Hof Arnhem-Leeuwarden, 07-07-2015, nr. 200.142.351/01
ECLI:NL:GHARL:2015:5052
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
07-07-2015
- Magistraten
Mrs. L. Groefsema, M.E.L. Fikkers, D.H. de Witte
- Zaaknummer
200.142.351/01
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:5052, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 07‑07‑2015
Uitspraak 07‑07‑2015
Mrs. L. Groefsema, M.E.L. Fikkers, D.H. de Witte
Partij(en)
arrest van de eerste kamer van 7 juli 2015
in de zaak van
- 1.
De maatschap [appellante 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
- 2.
[appellante 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
- 3.
[appellante 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [appellanten] c.s.,
advocaat: mr. G.W. Brouwer, kantoorhoudende te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te : [woonplaats],
geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. N. Entzinger, kantoorhoudend te Groningen.
Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de tussen partijen gewezen vonnissen van 10 september 2013 en 26 november 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna verder: de kantonrechter).
Het geding in hoger beroep
1.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- —
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 februari 2014;
- —
de memorie van grieven,
- —
de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en
- —
de memorie van antwoord in incidenteel appel.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest en heeft het hof arrest bepaald.
1.3
De vordering van [appellanten] c.s. luidt:
‘[appellanten] uw Gerechtshof verzoekt bij arrest uitvoerbaar bij voorraad het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de vorderingen van geïntimideerde (eiseres in eerste aanleg) alsnog af te wijzen met veroordeling van geïntimideerde, om hetgeen appellanten ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimideerde hebben voldaan aan appellanten terug te betalen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door appellanten tot de dag van terugbetaling door geïntimideerde en met veroordeling van geïntimideerde in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening € 169,- ingeval van betekening. ’
De beoordeling
3. De tussen partijen vaststaande feiten
Tegen de feiten, zoals deze door de kantonrechter in voormeld vonnis van 26 november 2013 onder 1 (1.1 tot en met 1.3) zijn vastgesteld, is niet gegriefd noch zijn daartegen anderszins bezwaren geuit. Aldus gaat ook het hof van deze feiten uit. Het gaat daarbij om het volgende.
3.1
[geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1964, trad met ingang van 1 mei 1989 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [appellanten] c.s. en was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster voor 27 uur per week. Het laatst verdiende salaris bedroeg € 1.251,19 bruto per maand.
3.2
Op 10 januari 2013 hebben [appellanten] c.s. om bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning voor [geïntimeerde] aangevraagd bij UWV Werkbedrijf (hierna: UWV). Bij beslissing van 5 maart 2013 heeft het UWV aan [appellanten] c.s. toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [geïntimeerde] te beëindigen. Krachtens deze toestemming hebben [appellanten] c.s. de arbeidsverhouding met [geïntimeerde] bij brief van 21 maart 2013 opgezegd, als gevolg waarvan deze eindigde op 1 juli 2013.
3.3
Bij brief van 11 april 2013 heeft [geïntimeerde] zich jegens [appellanten] c.s. op het standpunt gesteld dat er sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging.
4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank
4.1
[geïntimeerde] heeft gevorderd (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- —
voor recht verklaart dat het door [appellanten] c.s. aan [geïntimeerde] verleende ontslag kennelijk onredelijk is;
- —
bepaalt dat [appellanten] c.s. aan [geïntimeerde] een vergoeding dienen te betalen voor het kennelijk onredelijk ontslag van € 27.431,93, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en
- —
[appellanten] c.s. veroordeelt in de proceskosten.
4.2
Na verweer door [appellanten] c.s. heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat het aan [geïntimeerde] gegeven ontslag per 1 juli 2013 kennelijk onredelijk is ex artikel 7:681 BW, heeft hij [appellanten] c.s. veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 16.215,42 bruto als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, heeft hij [appellanten] c.s. veroordeeld in de proceskosten en heeft hij deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Gelet op de inhoud van de grieven I tot en met IV in principaal appel hebben deze grieven tot strekking dat het aan [geïntimeerde] gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is en dat de kantonrechter ten onrechte [appellanten] c.s. heeft veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een jaarsalaris als schadevergoeding wegens dit kennelijk onredelijk ontslag. Daarmee leggen [appellanten] c.s. het geschil in volle omvang aan het hof voor, reden waarom het hof deze grieven gezamenlijk zal behandelen.
5.2
De grief in incidenteel appel is gericht tegen rechtsoverweging 3.7 van voormeld vonnis van 26 november 2013, voor zover inhoudend:
‘De aard en de ernst van het tekortschieten van [appellanten] geven geen aanleiding voor toekenning van de vergoeding voor inkomens- en pensioenschade in de omvang als is gevorderd.’
alsmede tegen rechtsoverweging 3.8 van dit vonnis, inhoudend:
‘3.8
Naar het oordeel van de kantonrechter had het onderhavige ontslag de toets der kritiek wel kunnen doorstaan indien [appellanten] [geïntimeerde] nog één jaar, dat wil zeggen tot 1 juli 2014, met behoud van het dienstverband in de gelegenheid had gesteld ander werk te vinden buiten haar onderneming. De schade van [geïntimeerde] door het nalaten van het aanbieden van deze voorziening kan gelijk worden gesteld aan het gederfde loon gedurende dat jaar inclusief vakantietoeslag gedurende dat jaar, zijnde een bedrag van € 16.215,42 bruto. De kantonrechter zal een bedrag van € 16.215,42 bruto toewijzen als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.’
De strekking van deze grief is dat het tekortschieten van [appellanten] c.s. een schadevergoeding van € 27.431,93 bruto rechtvaardigt.
5.3
[geïntimeerde] beroept zich erop dat de gevolgen van het ontslag, mede in aanmerking genomen de voor [geïntimeerde] getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [appellanten] c.s. (artikel 7:681 lid 2 sub b BW). Ingevolge HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2206 dient de rechter bij de beoordeling of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (HR 3 december 2004, NJ 2005, 119). In het arrest van het gerechtshof Arnhem van 1 juni 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM6191 is een groot aantal omstandigheden opgesomd die een rol kunnen spelen.
5.4
Slechts indien is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde. Het enkele feit dat geen afvloeiingsregeling is getroffen, maakt een ontslag nog niet kennelijk onredelijk (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9332). Verder stelt het hof voorop dat ontslag om bedrijfseconomische redenen niet per definitie kennelijk onredelijk is indien een werknemer van dan 45 jaar daardoor werkloos wordt en inkomens- en pensioenschade lijdt. Het gaat bij het gevolgencriterium immers niet om het nadeel dat het ontslag zelf teweeg brengt, maar om het daaruit voor de werknemer voortvloeiende (materiële en immateriële) nadeel, gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2014, ECLI:GHARL:2014:2001).
5.5.
[geïntimeerde] verwijt [appellanten] c.s. dat haar geen omscholing is aangeboden. Zij heeft evenwel niet aangegeven welke concrete cursus of opleiding [appellanten] c.s. haar had moeten en kunnen bieden ter vergroting van haar kansen op de arbeidsmarkt. Van [appellanten] c.s. had echter naar het oordeel van het hof wel verlangd kunnen worden dat zij, gelet op de structurele problemen binnen haar notariële praktijk en in de gehele branche, tijdig een gesprek met [geïntimeerde] waren aangegaan over hoe zij haar toekomst zag en wat [appellanten] c.s. daaraan konden bijdragen, temeer nu het [appellanten] c.s. ook, gelet op wat zij uit haar netwerk vernam, bekend moest zijn dat het niet eenvoudig zou worden voor [geïntimeerde] om ander passend werk te vinden. Onder deze omstandigheden had, mede gelet op de leeftijd van [geïntimeerde] en de duur van haar dienstverband, het aanbieden van bij voorbeeld een outplacementtraject naar het oordeel van het hof van [appellanten] c.s. als goed werkgever verwacht mogen worden. Het enkele rondvragen binnen het eigen netwerk naar vacatures is naar het oordeel van het hof onvoldoende. Dat de financiële situatie van [appellanten] c.s. in de laatste twee jaar voor het ontslag al zodanig slecht was dat zelfs outplacementbegeleiding niet meer mogelijk was geweest, is niet voldoende onderbouwd. Gelet hierop is het ontslag van [geïntimeerde] kennelijk onredelijk.
5.6.
Nu het hof heeft aangenomen dat het ontslag kennelijk onredelijk is, heeft [geïntimeerde] recht op een vergoeding. De kantonrechter heeft overwogen dat als [appellanten] c.s. [geïntimeerde] gedurende één jaar met behoud van het dienstverband in de gelegenheid hadden gesteld ander werk te vinden het ontslag de toets der kritiek had doorstaan. Daarbij aanknopend schat de kantonrechter het bedrag aan schadevergoeding op het bruto jaarbedrag aan gederfd loon, inclusief vakantietoeslag en begroot dat bedrag op € 16.215,42 bruto.
[appellanten] c.s. komen met grief V in het principaal appel en [geïntimeerde] met grief I in het incidenteel appel tegen deze beslissing van de kantonrechter op.
5.7
Het hof stelt voorop dat voor de begroting van het bedrag aan vergoeding dat aan [geïntimeerde] toekomt het hof in het bijzonder acht heeft te slaan op de omstandigheden die het hof tot zijn oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag hebben geleid. Dat bedrag dient in overeenstemming te zijn met de aard en de ernst van de aan [appellanten] c.s. verweten tekortkoming.
[appellanten] c.s. voeren terecht aan dat de door de kantonrechter berekende vergoeding van een jaarsalaris niet op deze tekortkoming aansluit. Gelet op de kosten die met een outplacementtraject in het algemeen zijn gemoeid begroot het hof de kosten op € 5.000,-. De overige omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] zijn in dit geval geen reden het bedrag te verhogen, waarbij het hof in het bijzonder betrekt de al enige jaren zorgelijke financiële positie van [appellanten] c.s. Aldus is de grief in incidenteel appel ongegrond.
5.8
Het hof zal in principaal appel het bestreden vonnis vernietigen, voor zover daarbij [appellanten] c.s. zijn veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 16.215,42 bruto als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag te betalen en in zoverre opnieuw recht doende zullen [appellanten] c.s. worden veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000,- bruto te betalen als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Voor het overige zal dit vonnis worden bekrachtigd. Aangezien partijen in principaal appel deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in principaal appel worden gecompenseerd. Het incidenteel appel zal worden verworpen, reden waarom [geïntimeerde] daarin zal worden veroordeeld in de proceskosten (tarief II, ½ punt).
Beslissing
Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:
in principaal appel
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis, voor zover daarbij [appellanten] c.s. zijn veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 16.215,42 bruto te betalen als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag
en in zoverre opnieuw recht doende:
veroordeelt [appellanten] c.s. om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000,- bruto te betalen aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag;
veroordeelt [geïntimeerde] om terug te betalen aan [appellanten] c.s. het verschil tussen hetgeen [appellanten] c.s. aan [geïntimeerde] ter uitvoering van het bestreden vonnis hebben betaald en voornoemd bedrag ad € 5.000,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door [appellanten] c.s. tot de dag van terugbetaling door [geïntimeerde];
bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
wijst af het meer of anders gevorderde;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
in incidenteel appel
verwerpt dit beroep;
veroordeelt [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, aan de zijde van [appellanten] c.s. begroot op € 447,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. M.E.L. Fikkers en mr. D.H. de Witte en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 juli 2015 in bijzijn van de griffier.