Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/6.3.2
6.3.2 Doeltreffendheid
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS609410:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EU 27 juni 2013, C-93/12 (ET-Agrokonsulting), r.o. 48.
Zie de artikelen 3: 4 jo 3: 2 Awb en artikel 3: 46 Awb.
Zie artikel 20.1 Wm, artikel 16.30 lid 1 Wm jo afdeling 3.4 Awb, artikel 16.34e Wm jo afdeling 3.4 Awb en artikel 6: 7 en artikel 7: 10 Awb.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6348, r.o. 2.5 en ABRvS 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK8999, r.o. 2.1.2.
ABRvS 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3121. Overigens kan ook de EU aansprakelijk worden gehouden voor schade die voortvloeit uit te lang lopende procedures voor het Hof van Justitie van de EU (zie hierover: Edward & Lane 2013, p. 382, waarin zij aangeven dat voorheen door het Hof voor de EU-instituties de redelijke termijn vrij ruim werd geïnterpreteerd, maar dat het Hof nu een strengere positie in lijkt te nemen).
Voor een redelijke termijn wordt in beginsel een termijn van twee jaren voor beroep in eerste aanleg, inclusief voorafgaande bezwaarfase, als grenswaarde genomen. Een eventueel hoger beroep mag vervolgens maximaal twee jaren in beslag nemen. De procedure voor het Hof van Justitie inzake een prejudiciële vraag wordt niet in de berekening betrokken (ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3 en 4.7). Wanneer we de beroepen bekijken inzake de derde fase van het ETS, de procedure rondom het Nationaal Toewijzingsbesluit buiten beschouwing latend, dan zijn al deze beroepen binnen de hiervoor genoemde redelijke termijn afgerond: ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:226, ABRvS 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2625 en Rb Den Haag 29 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3237. Het beroep inzake het Nationaal Toewijzingsbesluit heeft lang geduurd. Echter, deze vertraging heeft met name plaatsgevonden door de toezending aan en afwachting van goedkeuring van het definitieve Toewijzingsbesluit door de Commissie conform artikel 16.30 en 16.30a Wm en het prejudicieel verzoek aan het Hof van Justitie in de beroepsfase. Wanneer deze termijnen buiten beschouwing worden gelaten, heeft de totale procedure sinds de vaststelling van het ontwerpbesluit minder dan 20 maanden in beslag genomen (het ontwerpbesluit lag vanaf 24 januari 2012 ter inzage (Nationaal Toewijzingsbesluit 29 oktober 2013, IENM/ BSK-2013/226553, Stcrt. 2013, 30507, p. 9) het besluit van de Commissie dateert van 5 september 2009 (zie de brief aan de Tweede Kamer van Staatssecretaris Mansveld d.d. 6 november 2013, IENM/BSK-2013/256559 en Besluit 2013/448/EU) voor de overige termijnen zie ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2130 en ABRvS 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2354). Mijns inziens moet de tijd die de Commissie heeft genomen om het Nationaal Toewijzingsbesluit te beoordelen, evenals de prejudiciële procedure voor het Hof, buiten beschouwing worden gelaten. Dit ligt in de lijn van de eerdergenoemde rechtspraak inzake de overschrijding van de redelijke termijn bij prejudiciële vragen. In zoverre is dan ook de beroepsprocedure inzake het Nationaal Toewijzingsbesluit 2013-2020 binnen een redelijke termijn afgerond.
Edward & Lane 2013, p. 382.
Het doeltreffendheidsvereiste betreft slechts de vraag of de uitoefening van de door het EU-recht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. In voorkomende gevallen moet bij de beoordeling van deze vraag rekening gehouden worden met de beginselen die aan het betrokken nationale rechtsplegingsysteem ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.1 Zoals reeds besproken, is degene die van mening is dat zijn rechten worden geschonden, in het Nederlandse rechtsbeschermingssysteem altijd in staat zijn vordering aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter voor te leggen. Er zijn geen evidente gevallen aan te wijzen waarin degene die meent in zijn rechten te zijn geschaad, niet in staat is zijn vordering in volle omvang aan een rechter voor te leggen. Hierbij kan erop gewezen worden dat besluiten van bestuursorganen, en dus ook besluiten van het bestuur van de NEa, blijk moeten geven van een correcte belangenafweging en gedegen gemotiveerd moeten zijn.2 Verder kan erop gewezen worden dat voor de beroepsprocedures, bezwaarprocedures en de zienswijzenprocedures termijnen zijn vastgesteld in de Nederlandse wetgeving.3 Daarbij moet echter wel worden opgemerkt dat de beslistermijnen, termijnen van orde zijn.4 Indien een redelijke termijn voor de rechtspleging wordt overschreden, kan de schade die daaruit voortvloeit echter wel voor vergoeding in aanmerking komen.5 In zoverre is de rechtsbescherming ten aanzien van de Nederlandse implementatiewetgeving doeltreffend.
Overigens moet worden opgemerkt dat de beroepsprocedures die betrekking hebben op de huidige handelsperiode (2013-2020) allen binnen een redelijke termijn zijn afgerond. De vertragingen die hebben plaatsgevonden in het kader van het Nationaal Toewijzingsbesluit zijn te wijten aan de Commissie en het Hof van Justitie en worden derhalve niet meegenomen bij de beoordeling of, nationaal gezien, de redelijke termijn is overschreden.6 Deze vertragingen zijn immers niet aan de Nederlandse Staat te wijten. Wellicht kan eventuele schade die procespartijen door die lange procedures hebben opgelopen worden verhaald op de EU.7