht in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening, van (groot) belang is of die home base is aangewezen door de exploitant van de luchtvaartmaatschappij waar de piloot in dienst is, of dat die home base (de facto) door de piloot wordt bepaald (en kan worden gewijzigd).
23.
Overigens is de beslissing van het Hof in rov. 3.7 dat bij de beoordeling dat Schiphol de home base (in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91) is van [de piloot], ‘niet van belang is dat deze (home base, SFS) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd’, ook in die zin rechtens onjuist dat het Hof daarmee heeft miskend dat bij de beoordeling van waaruit een piloot als [de piloot] zijn werkzaamheden verricht in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening, acht moet worden geslagen op ‘alle omstandigheden die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken’ (zie onder meer: HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:2011:151, HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2165) en het feit dat het, bij NetJets, aan de piloten is overgelaten om hun home base te bepalen, ontegenzeggelijk één van die omstandigheden is.
Onderdeel 2
Rechts- en motiveringsklachten inzake de ‘plaats van waaruit de transportopdracht wordt verricht’ (de eerste ‘met name’ te beoordelen aanwijzing uit het koelzsch-arrest20.)
24.
Naar het Hof in rov. 3.6 met juistheid voorop heeft gesteld, moet ingevolge de rechtspraak van het HvJ EU bij de beoordeling van waaruit een werknemer in de transportsector het belangrijkste deel van zijn verplichtingen verrichtte, worden bezien ‘in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ (HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch)), rov. 4921.). In rov. 3.7 heeft het Hof vervolgens als volgt overwogen:
‘3.7
Bij het bepalen van de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens Netjets vervulde is allereerst van belang dat [de piloot] zijn opdrachten voor Netjets verricht vanaf Schiphol en daar na elke tour ook weer terugkeert. [de piloot] ontvangt instructies voor opdrachten van Netjets thuis via de e-mail of de app op zijn iPad. Na accordering van een opdracht zorgt [de piloot] ervoor dat hij in zijn Netjets-uniform op de afgesproken tijd op Schiphol aanwezig is. [de piloot] begint zijn tour vanaf Schiphol of met een vliegtuig van Netjets, waarvan hij de piloot is, of hij gaat mee met een lijnvlucht naar een andere luchthaven waar hij met een toestel van Netjets zijn tour start.’
Rechtsklacht
25.
Blijkens de eerste volzin van rov. 3.7, heeft het Hof klaarblijkelijk voor zijn oordeel dat [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde vanuit Nederland, van (groot) gewicht geacht dat [de piloot] ‘zijn opdrachten voor Netjets’ verrichtte vanaf Schiphol, waarbij het Hof onder het verrichten van die opdrachten voor NetJets vanaf Schiphol zowel verstond (i) het vertrekken vanaf Schiphol om als passagier van een lijnvlucht naar een andere luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika te vliegen van waaruit [de piloot] zijn transportopdracht voor NetJets als piloot zou starten, als (ii) het vertrekken vanaf Schiphol als piloot van een NetJets toestel op een hem door NetJets gegeven transportopdracht. Indien deze beslissing van het Hof zo moet worden verstaan dat het Hof van mening is dat Schiphol zowel in het met (i) aangeduide geval, als in het met (ii) aangeduide geval is aan te merken als de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151(Koelzsch), rov. 4922., heeft het Hof miskend dat die aanwijzing aldus moet worden begrepen dat Schiphol slechts in het met (ii) aangeduide geval is aan te merken als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van het voornoemde arrest van het HvJ EU 15 maart 2011. Dat betekent eveneens dat het Hof heeft miskend dat slechts in dat met (ii) aangeduide geval het vertrek vanaf Schiphol is te duiden als ‘met name’ mee te wegen aanwijzing dat [de piloot] zijn werkzaamheden vanuit Nederland verrichtte.
Rechts- en motiveringsklacht
26.
Indien het Hof in rov. 3.7 niet op de hiervoor onder 25 weergegeven gronden is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en dus niet uit het oog heeft verloren dat Schiphol slechts in die gevallen waarin [de piloot] daadwerkelijk als piloot van een NetJets toestel vanaf Schiphol vertrok om voor haar een transportopdracht vanaf Schiphol te verrichten, is aan te merken als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch), rov. 4923., is het Hof in rov. 3.7 van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans heeft het zijn beslissing in rov. 3.7 onvoldoende gemotiveerd, in het licht van het navolgende.
27.
NetJets heeft gesteld — en cijfermatig onderbouwd — dat [de piloot] (en zijn collega's met wie hij NetJets in rechte heeft betrokken) in het overgrote deel van de gevallen hun transportopdrachten voor NetJets uitvoerden vanuit een luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, waar zij vanuit Schiphol met een lijnvlucht (van een andere luchtvaartmaatschappij) heen waren gevlogen.24. Het Hof heeft die stelling, anders dan de kantonrechter die uitdrukkelijk van de juistheid daarvan is uitgegaan (zie rov. 5.12 van de beschikking in prima), in het midden gelaten. Indien het Hof zulks in het midden heeft gelaten omdat het heeft gemeend dat ook wanneer een piloot van NetJets, zoals [de piloot], in het overgrote deel van de gevallen waarin hij vanaf Schiphol vertrekt, zulks doet als passagier op een lijnvlucht om vanuit een ander land in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, zijn transportopdracht voor NetJets te verrichten, terwijl hij slechts in een ondergeschikt, klein deel van de gevallen vanaf Schiphol vertrekt als piloot die voor NetJets een vliegtuig bestuurt (en daarmee een transportopdracht verricht vanaf Schiphol), de eerste door het HvJ EU in rov. 49 van zijn onder 25 genoemde arrest van 15 maart 2011 geformuleerde aanwijzing voor de beoordeling van waaruit de werknemer zijn werkzaamheden verricht — te weten ‘de plaats (…) van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’25. -, nog steeds duidt op Nederland als plaats van waaruit het werk wordt verricht, heeft het Hof een onjuiste invulling / uitleg gegeven aan de betekenis van die aanwijzing. Zulks omdat die belangrijke en volgens het HvJ EU ‘met name’ in de beschouwing te betrekken aanwijzing er onder die omstandigheden juist op duidt dat de werkzaamheden van de werknemer niet vanuit Nederland worden verricht, hetgeen het Hof dan heeft miskend.
28.
Indien het Hof niet op de onder 27 weergegeven grond blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, heeft het zijn beslissing in rov. 3.7 in elk geval onvoldoende gemotiveerd, door a) niet te responderen op de — cijfermatig onderbouwde — stelling van NetJets26. dat in het overgrote deel van de gevallen waarin haar piloten vertrekken van Schiphol, sprake was van het hiervoor onder 25 met (i) aangeduide scenario dat die piloten, onder wie [de piloot], vanaf Schiphol vertrekken als passagier van een lijnvlucht om naar een andere luchthaven te vliegen, elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, om van daaruit met hun transportopdracht voor NetJets als piloot te starten en door b) niet inzichtelijk te maken hoe de verhouding / verdeling was tussen enerzijds de gevallen waarin [de piloot] als passagier van een lijnvlucht vanaf Schiphol vertrok om naar een andere luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika te vliegen van waaruit hij zijn transportopdracht voor NetJets als piloot zou starten, en anderzijds de gevallen waarin [de piloot] daadwerkelijk vertrok vanaf Schiphol als piloot in een NetJets-toestel op een hem door NetJets gegeven transportopdracht.
Onderdeel 3
Voortbouwklacht
29.
De beslissing van het Hof als vervat in rov. 3.8 tot terugverwijzing naar de kantonrechter om te beslissen op de hoofdzaak en de beslissing in rov. 3.11 inzake de kosten, bouwen voort op de beslissingen die zijn bestreden door de klachten van de onderdelen 1 en 2. Gegrondbevinding van één of meer van die klachten, vitieert dus ook de beslissingen in de rov.'en 3.8 en 3.11.
6. Schriftelijke toelichting
30.
Ter toelichting op de klachten van de onderdelen 1 en 2 wordt het navolgende opgemerkt.
Algemeen
(a)
De vraag welke rechter bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken van [de piloot] dient — zoals zowel de kantonrechter in eerste aanleg als het Hof in hoger beroep heeft gedaan — beantwoord te worden aan de hand van de Verordening, meer specifiek Hoofdstuk II, afdeling 5 daarvan.
(b)
Zoals de kantonrechter in rov. 5.3 van haar beschikking met juistheid heeft beslist, is het forumkeuzebeding dat in de arbeidsovereenkomst tussen NetJets en [de piloot] is opgenomen strijdig met artikel 23 Verordening, als gevolg waarvan dit beding op grond van artikel 25 lid 4 Verordening geen rechtsgevolg heeft.
(c)
Nu het forumkeuzebeding dat tussen partijen is overeengekomen geen rechtsgevolg heeft, dient, om de bevoegdheidsvraag in de onderhavige zaak te beantwoorden, op grond van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening te worden gekeken naar de plaats ‘waar of van waaruit’ [de piloot] gewoonlijk heeft gewerkt, zoals zowel de kantonrechter (rov.'en 5.4 e.v. van de beschikking in prima) als het Hof in hoger beroep (rov.'en 3.6 e.v.) heeft gedaan. Nu de laatste plaats ‘waar’ [de piloot] heeft gewerkt niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, dient gekeken te worden naar de plaats ‘van waaruit’ [de piloot] gewoonlijk heeft gewerkt.27. Zoals het Hof in zijn Beschikking in rov. 3.6 met juistheid — want in lijn met de rechtspraak van het HvJ EU — heeft overwogen, gaat het daarbij om de plaats van waaruit [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde.28.
(d)
In de context van artikel 6 EVO,29. inmiddels opgevolgd door artikel 8 Rome I-Verordening,30. heeft het HvJ EU, gelet op de specifieke kenmerken van de arbeidsverhoudingen in de internationale transportsector, een aantal aanwijzingen geformuleerd die de nationale rechter in zijn beschouwing kan betrekken om te beoordelen waar of van waaruit een werknemer binnen de transportsector gewoonlijk zijn arbeid verricht(te). Zo oordeelde het HvJ EU in rov. 48 van het hiervoor onder 24 genoemde arrest Koelzsch, waar het om een internationaal werkende vrachtwagenchauffeur ging, dat de nationale rechter bij het vaststellen van het land waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, rekening dient te houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken.31. In rov. 49 van datzelfde arrest werd daaraan de belangrijke overweging toegevoegd dat de nationale rechter met name moet vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Daarbij moet de nationale rechter, zo oordeelde het HvJ EU in Koelzsch, tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.32. In gelijke zin oordeelde het HvJ EU in zijn arrest van 15 december 2011, ECLI:EU:C:2011:842(Voogsgeerd), rov. 38, waar het om een zeevarende ging.33.
(e)
De aanwijzingen zoals door het HvJ EU geformuleerd in de onder (d) genoemde arresten Koelzsch en Voogsgeerd dienen door de nationale rechter naar analogie ook betrokken te worden bij de interpretatie van artikel 21 Verordening, daar artikel 6 EVO, artikel 8 Rome I-Verordening en artikel 21 Verordening op dezelfde materie zien en de artikelen soortgelijke begrippen bevatten; coherentie en uniformiteit bij de uitlegging van deze artikelen ligt dan voor de hand.34. Dat de onder (d) genoemde aanwijzingen ook gelden in de context van artikel 21 Verordening is door het HvJ EU bevestigd in zijn arrest van 14 september 2017, EU:C:2017:688 (Ryanair), welke zaak — net als de onderhavige zaak — betrekking had op werknemers in dienst van een luchtvaartmaatschappij, en waarin het HvJ EU onder verwijzing naar de arresten Koelzsch en Voogsgeerd in rov. 63 oordeelde dat de nationale rechter in het bijzonder moet ‘vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden’.35. Voorts moet blijkens rov. 64 van datzelfde arrest ‘mede in aanmerking worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht gestationeerd zijn’.36.
(f)
Ingevolge het onder (e) genoemde arrest Ryanair, kan het begrip ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ niet zonder meer worden gelijkgesteld met een willekeurig begrip in een andere Unierechtelijke regeling. Dat betekent volgens het HvJ EU voor boordpersoneel dat in dienst is van een luchtvaartmaatschappij of daaraan ter beschikking is gesteld, dat de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, niet gelijk kan worden gesteld met het begrip ‘home base’ in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91. De Verordening verwijst immers niet naar Verordening 3922/91 en heeft evenmin dezelfde doelstellingen. Laatstgenoemde verordening strekt ertoe technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart te harmoniseren. Dit betekent volgens het HvJ EU echter tegelijkertijd niet dat het begrip ‘home base’ in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 volledig irrelevant is om te bepalen vanaf welke plaats de werknemer gewoonlijk werkt. Het begrip ‘home base’ vormt volgens het HvJ EU een factor die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van de aanwijzingen, zoals genoemd onder (d) en (e), met behulp waarvan de plaats van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt, en daarmee de bevoegdheid van een rechterlijke instantie die kennis kan nemen van een door hem ingesteld beroep in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening, kunnen worden bepaald.37.
(g)
Vervolgens is door het HvJ EU in het Ryanair-arrest opgemerkt dat het begrip ‘home base’ in bijlage III bij Verordening 3922/91 onder OPS 1.1095 wordt omschreven als ‘de plaats van waaruit het boordpersoneel stelselmatig zijn werkdag aanvangt en beëindigt door op die plaats zijn dagelijkse werkzaamheden te organiseren, en in de nabijheid waarvan de werknemers gedurende het tijdvak waarin de arbeidsovereenkomst wordt uitgevoerd hun woonplaats hebben en ter beschikking van de luchtvaartmaatschappij staan’.
(h)
Daarbij heeft het HvJ EU in rov. 72 van het Ryanair-arrest expliciet het volgende benadrukt, als redengevend waarom de home base in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 onder OPS 1.1095, van belang is bij de bepaling van (het gewicht van) de aanwijzingen die met name een rol spelen bij de beoordeling van waaruit een werknemer werkt:
‘Bovendien wordt die plaats niet door het toeval bepaald en evenmin door de werknemer, maar, krachtens OPS 1.1090, punt 3.1, door de exploitant voor ieder bemanningslid’.38.
Anders gezegd: in de benadering van het HvJ EU is het feit dat de exploitant en niet de werknemer/piloot de home base bepaalt, (in belangrijke mate) redengevend om de home base van groot gewicht te achten bij de beoordeling van waaruit de werknemer zijn werkzaamheden verricht.
(i)
Tot slot oordeelde het HvJ EU in het Ryanair-arrest dat slechts in het geval waarin, rekening houdend met de feitelijke omstandigheden van ieder afzonderlijk geval, de vorderingen van de werknemer(s) nauwere aanknopingspunten mochten hebben met een andere plaats dan die van de ‘home base’, deze laatste voor de bepaling van de ‘plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt’ irrelevant zou zijn. Daarbij heeft het HvJ EU verwezen naar zijn arrest van 27 februari 2002, ECLI:EU:C:2002:122, rov. 53, en, naar analogie, zijn arrest van 12 september 2013, EU:C:2013:551, rov. 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.39.
(j)
In rov. 3.6 van zijn Beschikking heeft het Hof met juistheid, onder verwijzing naar de arresten Koelzsch en Voogsgeerd, overwogen dat bij de beoordeling ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde een aantal aanwijzingen dienen te worden betrokken, namelijk ‘vanuit welke plaats de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden’. Het Hof heeft vervolgens eveneens met juistheid — onder verwijzing naar het Ryanair-arrest — opgemerkt dat hierbij tevens in aanmerking dient te worden genomen op welke plaats de luchtvaartuigen aan boord waarvan het werk gewoonlijk wordt verricht gestationeerd zijn. Verder heeft het Hof — in lijn met de overwegingen van het HvJ EU in het Ryanair-arrest zoals beschreven onder (g) — overwogen dat het begrip ‘home base’ in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 een factor vormt die een belangrijke rol kan spelen bij de bepaling van de genoemde aanwijzingen en dat dat begrip in bijlage III bij Verordening 3922/91 wordt omschreven als ‘de locatie die door de exploitant aan het bemanningslid is aangewezen en waar het bemanningslid in de regel een dienstperiode of een reeks dienstperioden aanvangt en beëindigt, en waar, onder normale omstandigheden, de exploitant niet verantwoordelijk is voor de accommodatie van het bemanningslid in kwestie’. Tot slot heeft het Hof overwogen, dat slechts als vorderingen nauwere aanknopingspunten hebben met een andere plaats dan die van de home base deze laatste voor de bepaling van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt irrelevant zou zijn. Ook die algemene overweging is in lijn met het Ryanair-arrest zoals beschreven onder (i).
Onderdeel 1
(k)
In rov. 3.7 heeft het Hof onder meer beslist dat bij de beoordeling dat Schiphol de home base (in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91) is van [de piloot], ‘niet van belang is dat deze (home base, SFS) (in theorie) op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd’. In andere woorden: de omstandigheid dat de home base bij NetJets op verzoek van werknemers kan worden gewijzigd, is volgens het Hof irrelevant bij (i) het bepalen van de plaats van de home base van [de piloot] in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91, althans (ii) de beoordeling ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde. Die beslissing is rechtens onjuist, omdat deze niet in lijn is met het Ryanair-arrest, waarin het HvJ EU in rov. 72 nu juist expliciet heeft opgemerkt — en relevant heeft geacht — dat de definitie van ‘home base’ in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 erdoor wordt gekenmerkt dat de plaats van de home base niet door het toeval en evenmin door de werknemer wordt bepaald, maar, krachtens OPS 1.1090, punt 3.1 van diezelfde bijlage, door de exploitant voor ieder bemanningslid. Bij het bepalen van de plaats van de home base van [de piloot] in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91 had het Hof aldus rekening moeten houden met het feit dat de home base op verzoek van [de piloot] kon worden gewijzigd, althans had het die omstandigheid — dat de home base op verzoek van [de piloot] kon worden gewijzigd — moeten meewegen bij de beoordeling welk gewicht in een concreet geval aan de tussen werknemer en werkgever als home base geldende luchthaven kan worden toegekend bij de bepaling van de aanwijzingen die volgens het HvJ EU van gewicht zijn om te beoordelen van waaruit een werknemer binnen de transportsector zijn werkzaamheden gewoonlijk verricht in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening. Het Hof heeft dat miskend.
(l)
Volgens het HvJ EU is het, zo blijkt uit rov. 72 van het Ryanair-arrest, voor de beoordeling om de plaats vast te stellen van waaruit een werknemer gewoonlijk werkt(e) wel degelijk van groot belang, althans op z'n minst relevant, op welke wijze de home base wordt bepaald, namelijk of deze door het toeval, de werknemer of de exploitant wordt bepaald. Dit brengt met zich dat de door NetJets naar voren gebrachte omstandigheid dat de home base binnen haar organisatie in lijn met de wensen van de werknemer en conform zijn verzoek, wordt vastgesteld en gewijzigd, van groot belang — althans op zijn minst relevant — is voor die beoordeling. Dat ligt ook logischerwijs in de rede nu de home base, wanneer die te allen tijde door de werknemer kan worden gewijzigd in veel minder sterke mate objectief is bepaald, zodat daaraan minder gewicht kan worden gehecht bij de beoordeling, op grond van objectief vast te stellen gezichtspunten, van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt(e).40. Als in die situatie wel een groot belang zou worden gehecht aan de plaats van de home base bij de beoordeling van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt(e), zou dat de facto betekenen dat de werknemer zijn home base zou kunnen wijzigen vlak voordat hij besluit een procedure aanhangig te maken met de bedoeling zijn zaak voor het gerecht van zijn keuze te brengen. Dat kan niet de bedoeling zijn van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening. Het HvJ EU heeft in het Ryanair-arrest immers juist expliciet overwogen dat door bij het vaststellen van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt rekening te houden met alle factoren die kenmerkend zijn voor de werkzaamheden van de werknemer, vermeden kan worden dat een begrip als ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen aan het ontstaan van ontwijkingsstrategieën. Letterlijk overwoog het HvJ EU:
- ‘62.
Door die methode kan niet alleen de realiteit van de rechtsverhoudingen beter worden weergegeven doordat rekening moet worden gehouden met alle factoren die kenmerkend zijn voor de werkzaamheden van de werknemer (zie naar analogie arrest van 15 maart 2011, Koelzsch, C-29/10, EU:C:2011:151, punt 48), maar kan ook worden vermeden dat een begrip als ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen tot het ontstaan van ontwijkingsstrategieën (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2016, D'Oultremont e.a., C-290/15, EU:C:2016:816, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).’41.
(m)
De regels uit hoofdstuk II, afdeling 5 Verordening hebben weliswaar tot doel de werknemer als de in sociaaleconomische zin zwakkere contractspartij te beschermen, zoals het Hof in rov. 3.6 met juistheid voorop heeft gesteld, maar niet uit het oog mag worden verloren dat de belangrijkste doelstelling van de Verordening is om, in het kader van de handhaving en de ontwikkeling van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, een stelsel van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels in burgerlijke en handelszaken tot stand te brengen, en om de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen binnen de Europese Unie snel en eenvoudig te laten verlopen.42. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU dient de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening te worden vastgesteld op basis van de autonome criteria die het HvJ EU heeft geformuleerd, rekening houdend met het stelsel en de doelstellingen van de Verordening, zulks ook om de uniforme toepassing van de bevoegdheidsregels die hierin zijn vastgelegd in alle lidstaten te waarborgen.43. In gevallen waarin werknemers de vrijheid krijgen om (op verzoek) van home base te veranderen, zou de plaats van de home base - in het licht van de voornoemde doelstelling van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels — van geen, of op zijn best van beperkte betekenis moeten zijn bij de beoordeling ‘van waaruit’ de werknemer gewoonlijk werkt(e), zowel vanwege het gebrek aan voorspelbaarheid, als vanwege het gebrek aan uniformiteit dat zou ontstaan als in zo een geval wel veel waarde wordt gehecht aan de home base. Wat betreft de voorspelbaarheid zij gewezen op het hiervoor reeds aangeduide risico dat de werknemer die home base vlak voor het entameren van een procedure kan wijzigen, om de uitkomst van de bevoegdheid naar zijn hand te zetten. In de literatuur wordt onderschreven dat deze voorspelbaarheid ook in het belang van de werkgever gewaarborgd dient te zijn.44. Wat betreft de uniformiteit geldt dat ook deze in het gedrang komt, wanneer piloten van één en dezelfde werkgever allen een verschillende home base kiezen, die hen convenieert. Dat zou ertoe kunnen leiden dat bij één reorganisatie in het kader waarvan bijvoorbeeld honderd piloten worden ontslagen door een luchtvaartmaatschappij, tientallen verschillende jurisdicties bevoegd worden (omdat de piloten allen verschillende home bases hebben gekozen, al dan niet: vlak voor de reorganisatie).
(n)
Dat de omstandigheid dat de home base op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd van (groot) belang is, althans op z'n minst relevant is, voor het bepalen van het gewicht dat aan de home base toekomt bij de beoordeling ‘van waaruit’ een werknemer gewoonlijk werkt(e), vindt overigens additionele steun in het feit dat het HvJ EU in het Ryanair-arrest niet alleen expliciet heeft verwezen naar OPS 1.1090, punt 3.1 in bijlage III bij Verordening 3922/91, waarin is opgenomen: ‘De exploitant wijst een thuisbasis voor elk bemanningslid aan’, maar daarbij ook heeft benadrukt dat dit betekent dat de plaats van de home base dus niet door het toeval wordt bepaald, en evenmin door de werknemer.45. Daarin ligt, a contrario, besloten dat wanneer daarvan wel sprake is, aan de home base niet het gewicht kan worden toegekend dat daaraan in het Ryanair-arrest is toegekend in het geval dat de home base door de werkgever wordt bepaald. De kantonrechter-overigens: een ervaren kantonrechter die blijkens de gepubliceerde rechtspraak met regelmaat heeft te beslissen over aan de luchtvaart gerelateerde arbeidsgeschillen — had dat, anders dan het Hof, juist gezien.
(o)
Ten slotte geldt, zo volgt (onder meer) uit het Koelzsch-arrest,46. dat de nationale rechter bij het vaststellen van het land waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht rekening dient te houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken. Het Hof is deze holistische weging van omstandigheden uit het oog verloren door te beslissen dat de omstandigheid dat de home base op verzoek van de werknemer kan worden gewijzigd niet van belang is voor de beoordeling om de plaats vast te stellen ‘van waaruit’ [de piloot] gewoonlijk werkte. Juist door rekening te houden met alle factoren die kenmerkend zijn voor de werkzaamheden van de werknemer kan volgens het HvJ EU de realiteit van de rechtsverhoudingen beter worden weergegeven.47. Het Hof heeft dat miskend en ook daarop is de rechtsklacht van onderdeel 1 toegespitst (zie onder 23).
(p)
In het licht van al het bovenstaande getuigt de beslissing van het Hof in rov. 3.7, dat de omstandigheid dat de home base bij NetJets op verzoek van werknemers kan worden gewijzigd, in het geheel niet van belang is bij (i) het bepalen van de plaats van de home base van [de piloot] in de zin van bijlage III bij Verordening 3922/91, althans (ii) de beoordeling ‘van waaruit’ [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde, van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel 2
(q)
In rov. 3.7 heeft het Hof verder overwogen en beslist dat bij het bepalen van de plaats van waaruit [de piloot] het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens NetJets vervulde allereerst van belang is dat [de piloot] ‘zijn opdrachten voor Netjets’ verrichtte vanaf Schiphol, waarbij het Hof onder het verrichten van die ‘opdrachten voor NetJets’ zowel heeft verstaan (i) het vertrekken vanaf Schiphol om als passagier van een lijnvlucht (van een andere luchtvaartmaatschappij) naar een andere luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika te vliegen van waaruit [de piloot] zijn transportopdracht voor NetJets als piloot zou starten, als (ii) het vertrekken vanaf Schiphol als piloot van een NetJets toestel op een hem door NetJets gegeven transportopdracht. De klachten van onderdeel 2 zien op deze beslissing van het Hof.
(r)
Voor zover het Hof met zijn beslissing dat [de piloot] ‘zijn opdrachten voor Netjets’ vanaf Schiphol verrichtte, tot uitdrukking heeft willen brengen dat Schiphol zowel in het onder (q) met (i) aangeduide geval, als in het daar met (ii) aangeduide geval, is aan te merken als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van het Koelzsch-arrest, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het Hof daarmee de door het HvJ EU geformuleerde aanwijzing in het Koelzsch-arrest48. dat met name moet worden vastgesteld in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, onjuist heeft toegepast. Daarbij is het navolgende van belang.
(s)
Zoals hiervoor onder (d) en (e) is toegelicht, heeft het HvJ EU een aantal aanwijzingen geformuleerd die de nationale rechter helpen te beoordelen in welk land een werknemer binnen de transportsector gewoonlijk zijn arbeid verricht. Hoewel bij die beoordeling acht moet worden geslagen op alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken, komt volgens uw Raad bij die beoordeling in het bijzonder veel gewicht toe aan de aanwijzingen die volgens de overwegingen van het HvJ EU in het Koelzsch-arrest ‘met name’ moeten worden onderzocht. Het gezichtspunt ‘in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ is één van die door het HvJ EU genoemde aanknopingspunten waarop met name moet worden gelet. De rechter dient in elk geval die door het HvJ EU genoemde aanwijzingen in zijn beoordeling te betrekken.49.
(t)
Onder ‘transport’ wordt volgens Van Dale verstaan: ‘het transporteren of getransporteerd worden, m.n. van goederen, stoffen, informatie en soms ook wel personen’. Onder ‘transporteren’, dat gelijk staat aan ‘vervoeren’, wordt verstaan ‘naar elders voeren, overbrengen, overdragen’. Het behoeft geen betoog dat het bij transportopdrachten die worden uitgevoerd voor een luchtvaartmaatschappij die privévluchten verzorgt, zoals [de piloot] die als piloot op grond van zijn arbeidsovereenkomst voor NetJets uitvoerde, gaat om opdrachten van de luchtvaartmaatschappij om personen te vervoeren. Daaronder vallen dus niet de lijnvluchten die een piloot noodzakelijkerwijs moet nemen om naar de plaats te reizen van waaruit hij zelf personen zal gaan vervoeren in opdracht van de luchtvaartmaatschappij. In de gevallen waarin [de piloot] vanaf Schiphol vertrok om als passagier van een lijnvlucht naar een andere luchthaven te vliegen, startte de transportopdracht voor NetJets dus niet vanaf Schiphol. De daadwerkelijke transportopdracht startte in die gevallen vanaf de luchthaven waar [de piloot] met de lijnvlucht naartoe werd gevlogen; hij werd daar immers naartoe gevlogen om van daaruit zijn transportopdracht voor NetJets als piloot te starten. Schiphol is slechts in die gevallen waarin [de piloot] daadwerkelijk als piloot van een NetJets-toestel vanaf Schiphol vertrok om voor haar een transportopdracht vanaf Schiphol te verrichten aan te merken als de plaats ‘van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’ in de zin van het Koelzsch-arrest.
(u)
Dit standpunt vindt één op één steun in het arrest dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 juli 2021 na cassatie en verwijzing wees in de zaak [geïntimeerden] c.s. / Silo-Tank, een zaak waarin de vraag aan de orde was welk recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten van Hongaarse vrachtwagenchauffeurs die naar Nederland werden gevlogen vanuit Hongarije, teneinde vervolgens vanuit Nederland transportwerkzaamheden te verrichten:
‘3.14
[geïntimeerden] c.s. verrichtten gedurende hun dienstverband met Silo Trans voornamelijk transportopdrachten in (Noord-)West Europa. In verreweg de meeste gevallen begon en eindigde hun serie vervoersopdrachten in Nederland. Daar stonden de vrachtwagens klaar en vanuit Nederland vertrokken zij weer naar hun woonplaats. Silo-Tank wil ingang doen vinden dat de opdrachten in Hongarije begonnen, omdat Silo-Tank de aanreistijd van [geïntimeerden] c.s. vanuit hun woonplaatsen in Hongarije naar de opstapplaats en de terugreistijd van de afstapplek terug naar hun woonplaats als werktijd aanmerkte. Het hof verwerpt die stelling. Het werk van [geïntimeerden] c.s. was het chaufferen op een vrachtwagen gedurende internationale ritten, niet het reizen naar de plek van waaruit de rit met de vrachtwagen begon of het terugreizen vanaf de afstapplek. Dat zij voor hun reisuren betaald werden maakt niet dat daarmee hun werk begon in hun woonplaats. Daarbij komt nog dat [geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd dat zij formeel wel voor hun reisuren werden betaald, maar dat zij daar feitelijk niet beter van werden omdat de daadwerkelijk op de vrachtwagen gereden uren (overuren) niet uitbetaald werden.’50.
(v)
Ook voor zover het Hof met zijn beslissing dat [de piloot] ‘zijn opdrachten voor Netjets’ vanaf Schiphol verrichtte tot uitdrukking heeft willen brengen dat ook wanneer [de piloot], in het overgrote deel van de gevallen waarin hij vanaf Schiphol vertrok, zulks deed als passagier op een lijnvlucht om vanuit een ander land in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, zijn transportopdracht voor NetJets te verrichten, terwijl hij slechts in een ondergeschikt, klein deel van de gevallen vanaf Schiphol vertrok als piloot om voor NetJets een vliegtuig te besturen (en daarmee een transportopdracht te verrichten vanaf Schiphol), de plaats van waaruit [de piloot] zijn transportopdrachten verrichtte nog steeds duidt op Nederland, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, in het licht van het navolgende.
(w)
NetJets heeft uitdrukkelijk gesteld — en cijfermatig onderbouwd — dat [de piloot] (en zijn collega's met wie hij NetJets in rechte heeft betrokken) in het overgrote deel van de gevallen hun transportopdrachten voor NetJets uitvoerden vanuit een luchthaven elders in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, waar zij vanuit Schiphol met een lijnvlucht heen waren gevlogen.51. Dat is dus, ten gronde, een gelijke situatie als zich voordeed in de zaak rond Silo-Tank, maar dan omgekeerd: in het geval van Silo-Tank werden de Hongaarse chauffeurs naar Nederland gevlogen om van hieruit hun transportopdrachten te verrichten. In het onderhavige geval werden piloten zoals [de piloot] vrijwel steeds vanuit Nederland naar een ander land in Europa, Noord-Afrika of Noord-Amerika gevlogen om van daaruit hun transportopdrachten te verrichten.
(x)
Uit de door NetJets bij het verweerschrift houdende exceptie van onbevoegdheid in eerste aanleg overgelegde producties 4 en 5 volgt dat [de piloot] in 2019 in slechts 30% van de gevallen als piloot van een NetJets toestel vanaf Schiphol vertrok, en dat hij in de overige 70% van de gevallen (!) via een lijnvlucht naar een andere luchthaven moest reizen om vanuit daar als piloot van een NetJets-toestel te vertrekken — en aldus vanuit daar zijn transportopdracht te starten. Uit diezelfde producties blijkt dat ook de collega's van [de piloot] met wie [de piloot] NetJets in rechte heeft betrokken in het overgrote deel van de gevallen vanaf Schiphol vertrokken als passagier op een lijnvlucht om vanuit een ander land in Europa, in Noord-Afrika of in Noord-Amerika, hun transportopdracht voor NetJets te verrichten. De kantonrechter in eerste aanleg is uitdrukkelijk van de juistheid van de stelling van NetJets uitgegaan:
‘Uit de door Netjets overgelegde cijfers is gebleken dat de vliegers in het overgrote deel van de gevallen hun eerste vlucht van een Netjets tour niet uitvoerden vanaf hun gateway airport (Schiphol). In de praktijk vervoerde Netjets de vliegers vanaf Schiphol met een lijnvlucht naar een luchthaven elders in Europa, Noord-Afrika of de oostkust van de VS. Vanuit daar startten de vliegers hun eerste transportopdracht. De conclusie is dat de plaats van waaruit de vliegers hun transportopdrachten verrichtten telkens wisselde en daarom niet is vast te stellen.’52.
(y)
Het Hof heeft de stelling van NetJets in het midden gelaten. Indien het Hof zulks heeft gedaan omdat het van de juistheid van die stelling is uitgegaan, maar van oordeel is dat ook in dat geval de plaats van waaruit [de piloot] zijn transportopdrachten verrichtte moet worden aangemerkt als Schiphol, hoewel maar in een zeer klein aantal gevallen de transportopdracht zelf daar op Schiphol een aanvang nam, heeft het Hof miskend dat de eerste aanwijzing zoals geformuleerd in het Koelzsch-arrest, te weten: ‘in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht’53., moet worden vastgesteld in het licht van de overkoepelende vraag ‘van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt in de zin van artikel 21 lid 1 sub b onderdeel i Verordening’, waarbij het gaat om de plaats van waaruit de werknemer het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens de werkgever vervulde.54.
(z)
Voor het geval de rechtsklachten van onderdeel 2 falen en de Beschikking van het Hof — met de daarvoor nodige welwillendheid — aldus wordt gelezen dat het Hof, in rov. 3.7 wel de rechtens juiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit [de piloot] zijn transportopdrachten verrichtte, bevat onderdeel 2 tot slot een motiveringsklacht tegen de beslissing van het Hof in rov. 3.7 dat [de piloot] ‘zijn opdrachten voor Netjets’ verrichtte vanaf Schiphol. Die motiveringsklacht behoeft geen nadere toelichting.
7. Conclusie
31.
Op grond van dit middel verzoekt NetJets de Hoge Raad de Beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht te vernietigen, en verder te beslissen zoals hij passend acht. NetJets vordert verder dat [de piloot] wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑11‑2021
In de beschikking van 27 juli 2021 die het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep onder zaaknummer 200.287.612/01 heeft gegeven tussen NetJets en [de piloot] — waartegen dit cassatieberoep is gericht — is abusievelijk de naam ‘NETJETS MANAGEMENT LTD’ vermeld.
de feiten zijn, tenzij anders aangegeven, ontleend aan de beschikking van het hof.
Beschikking, rov. 2.1 — 2.2.
Beschikking, rov. 2.8. Zie ook de brief die is verstuurd naar [de piloot] van 18 mei 2020, zoals overgelegd als productie 6 bij het verzoekschrift in eerste aanleg.
Beschikking, rov. 3.1. Zie ook de beschikking in eerste aanleg van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2020, gegeven onder zaaknummer 8647820 (de ‘beschikking in prima’), rov. 3.1 en 3.2.
Beschikking, rov. 2, tezamen met beschikking in prima, rov. 2.3.
Beschikking, rov. 2.3, cursivering Hof. Zie ook de arbeidsovereenkomst van [de piloot] van 1 januari 2019, zoals overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift in eerste aanleg.
Beschikking, rov. 2.4, cursivering Hof, arcering toegevoegd, SFS. Zie ook de relevante passages uit de Operations Manual Part A van NetJets, zoals vlak voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg door [de piloot] e.a. overgelegd als productie 14.
Verweerschrift in hoger beroep tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel beroepschrift, zoals ingediend door NetJets op 19 maart 2021, randnummer 6.8.
Beschikking, rov. 2.5.
Zie hierna onder 27 e.v.
Beschikking, rov. 2.7.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Beschikking in prima, rov. 5.16.
Beschikking in prima, rov. 5.11, verschrijvingen in het origineel.
Beschikking, rov. 3.7.
Beschikking, rov. 3.8.
Beschikking, rov. 3.11.
verordening (eeg) nr. 3922/91 van de raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1899/2006 van het europees parlement en de raad van 12 december 2006 (‘verordening 3922/91’).
zoals (onder meer) herhaald in: hvj eu 14 september 2017, ecli:eu:c:2017:688 (nogueira e.a./crewlink & ryanair), rov. 63.
Zie (onder meer) ook: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
Zoals (onder meer) herhaald in: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
Zoals (onder meer) herhaald in: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
Zie het verweerschrift houdende exceptie van onbevoegdheid in eerste aanleg, randnummer 2.6 — 2.10 en producties 4 en 5 die bij dat verweerschrift zijn overgelegd, en het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel beroepschrift, zoals ingediend door NetJets op 19 maart 2021, randnummer 2.8. Zie ook beschikking in prima, rov. 5.12.
Zie (onder meer) ook: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
Zie het verweerschrift houdende exceptie van onbevoegdheid in eerste aanleg, randnummer 2.6 — 2.10 en producties 4 en 5 die bij dat verweerschrift zijn overgelegd, en het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel beroepschrift, zoals ingediend door NetJets op 19 maart 2021, randnummer 2.8. Zie ook beschikking in prima, rov. 5.12.
Tussen partijen is nimmer in geschil geweest dat de laatste plaats waar [de piloot] heeft gewerkt niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld.
Zie onder meer: HvJ EU 27 februari 2002, ECLI:EU:C:2002:122 (Weber/Universal Ogden Services Ltd), rov. 49; HvJ EU 15 december 2011, ECLI:EU:C:2011:842 (Voogsgeerd/Navimer SA), rov.41; HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 58–60.
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 (‘EVO’).
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (‘Rome I-Verordening’).
HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch/Luxemburg), rov. 48.
HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151 (Koelzsch/Luxemburg), rov. 49.
HvJ EU 15 december 2011, ECLI:EU:C:2011:842 (Voogsgeerd/Navimer SA), rov. 38.
Zie ook: Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art.20 Brussel I-bis-Verordening, aant. 1.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 64.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 66–69.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 70.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 73.
Zie in dit verband ook, naar analogie: A.H. van Hoek, ‘Private International law: An Appropriate Means to Regulate Transnational Employment in the European Union?’, Erasmus Law Review, 3, (2014): 157–169, waarin zij in paragraaf 2.3.2 (onder meer) stelt: ‘Which country is deemed to be the country in or from which the work is habitually performed should be assessedon an objective basis;the protection offered by the systems involved should not influence the outcome of this consideration’, arcering toegevoegd, SFS.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 62.
Zie: Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Brussel I-bis-Verordening, aant. 1 en overweging 15 van de preambule bij de Verordening, waarin is opgenomen: ‘De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder’, arcering toegevoegd, SFS. Zie tevens: J. Vlek, ‘Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II’, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 3.4.
Ook wel autonome uitleg genoemd, zie het verweerschrift houdende exceptie van onbevoegdheid in eerste aanleg, randnummer 3.9. Zie verder: concl. A-G H. Saugmandsgaard øe bij HvJ EU 25 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:134, overweging 51 en HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 47–48.
Zie in dit verband: A.A.H. van Hoek, annotatie bij HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151, AA september 2011, p. 655.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 72.
HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151(Koelzsch/ Luxemburg), rov. 48.
HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 62.
Zoals (onder meer) herhaald in het Ryanair-arrest, zie: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2165, rov. 3.4.6.
Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7206, rov. 3.14, arcering toegevoegd, SFS.
Zie het verweerschrift houdende exceptie van onbevoegdheid in eerste aanleg, randnummer 2.6 — 2.10 en het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel beroepschrift, zoals ingediend door NetJets op 19 maart 2021, randnummer 2.8.
Beschikking in prima, rov. 5.12.
Zie (onder meer) ook: HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:688(Nogueira e.a./Crewlink & Ryanair), rov. 63.
Zie onder meer: HvJ EU 15 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:151(Koelzsch/ Luxemburg), rov. 50.