Hof 's-Hertogenbosch, 07-06-2022, nr. 200.163.844, 02
ECLI:NL:GHSHE:2023:81
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
07-06-2022
- Zaaknummer
200.163.844_02
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:81, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 17‑01‑2023; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
ECLI:NL:GHSHE:2022:1790, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 07‑06‑2022; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
ECLI:NL:GHSHE:2021:370, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 09‑02‑2021; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
ECLI:NL:GHSHE:2020:1115, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 31‑03‑2020; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:180
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1292
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:51
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
ECLI:NL:GHSHE:2020:180, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 21‑01‑2020; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1292
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1115
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:51
ECLI:NL:GHSHE:2018:1292, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑03‑2018; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:51
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1115
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:180
- Wetingang
art. 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [KEI-Rv]
Uitspraak 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige hinder. Schade aan woonperceel door wateroverlast als gevolg van bouw woonwijk. Waardering deskundigenbericht. Hof stelt aansprakelijkheid vast van gemeente en bouwconsortium en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 17 januari 2023
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. [XX] Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [XX] ,
3. Grondbedrijf [XX] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [XX] II B.V.,
5. [yy] Infra B.V., voorheen [yy] Wegen B.V.,
6. [yy] Woningbouw B.V., voorheen [yy] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als het Consortium,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 januari 2016, 27 maart 2018, 21 januari 2020, 31 maart 2020, 9 februari 2021 en 7 juni 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
19. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 7 juni 2022 waarbij het hof een mondeling behandeling heeft gelast;
- -
de akte overlegging producties tevens houdende eiswijziging zijdens [appellant] , op 27 oktober 2022 ingekomen bij het hof, met producties 1A, 1B, 2A en 2B;
- -
akte overlegging producties zijdens [appellant] , op 30 oktober 2022 ingekomen bij het hof, met producties 40, 41 en 42;
- -
het H-formulier d.d. 25 november 2022 zijdens het Consortium met productie 9;
- -
het H-formulier d.d. 28 november 2022 zijdens de Gemeente met productie 20;
- -
de mondeling behandeling van 12 december 2022, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd. Zoals is bepaald in het tussenarrest van 7 juni 2022, heeft zijdens de deskundige Antea de heer ir. J.J.M. van Roestel op de voet van artikel 194 lid 5 Rv een nadere toelichting op het deskundigenbericht gegeven. Op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling gaat het hof hierna bij de beoordeling voor zover relevant in.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in de tussenarresten genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
20. De verdere beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
Eiswijziging
20.1.
[appellant] vorderde aanvankelijk onder meer een verklaring voor recht dat de Gemeente jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen voortvloeiende uit de overeenkomst van 20 juni 2001 en een verklaring voor recht dat de Gemeente en het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] met veroordeling van de Gemeente en het Consortium tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regels van de wet (zie het petitum van de memorie van grieven).
20.2.
Bij zijn memorie na deskundigenbericht en bij de hiervoor in het procesverloop
genoemde akte heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Het hof zal de gewijzigde eis hierna in rov. 20.3 weergeven. Het Gemeente en het Consortium hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging van [appellant] . In deze zaak zal het hof daarom recht doen op deze gewijzigde eis.
20.3.
Na eiswijziging vordert [appellant] , verkort weergegeven:
Primair
I. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen aan [appellant] te voldoen
€ 9.494.380,66, te vermeerderen met wettelijke rente;
Subsidiair
II. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen schadevergoeding aan [appellant] te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regels van de wet, te vermeerderen met wettelijke rente;
III. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen de bouwactiviteiten als vermeld in zijn petitum te staken en gestaakt, zulks op verbeurte van een dwangsom;
IV. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen het aanbrengen van ophogingen en andere infrastructurele werkzaamheden als vermeld in zijn petitum te staken en gestaakt te houden, zulks op verbeurte van een dwangsom;
V. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen een aanvang te nemen met het slopen van woningen, het verwijderen van ophogingen, het herstellen van sloten, het terugbrengen van het grondniveau op het perceel van [appellant] naar het niveau voorafgaand aan de ophoging van de omliggende percelen in 2005 en zodanige werkzaamheden te verrichten en voorzieningen te treffen dat het perceel van [appellant] weer kan afwateren op de belendende percelen en wordt bewerkstelligd dat de omliggende percelen niet langer afwateren op de percelen van [appellant] , zulks onder verbeurte van een dwangsom;
Primair en subsidiair
VI. te verklaren voor recht dat de Gemeente en het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] ;
VII. de Gemeente en het Consortium hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, waaronder de kosten van de deskundige Antea alsmede de kosten van het conservatoir beslag.
Juridisch kader
20.4.
Aan de orde is of de Gemeente en het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en wateroverlast hebben veroorzaakt door de omgeving rondom zijn perceel op te hogen en te bebouwen. [appellant] heeft onder meer een beroep gedaan op artikel 5:39 BW. Dit artikel bepaalt voor zover relevant dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen door wijziging te brengen in de loop en hoeveelheid van over zijn erf stromend water of van het grondwater. [appellant] heeft daarbij ook gewezen op het bepaalde in artikel 5:38 BW (‘Lagere erven moeten het water ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt.’).
20.5.
Het hof stelt voorop dat of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, volgens vaste rechtspraak afhankelijk is van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is het beschikken over een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder. Het hof verwijst voor dit juridische kader naar het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1106).
20.6.
Voorts is in deze zaak het volgende van belang in verband met de – in het navolgende te bespreken – stelling van [appellant] dat geen vooropname heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof waren de Gemeente en het Consortium verplicht in verband met ingrijpende werkzaamheden die voor [appellant] het gevaar meebrachten van schade aan zaken die aan hem toebehoren, voldoende maatregelen te treffen om zulke schade te voorkomen. In het licht van deze verplichting mocht [appellant] verwachten dat de Gemeente en het Consortium voldoende rekening zouden houden met zijn belangen en bijzondere zorg zou betrachten teneinde te voorkomen dat hij schade zou lijden. Daaruit volgt dat de Gemeente en het Consortium vóór de aanvang van en tijdens de duur van de werkzaamheden behoorden te onderzoeken of en in hoeverre de onderhavige werkzaamheden mogelijkerwijs gevolgen hadden die zouden kunnen leiden tot het ontstaan van schade voor [appellant] (vgl. HR 21 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5590; zie ook Hof Amsterdam 12 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1364).
Geen vooropname
20.7.
Het hof zal nu de stelling van [appellant] bespreken dat geen vooropname heeft plaatsgevonden. Hij stelt dat de Gemeente en/of het Consortium ingrijpende infrastructurele werkzaamheden hebben verricht, waar bij het gevaar bestond voor schade aan zaken van derden, namelijk van [appellant] zelf, zonder voorafgaand aan het uitvoeren van de infrastructurele werken onderzoek te verrichten en maatregelen te nemen ter voorkoming van schade.
20.8.
Naar aanleiding van deze stelling heeft het hof Antea de vraag gesteld of het in zaken als de onderhavige voorgeschreven of gebruikelijk is dat een vooropname in verband met potentieel op te treden schade wordt uitgevoerd (vraag 21). Op basis van het antwoord van de deskundige concludeert het hof dat het inderdaad gebruikelijk is om bij hydrologische ingrepen zoals het bouwrijp en woonrijp maken van de omgeving, op voorhand de risicocontouren van de geplande ingrepen vast te stellen en daarbinnen de grondwaterstanden en reeds aanwezige schade bij risicovolle objecten op te nemen. Het hof is van oordeel dat dit in dit geval ook had gemoeten omdat de opstallen van [appellant] risicovolle objecten zijn, nu deze in de jaren vijftig op staal en niet op palen zijn gefundeerd zoals op dit type bodems tegenwoordig gebruikelijk is.
20.9.
Uit de toelichting door de deskundige Van Roestel van zijn bevindingen tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat het ontbreken van een vooropname waarbij de nulsituatie vóór de aanvang van de hydrologische ingrepen is vastgesteld, zijn onderzoek heeft belemmerd. Daardoor zijn er meer onzekerheden dan er anders zouden zijn geweest. Mede gelet op hetgeen hiervoor in rov. 2.6 is overwogen, dient dit niet voor risico van [appellant] te komen. Ook betekent dit dat het hof minder hoge eisen zal stellen aan het door [appellant] in deze zaak te leveren bewijs, in overeenstemming met hetgeen in rov. 3.9.28 van het tussenarrest van 12 januari 2016 is overwogen. Een en ander zal hierna nader worden toegelicht.
Waardering deskundigenbericht
20.10.
In deze zaak is de waardering van een deskundigenbericht dat is uitgebracht door een door het hof benoemde deskundige aan de orde. Daarvoor geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een beperkte motiveringsplicht om de bevindingen van de deskundigen al dan niet te volgen (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921). Indien de rechter in een geval waarin de opinie van andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundigen op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van deze deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In dit geval is dát de conclusie van het hof: het deskundigenbericht mét de nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling van Van Roestel komt het hof overtuigend voor. Daarvoor is onder meer het volgende redengevend.
20.11.
Het hof heeft (de rechtspersoon) Antea als deskundige benoemd. Zoals het hof in het tussenarrest van 27 maart 2018 (rov. 6.14.5) heeft overwogen, behoort Antea tot de grotere gerenommeerde advies- en ingenieursbureaus. De deskundigheid van Antea om het onderhavige onderzoek te verrichten staat niet ter discussie.
Het deskundigenbericht heeft vier auteurs: ir. J.J.M. van Roestel, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . In genoemd tussenarrest is voorzien dat Van Roestel het feitelijke onderzoek, althans de coördinatie daarvan op zich zal nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Van Roestel desgevraagd geantwoord dat Antea het opgedragen onderzoek in teamverband heeft gedaan. Voor de bouwkundige effecten heeft Van Roestel [persoon C] erbij gehaald. [persoon A] is ingeschakeld voor het onderzoek naar trillingen. [persoon B] is een hydroloog. Op het gebied van de hydrologie ligt ook de expertise van Van Roestel zelf. Van Roestel heeft verklaard dat het deskundigenbericht in overleg tot stand is gekomen. Hij heeft inhoudelijk de verantwoordelijkheid van het geheel op zich genomen. Het proces is bewaakt door [persoon D] , die ook voor vrijgave van het deskundigenbericht namens Antea heeft getekend. Naar het oordeel van het hof heeft Antea het onderzoek aldus op zorgvuldige wijze uitgevoerd.
Er is geen aanleiding om (alsnog) te twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Antea in deze zaak.
20.12.
Volgens dezelfde rechtspraak als hiervoor bedoeld zal de rechter wel op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
In dit geval heeft de Gemeente een reactie op het deskundigenbericht van haar deskundige, BZ, overgelegd (productie 15 bij haar antwoordmemorie na deskundigenbericht). Voorts heeft de Gemeente Haskoning opdracht geven het onderzoek en de rapportage van Antea te beoordelen. Dit rapport is overgelegd als productie 14 bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht van de Gemeente. Ook het Consortium doet een beroep op het rapport van Haskoning (productie 2 bij haar antwoordmemorie na deskundigenbericht). Daarnaast heeft het Consortium een reactie van haar deskundige, Arcadis, op het deskundigenbericht overgelegd (productie 3 bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht van het Consortium). Zowel de Gemeente als het Consortium hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook een rapport van STAB in het kader van een bestuursrechtelijke procedure overgelegd (de hiervoor bij het procesverloop genoemde productie 9 respectievelijk 20).
In deze rapporten wordt kritiek geleverd op het onderzoek van Antea. Die kritiek houdt, kort gezegd, in dat Antea van (onjuiste) aannames en veronderstellingen is uitgegaan, de gebruikte onderzoeksmethoden niet deugdelijk zijn en de uitkomsten (dus) onbetrouwbaar zijn.
20.13.
Van Roestel heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof de gelegenheid gekregen op deze kritiek te reageren, waarna een debat met de aanwezige deskundigen (van BZ, Arcadis en Haskoning) heeft plaatsgevonden.
Dit debat sterkt het hof in de overtuiging dat de bevindingen van Antea op de hierna te bespreken punten dienen te worden gevolgd. De partijdeskundigen hebben de onzekerheden benadrukt. Van Roestel heeft de onzekerheidsmarges uitdrukkelijk gerelateerd aan de omstandigheid dat vóór de hydrologische ingrepen geen metingen zijn verricht en geen risicocontouren zijn bepaald. Er zijn niet op voorhand risico’s bepaald. Er zijn geen peilbuizen geplaatst en er is niet gemonitord. Als het uitgangspunt niet vastligt, moet er achteraf bekeken worden wat van tevoren wel of niet de situatie was. Daardoor is er een fundamentele onzekerheid en die blijft ook, aldus – steeds – Van Roestel. De partijdeskundigen hebben het voorgaande niet weersproken. Naar het oordeel van het hof dient die onzekerheid in de verhouding tussen [appellant] enerzijds en de Gemeente en het Consortium anderzijds voor risico van laatstgenoemden te komen. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rov. 2.6 tot en met 2.9 is overwogen.
20.14.
Bij het voorgaande moet ook worden bedacht dat Van Roestel heeft uitgelegd dat de hydrologische praktijk niet zo exact is. Er zijn wel modellen, maar in de praktijk is ervaring belangrijk(er). Het blijft volgens hem een benadering. In dit verband merkt het hof op dat Van Roestel werkzaam was als senior adviseur bij Antea (inmiddels is hij met pensioen). Uit zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat hij aannames heeft gedaan die hij op grond van zijn ervaring en zijn onderzoek redelijk vond, waarbij hij rekening heeft gehouden met de bestaande onzekerheden. Verder gaat het hier om een beoordeling van een situatie rond een boerderij en heeft Van Roestel verklaard dat hij van een boerderij afkomt. Dit heeft hij gedaan in de context dat tijdens het onderzoek door de partijdeskundigen allerlei mogelijkheden genoemd die van invloed zouden kunnen zijn, zoals dat op de percelen van [appellant] gegraven zou kunnen zijn. Op basis van zijn kennis van de situatie heeft hij die door de partijdeskundigen aangedragen suggesties verworpen, ook omdat die niet bleken uit zijn onderzoek.
20.15.
Hiermee hangt samen dat Van Roestel naar voren heeft gebracht dat de partijdeskundigen hun bezwaren tegen zijn onderzoek niet steeds met eigen resultaatgegevens hebben onderbouwd.
Zo heeft Haskoning gesteld dat Antea gebruik heeft gemaakt van een analytische formule in 2D, terwijl een 3D grondwatermodel gebruikt had moeten worden. Haskoning heeft deze 3D methode in dit geval echter niet zelf toegepast, zodat er ook geen resultaten voorhanden zijn op basis van deze methode. Hier komt bij dat Van Roestel tijdens de mondelinge behandeling heeft uiteengezet dat als er weinig gegevens zijn, zoals in dit geval, het in de praktijk weinig zin heeft om het 3D grondwatermodel te gebruiken. Er blijven namelijk onzekerheden bestaan, aldus Van Roestel. Dit is zijdens Haskoning tijdens de mondelinge behandeling ook erkend.
Een ander voorbeeld betreft de door Arcadis tijdens de mondelinge behandeling genoemde tijdreeksanalyse. Zijdens Arcadis is aangevoerd dat men door het raadplegen van het KNMI kan zien wat de droge en natte periodes zijn. Niet uitgesloten is dat hierdoor een oorzaak van de schade van [appellant] kan worden vastgesteld. Arcadis heeft dit onderzoek echter niet zelf gedaan. Verder heeft Van Roestel uitgelegd dat deze aanpak in dit geval op problemen stuit, omdat er ook hiervoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn.
Als de bezwaren van de partijdeskundigen een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige, gaat het hof in dit arrest op deze bezwaren in. Het enkel doen van suggesties voor nader onderzoek levert echter niet voldoende onderbouwde bezwaren tegen het deskundigenbericht op, te minder als de deskundige zelf op basis van zijn kennis en ervaring die suggesties weinig zinvol vindt.
20.16.
Gezien het tijdens de mondelinge behandeling verhandelde heeft het meest steekhoudende bezwaar tegen het deskundigenbericht betrekking op de onderzoeksmethode waarbij Antea de grondwaterstanden – de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) – vóór de aanvang van de werkzaamheden (2005) heeft bepaald op basis van roestverschijnselen in de boorprofielen van uitgevoerde grondboringen in 2020.
Zo heeft Haskoning benadrukt dat de uitkomsten van deze methode slechts als indicatie gelden voor de destijds heersende grondwaterstanden. Bovendien geldt dat áls er al zou worden uitgegaan van de door Antea genoemde GLG/GHG in 2005, er een bandbreedte van 25 cm gehanteerd dient te worden. Het hanteren van een dergelijke bandbreedte leidt er (ook) toe dat niet vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van een grondwaterstijging op de huiskavel. De vermeende grondwaterstijging valt dan weg tegen de foutmarge (zie bijvoorbeeld het rapport BZ, blz. 2).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Van Roestel desgevraagd geantwoord dat hij zijn deskundigenbericht wat het vraagstuk van de roest betreft het minst sterk vindt. Het hof heeft op dit punt een debat laten plaatsvinden tussen Van Roestel en de aanwezige partijdeskundigen van BZ, Arcadis en Haskoning. Daarbij heeft Van Roestel toegelicht dat zijn onderzoeksresultaten in totaal zijn gebaseerd op drie gegevensbronnen: naast de roestverschijnselen, de Stiboka-bodemkaart en recent onderzoek van [persoon E] . Deze wijzen volgens hem in dezelfde richting. Van Roestel heeft volhard in zijn bevindingen, ook rekening houdend met de onzekerheidsmarge (het hof verwijst naar hetgeen hierover hiervoor in rov. 2.13 en 2.14 is overwogen).
Tussen partijen is niet in geschil dat het bepalen van de grondwaterstanden op basis van roestverschijnselen op zichzelf een acceptabele methode is, zoals is vermeld in het rapport van Haskoning (blz. 4). Het hof komt dan ook tot de conclusie dat Antea deze onderzoeksmethode had mogen gebruiken bij haar onderzoek en de bezwaren daartegen onvoldoende zijn om niet uit te gaan van de mede met die methode verkregen resultaten, waarbij het hof in aanmerking neemt dat twee andere bronnen het resultaat uit de methode bevestigen en dat er – ook volgens de partijdeskundigen – geen alternatieve methode was die voldoende aan het bezwaar tegemoet komt.
20.17.
Bij de waardering van de partijdeskundigenrapporten neemt het hof voorts het volgende in aanmerking. Arcadis is betrokken geweest bij de planvorming en de risicocontouren voor [XX] in Middelburg alsmede bij de advisering over maatregelen in verband met de wateroverlast van [appellant] . Er moet dus rekening mee worden gehouden dat Arcadis mogelijk een belang heeft bij een voor de Gemeente en het Consortium gunstige uitkomst van deze procedure. Verder heeft Van Roestel tijdens de mondelinge behandeling over het rapport van BZ gezegd dat hij dit kwalitatief onvoldoende vindt. Ter illustratie heeft hij naar voren gebracht dat hij heeft gevraagd of BZ een bepaalde berekening wilde overleggen en dat BZ vervolgens de formule verkeerd heeft toegepast. Dit is zijdens BZ niet weersproken. Wat het rapport van Haskoning betreft heeft Van Roestel erop gewezen dat Haskoning niet over alle relevante stukken heeft beschikt en op basis van incomplete informatie uitspraken over zijn onderzoek heeft gedaan. Zijdens Haskoning is dit niet ontkend. Voor voormeld STAB-rapport (en de andere, eerder in de procedure overgelegde, STAB-rapporten) geldt dat STAB zelf geen (technisch) onderzoek heeft gedaan. Het hof hecht daarom het meeste gewicht aan het deskundigenbericht van Antea.
Los daarvan is de conclusie van Arcadis en STAB eveneens dat in beginsel sprake is van wateroverlast op het perceel van [appellant] als gevolg van de werkzaamheden, alleen kan die volgens Arcadis en STAB worden voorkomen door het treffen van bepaalde maatregelen (zie hierna vanaf rov. 20.27).
20.18.
Daarbij gaat het hof uit van het definitieve deskundigenrapport. Het Consortium heeft aangevoerd dat dit op punten afwijkt van het concept-deskundigenbericht. Dit concept-deskundigenbericht behoort evenwel niet tot de gedingstukken. De deskundige legt op grond van de Leidraad voor deskundigen in civiele zaken alleen het definitieve deskundigenbericht over (zie deze leidraad, bij 25). Het Consortium heeft het concept-deskundigenbericht niet overgelegd (ook [appellant] en de Gemeente hebben dat overigens niet gedaan). Daarbij hebben de partijdeskundigen deze afwijkingen niet benoemd tijdens de mondelinge behandeling en betreft dit daarmee geen substantieel punt van kritiek. Aan de stellingen in kwestie van het Consortium gaat het hof dus (als onvoldoende onderbouwd) voorbij.
20.19.
Het voorgaande strekt ertoe te motiveren waarom het hof van oordeel is dat de bevindingen van Antea kunnen worden gevolgd en de kritiek daarop van de partijdeskundigen daaraan niet in de weg staat. Het hof acht de resultaten van het onderzoek van Antea voldoende betrouwbaar om ten grondslag te leggen aan de beslissingen in deze zaak. Op andere specifieke punten volgt hierna een nadere motivering.
Wijziging van de waterloop en de hoeveelheid water
20.20.
[appellant] heeft reeds in zijn inleidende dagvaarding voldoende onderbouwd gesteld dat op de percelen die grenzen aan zijn woonerf infrastructurele werken zijn verricht die als gevolg hebben gehad dat de aangrenzende percelen hoger zijn komen te liggen dan het woonerf, terwijl het woonerf voorheen het hoogste punt was in de omgeving. Hierdoor wateren de hoger gelegen percelen nu af op het lager gelegen woonerf in plaats van andersom. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [appellant] onder meer rapporten van Grontmij van 1 maart 2013 en 8 maart 2013 overgelegd (producties 10 en 19 bij de akte overlegging productie 1 tot en met 32 van [appellant] van 4 september 2013).
20.21.
Het voorgaande wordt bevestigd door de bevindingen van Antea in het deskundigenbericht en is ook toegelicht door de deskundige Van Roestel tijdens de mondelinge behandeling. Het hof verwijst in het bijzonder naar de antwoorden van Antea op de vragen 1 tot en met 3 in het deskundigenbericht. Er hebben inderdaad ophogingen van de aangrenzende percelen plaatsgevonden (waarbij de deskundige ervan is uitgegaan dat het graslandperceel indertijd in opdracht van [persoon F] – de moeder van [appellant] – is opgehoogd). De Gemeente en het Consortium hebben geen voldoende onderbouwde bezwaren tegen de bevindingen van Antea ingebracht op dit punt.
20.22.
Zoals het hof in het tussenarrest van 27 maart 2018 (rov. 6.5.4) heeft overwogen zijn niet enkel ophogingen aan de orde, maar ook andere infrastructurele werken. Daarbij gaat het in het bijzonder ook om het dempen, afdammen en/of aanleggen van sloten, het (volgens [appellant] ) blokkeren of ongedaan maken van bestaande drainage, en het aanleggen van riolering en (andere) drainage. Het hof heeft in dit verband vragen 4, 5 en 6 aan Antea gesteld. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat er sprake is van grondwaterstijging als gevolg van verlies van drainage, in combinatie met de ophogingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Van Roestel toegelicht dat het verlies van drainage in feite doorslaggevend was voor het ontstaan van de wateroverlast op het perceel van [appellant] . Dit heeft plaatsgevonden vanaf het begin van de infrastructurele werkzaamheden, toen de Poproute werd aangelegd in 2007. Het hof acht het deskundigenbericht wat het verlies van drainage betreft overtuigend. Antea heeft haar bevindingen daarover voldoende onderbouwd.
20.23.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de waterloop en de hoeveelheid afstromend water door de infrastructurele werken ter plaatse zijn gewijzigd. Aan dit vereiste voor het vaststellen van onrechtmatige hinder is derhalve voldaan.
Wateroverlast
20.24.
Voorts heeft [appellant] reeds in zijn inleidende dagvaarding voldoende onderbouwd gesteld dat hij wateroverlast ondervindt op zijn erf. Daartoe heeft hij onder meer foto’s overgelegd (zie bijvoorbeeld producties 16 tot en met 18 bij zijn akte overlegging productie 1 tot en met 32 van 4 september 2013). Ook heeft hij een beroep gedaan op de twee eerdergenoemde rapporten van Grontmij. Hij stelt dat deze wateroverlast schadelijke gevolgen heeft voor de opstallen (het hof noemt: zijn woonboerderij en de schuur) en de beplanting op zijn woonerf. [appellant] heeft in hoger beroep nog een derde rapport van Grontmij overgelegd (productie 10 bij zijn akte overlegging producties 8 tot en met 14 van 18 september 2015). Met dit rapport van 28 augustus 2015 wordt de onderhavige stelling nader onderbouwd.
20.25.
Voor het hof staat voldoende vast dat dat er inderdaad sprake was van wateroverlast op het erf van [appellant] . Dit blijkt ook uit het – in opdracht van het Consortium opgestelde – rapport van Arcadis van 4 maart 2013 (productie 8 bij de akte overlegging producties 1 tot en met 32 van [appellant] van 4 september 2013). Op blz. 11 van dat rapport staat immers: ‘Op het perceel thans voorkomende wateroverlast wordt als gevolg van de nieuwe sloten opgelost.’. Het hof heeft verder de bouwkundige opname van Quattro (rapport van 5 maart 2013, overlegd als productie 21 bij de akte overlegging producties 1 tot en met 32 van [appellant] van 4 september 2013) in zijn beoordeling betrokken. Ook het deskundigenbericht van Antea geeft inzicht in de aard en de omvang van de wateroverlast van [appellant] .
20.26.
Gezien de informatie die het hof daarover beschikt, valt de wateroverlast die [appellant] heeft ondervonden op zijn woonkavel als ernstig te kwalificeren. De aard en de omvang daarvan overstijgt ver het niveau van hinder dat men normaliter heeft te dulden (vgl. rov. 6.6 van het tussenarrest van 27 maart 2018). De Gemeente en het Consortium hebben hiertegen onvoldoende ingebracht. Zoals hierna zal blijken, zal het hof mede op grond hiervan concluderen dat er in dit geval sprake is van onrechtmatige hinder.
Maatregelen
20.27.
Dat geen vooropname is gedaan in verband met potentieel op te treden schade werkt ook door in de omstandigheid dat niet van meet af aan maatregelen zijn getroffen om schade, bijvoorbeeld in de vorm van wateroverlast, bij [appellant] te voorkomen. Daarbij merkt het hof op dat het verlies van drainage heeft plaatsgevonden vanaf de aanleg van de Poproute in 2007 (zie hiervoor bij rov. 20.22). Het Consortium heeft op een gegeven moment, nadat [appellant] zich meldde vanwege wateroverlast, wel onderzoek laten verrichten welke maatregelen genomen zouden moeten worden om de hydrologische effecten op het perceel van [appellant] als gevolg van de ontwikkeling van [XX] in Middelburg te ondervangen. Dit heeft in eerste instantie geleid tot het genoemde rapport van Arcadis van 4 maart 2013. Daarin is een aantal maatregelen opgenomen (zie blz. 11), die nader zijn uitgewerkt in een rapportage uit 2015 en vervolgens in 2017 deels zijn gewijzigd opdat ze konden worden uitgevoerd buiten de perceelsgrenzen van [appellant] . Nadat bleek dat een deel van deze maatregelen ruimtelijk niet inpaste in het stedenbouwkundig plan, heeft Arcadis dit deel van de maatregelen aangepast in een memo van 23 juli 2019. Deze belangrijkste maatregelen zijn uitgevoerd in 2020. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep waren nog niet alle maatregelen uit het memo (volledig) uitgevoerd.
Het hof heeft vragen (vragen 9 en 10) gesteld aan Antea over maatregelen en de uitvoering daarvan. In het deskundigenbericht is nader ingegaan op mogelijke maatregelen ter beperking of voorkoming van wateroverlast in hoofdstuk 7 en 8. Volgens het deskundigenbericht is het probleem dat onvoldoende duidelijk is of met het ontwerp van de maatregelen het beoogde effect wordt bereikt (antwoord op vraag 10). Voorts heeft Van Roestel tijdens de mondelinge behandeling kritische kanttekeningen geplaatst met betrekking tot de effectiviteit van de uitgevoerde maatregelen, waaronder het drainerend effect van het zandcunet in de Poproute.
20.28.
In de situatie van 2020 is er blijkens het deskundigenbericht een verlagend effect op de grondwaterstand vanwege de maatregelen die uitgevoerd zijn op de randen van percelen van [appellant] . Van Roestel heeft dit jaartal ook genoemd als jaartal waarin de uitgevoerde maatregelen effect beginnen te krijgen. Niet kan worden vastgesteld dat [appellant] thans in het geheel geen schade meer ondervindt door wateroverlast die het gevolg is van de hydrologische ingrepen. Op vragen van het hof aan partijen is gebleken dat ook de maatregelen in het memo van Arcadis van 23 juli 2019 niet volledig zijn uitgevoerd.
De Gemeente en het Consortium hebben betoogd dat het aan [appellant] te wijten is dat de maatregelen niet zijn uitgevoerd. Het Consortium stelt de uitvoering van de maatregelen in 2013 te hebben gestaakt toen [appellant] aangaf daaraan niet te willen meewerken. [appellant] heeft aangevoerd dat de voorgestelde maatregelen niet toereikend waren en, toen een begin van uitvoering daarvan werd gemaakt, de schade aan de gebouwen en het woonerf juist onmiddellijk werd verergerd. De vraag of en zo ja in hoeverre de schade als gevolg van wateroverlast voor rekening van [appellant] zelf dient te komen doordat hij geen medewerking heeft verleend aan de uitvoering van maatregelen ter beperking van zijn schade, hoeft niet in deze procedure te worden beantwoord (zie hierna rov. 20.41).
Wel merkt het hof op dat de afstemming van de benodigde maatregelen en de (ruimtelijke) inpassing ervan naar verwachting minder problematisch zouden zijn verlopen indien de Gemeente en het Consortium dit voorafgaand aan de werkzaamheden bij de voorbereiding ervan zouden hebben meegenomen. Gezien het deskundigenbericht (zie met name blz. 52 onderaan en blz. 61, laatste gedachtestreepje) zullen partijen (opnieuw/alsnog) in overleg moeten treden over welke maatregelen nog dienen te worden uitgevoerd ter voorkoming van verdere schade door wateroverlast.
Trillingen
20.29.
[appellant] heeft ook gesteld dat het uitvoeren van infrastructurele werken op de aangrenzende percelen trillingen en zettingsproblemen met zich meebracht. Dit heeft ook schade aan zijn opstallen en/of beplantingen veroorzaakt, aldus [appellant] .
20.30.
Het hof heeft Antea gevraagd te rapporteren in verband met de trillingen. Daarvoor heeft het hof vijf vragen aan de deskundige geformuleerd (vragen 15 tot en met 19). Antea heeft deze vragen op basis van onderzoek beantwoord in het deskundigenbericht. Deze antwoorden komen erop neer dat er een kans is dat trillingen schade aan de gebouwen op het huisperceel hebben veroorzaakt, maar dat het niet aannemelijk is dat dit de (hoofd)oorzaak is van de schade van [appellant] .
20.31.
Het hof leidt uit het deskundigenbericht af dat de kans zodanig klein is dat de schade van [appellant] is veroorzaakt door trillingen dat deze niet kan bijdragen aan het oordeel dat de Gemeente en/of het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] . In de reactie van [appellant] op de antwoorden van de deskundige op de vragen 15 tot en met 19 in zijn memorie na deskundigenbericht ziet het hof geen aanleiding hierover anders te oordelen. Anders dan [appellant] stelt, blijkt uit het deskundigenbericht juist niet dat de werkzaamheden van de Gemeente en/of het Consortium hebben geleid tot trillingen met als gevolg schade.
Causaal verband
20.32.
Tussen partijen is ook in geschil of de hydrologische ingrepen de wateroverlast en de schade van [appellant] (kunnen) hebben veroorzaakt. Op basis van het deskundigenbericht van Antea kan worden geconcludeerd dat er wel sprake is van causaal verband (zie ook hiervoor onder rov. 20.20 – 20.26). Het hof verwijst in het bijzonder naar hoofdstuk 9. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof Van Roestel hierover bevraagd, mede in het licht van betwisting van het causaal verband door de Gemeente en het Consortium. Van Roestel heeft desgevraagd bevestigd dat de wateroverlast en de schade van [appellant] zijns inziens zijn veroorzaakt door de ingrepen .
20.33.
Het hof heeft nadere vragen gesteld om te onderzoeken hoe zeker Van Roestel hiervan is. Hij heeft daarop verklaard dat hij het zeer aannemelijk acht dat de wateroverlast en de schade van [appellant] zijn veroorzaakt door de hydrologische ingrepen. Ondanks de onzekerheden is hij hier gaandeweg het onderzoek van overtuigd geraakt. Om dit duidelijk te maken in niet-hydrologische termen heeft hij toegelicht dat het logisch is dat er wateroverlast is opgetreden op de kavel van [appellant] . Het perceel lag in 2007 hoger dan zijn omgeving. Het perceel was nauwelijks gedraineerd en water op het perceel liep alleen naar de omgeving. Daar lagen landbouwpercelen. Als zo’n gebied wordt opgehoogd of de drainage ondieper ligt dan gaat de grondwaterstand mee omhoog in principe, aldus – steeds – Van Roestel. Deze redenering is voor het hof navolgbaar.
20.34.
In de rapporten van de partijdeskundigen zijn er andere factoren genoemd die kunnen hebben bijgedragen aan de wateroverlast (zie het als productie 15 bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht overgelegde rapport van BZ onder 7 en het als productie 3 bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht van het Consortium overgelegde memo van Arcadis onder 1.2). Dit is echter niet, althans onvoldoende uitgewerkt door de Gemeente en het Consortium. De stelling dat er mogelijke alternatieve oorzaken zijn van de schade van [appellant] doet in elk geval geen afbreuk aan de bevinding van Antea dat de toegenomen waterbelasting na 2005 de hoofdoorzaak van de schade van [appellant] is (zie ook het antwoord op vraag 19). Bovendien lag het op de weg van de Gemeente en het Consortium om vóór de hydrologische ingrepen vast te stellen welke factoren zouden kunnen leiden tot schade aan de gebouwen van [appellant] en wat de staat is van de gebouwen, hetgeen zij niet hebben gedaan en hetgeen voor hun risico komt.
20.35.
Al met al heeft het hof op dit punt geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van Antea. Zonder de hydrologische ingrepen zou de schade van [appellant] door wateroverlast zich niet hebben voorgedaan, althans niet op de manier en in de mate als dat het geval was. Het hof zal daarom aannemen dat het vereiste causaal verband (het conditio sine qua non-verband) aanwezig is om de Gemeente en het Consortium aansprakelijk te houden in dezen.
Aansprakelijkheid van de Gemeente en het Consortium
20.36.
Op grond van al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat er sprake is van onrechtmatige hinder. [appellant] heeft als gevolg van infrastructurele werkzaamheden ernstige wateroverlast op zijn woonkavel ondervonden. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat geen vooropname heeft plaatsgevonden voordat de hydrologische ingrepen plaatsvonden waar dat wel gebruikelijk is en in dit geval ook had gemoeten omdat de opstallen van [appellant] risicovolle objecten zijn. Er hadden maatregelen kunnen en moeten worden genomen om de schade door wateroverlast van [appellant] te voorkomen of in elk geval te beperken. Dit hebben de Gemeente en het Consortium echter niet althans onvoldoende gedaan. Aldus is er sprake van onrechtmatig handelen en nalaten jegens [appellant] . De Gemeente en het Consortium hebben niets aangevoerd dat in de gegeven omstandigheden tot een ander oordeel kan leiden.
20.37.
De Gemeente en het Consortium (alle geïntimeerden) zijn voor dit onrechtmatig handelen aansprakelijk jegens [appellant] . [appellant] heeft onbetwist gesteld dat de Gemeente en het Consortium eigenaar waren van de aangrenzende percelen, onder overlegging van productie 7 bij de inleidende dagvaarding (zie ook productie 18 bij de akte uitlaten 14 producties van [appellant] van 5 april 2022 en punt 1 van randnummer 17 van de pleitnota van [appellant] ). Dat de Gemeente inmiddels geen eigenaar meer is van aangrenzende percelen, naar zij stelt, kan niet afdoen aan de conclusie dat de Gemeente als (voormalige) grondeigenaar aansprakelijk is in dezen (zie ook rov. 3.8.4 van het tussenarrest van 12 januari 2016). In zijn inleidende dagvaarding heeft [appellant] onbetwist gesteld dat door geïntimeerden sub 5 en sub 6 (althans hun rechtsvoorgangers, [yy] Wegen B.V en [yy] Bouw Zeeland B.V.) de infrastructurele en andere bouwkundige werkzaamheden zijn verricht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij voorts onbetwist gesteld dat het Consortium en de Gemeente de werkzaamheden zelf uitvoeren of die laten uitvoeren door concernonderdelen of door onderaannemers en opdrachtnemers (pleitnota van [appellant] , punt 8 van randnummer 17). Dat het Consortium een vergunning had voor de verrichte werkzaamheden maakt in dit geval niet dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden (zie hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 20.5). Daarnaast heeft [appellant] onbetwist gesteld dat tussen de Gemeente en het Consortium een samenwerkingsovereenkomst (‘Samenwerkingsovereenkomst [XX] Middelburg’) geldt (zie productie 13 bij de akte overlegging producties 8 tot en met 14 van [appellant] van 18 september 2015), op grond waarvan zij in nauw overleg opereren en het Consortium alle werkzaamheden dient af te stemmen met de Gemeente (zie ook punt 2 van randnummer 17 van de pleitnota van [appellant] ). Ook gelet daarop zijn de Gemeente en het Consortium in dezen aansprakelijk te houden, nu zij bij de uitvoering van die overeenkomst de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW hebben geschonden jegens [appellant] . Daarbij wijst het hof in het bijzonder op het nalaten van de vooropname (zie hiervoor rov. 20.6). Tot slot is de Gemeente betrokken als planwetgever en vergunningsverlener bij de ontwikkeling van [XX] in Middelburg en heeft ervoor te zorgen dat alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd ter voorkoming van wateroverlast als gevolg daarvan.
20.38.
Zoals door [appellant] gevorderd (vordering VI), zal het hof dan ook in het dictum van dit arrest voor recht verklaren dat de Gemeente en het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] . Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien rechtvaardigt naar het oordeel van het hof ook dat de Gemeente en het Consortium hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [appellant] . Als het Consortium ingang had willen doen vinden dat niet alle geïntimeerden aansprakelijk kunnen worden gehouden, had zij openheid van zaken moeten geven over de betrokkenheid van de geïntimeerden afzonderlijk bij de ontwikkeling van [XX] in Middelburg. Dat heeft zij evenwel niet gedaan.
Veroordeling tot schadevergoeding
20.39.
[appellant] heeft aanvankelijk verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd (zie het petitum van appeldagvaarding, onder IV). Na eiswijziging vordert hij echter primair een concreet schadebedrag, te weten € 9.494.380,66. Dit bedrag is gebaseerd op de door hem genoemde Methode A (schadeberekening op basis van gederfde herontwikkelingsopbrengsten). Als alternatief heeft [appellant] een Methode B gegeven (schadeberekening op basis van sloop en herbouw). Daarbij komt het schadebedrag waarop [appellant] aanspraak maakt op € 5.974.978,11.
20.40.
De Gemeente en het Consortium hebben gemotiveerd weersproken dat de schade in dit geval op deze wijzen kan worden begroot. Het hof merkt op dat het bewust – zie rov. 6.10.1 van het tussenarrest van 27 maart 2018 – geen vragen aan de deskundige Antea heeft gesteld over de schadebegroting omdat [appellant] aanvankelijk slechts verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd (de eiswijziging dateert van na het deskundigenbericht). Antea heeft in haar deskundigenbericht aanbevolen om een team van drie bouwkundige experts (een expert namens eiser, een expert namens verweerder en een onafhankelijke expert die voorzitter is en de rapportage opstelt, in overleg met de overige experts) samen te stellen om de financiële consequenties van de bouwkundige schade te bepalen (hoofdstuk 9, zie 9.7 vierde gedachtestreepje). Dit hebben [appellant] , de Gemeente en/of het Consortium (vooralsnog) niet gedaan.
20.41.
Gezien het vorenstaande kan op basis van de thans ter beschikking staande gegevens de schade van [appellant] niet, ook niet gedeeltelijk, worden begroot. Nu de bouwkundige schade niet vast staat, geldt dit ook voor gederfd woongenot en immateriële schade. De primaire vordering tot betaling door de Gemeente en het Consortium van een concreet schadebedrag (vordering I) kan dus niet worden toegewezen. Nu de mogelijkheid van schade wel aannemelijk is, kan de subsidiair gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure (vordering II) wel worden toegewezen. Dit zal het hof ook hierna in het dictum van dit arrest doen. Vaststaat immers dat vanaf 2007 (infrastructurele) werkzaamheden hebben plaatsgevonden die tot ernstige wateroverlast op het perceel van [appellant] hebben geleid, terwijl maatregelen om dit tegen te gaan pas in 2020 en nog niet volledig zijn uitgevoerd. De door [appellant] gevorderde schade wegens gederfde ontwikkelingskansen acht het hof niet toewijsbaar. In het bijzonder heeft [appellant] het causaal verband (het condicio sine qua non-verband en de toerekening ex artikel 6:98 BW) onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Gemeente en het Consortium. In de schadestaatprocedure dient het primair te gaan om de schade ter zake van de opstallen van [appellant] . In die procedure kan eventueel ook nader worden onderzocht of en zo ja in hoeverre in verband met concrete door [appellant] te stellen schadeposten er sprake is van eigen schuld van [appellant] (artikel 6:101 BW), in die zin dat hij niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan of anderszins als door de Gemeente en het Consortium betoogd.
De vorderingen III, IV en V van [appellant]
20.42.
Het hof zal nu de vorderingen III, IV en V gezamenlijk bespreken. Deze vorderingen, die verstrekkend zijn, zijn summier door [appellant] toegelicht en door de Gemeente en het Consortium uitvoerig bestreden (zie hiervoor hun memorie van antwoord en hun antwoordmemorie na deskundigenbericht). Ook na de uitgebreide betwisting in de memories van antwoord, heeft [appellant] geen nadere toelichting op deze vorderingen gegeven. Het hof acht deze vorderingen, mede gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan, daarom onvoldoende onderbouwd.
20.43.
Meer specifiek ziet het hof voor toewijzing van deze vorderingen geen althans onvoldoende basis in het deskundigenbericht van Antea. Dit geldt voor de vordering dat geen enkele bouwactiviteit meer mag plaatsvinden en dat de woningen in het plangebied [XX] fase 9B gesloopt moeten worden. Dat geldt ook voor de vordering om de situatie ter plaatse volledig terug te brengen in de oude toestand. [appellant] heeft niet toegelicht waarom dit anders zou zijn. Ook zijn bij de onderhavige vorderingen belangen in het geding van derden die door hem niet in deze procedure zijn betrokken. Tot slot zijn deze vorderingen onvoldoende bepaald om deze te kunnen toewijzen.
20.44.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen III, IV en V van [appellant] niet toewijsbaar zijn.
Overige verweren van de Gemeente en het Consortium
20.45.
De Gemeente heeft een beroep op de klachtplicht gedaan. Indien in rechte zou komen vast te staan dat [appellant] in de periode tot aan 2013, het jaar waarin de procedures tegen de Gemeente zijn begonnen, schade heeft geleden én de Gemeente dienaangaande enig verwijt gemaakt zou kunnen worden, stelt de Gemeente zich op het standpunt dat [appellant] heeft nagelaten tijdig te klagen. Daarbij verwijst de Gemeente naar artikel 6:89 BW. Dit beroep faalt. Na eiswijziging van [appellant] is de grondslag wanprestatie voor zijn vorderingen niet meer aan de orde. De grondslag voor zijn vorderingen is onrechtmatige daad. Op een vordering uit onrechtmatige daad is de klachtplicht van artikel 6:89 BW niet van toepassing. Dat is alleen anders als de vordering uit onrechtmatige daad is gericht tegen de schuldenaar en is gegrond op een gebrek in de prestatie (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176), maar dat is hier niet het geval.
20.46.
In het tussenarrest van 12 september 2016 heeft het hof het beroep van de Gemeente op de vrijwaring al verworpen (rov. 3.7.5). Het hof volhardt hierin. Het hof onderschrijft dus het oordeel van de rechtbank in rov. 4.1 van het vonnis waarvan beroep dat deze vrijwaring niet volgt uit de tekst van artikel 16 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst d.d. 20 juni 2001. De Gemeente heeft onvoldoende onderbouwd dat deze vrijwaring ziet op de schade uit hoofde van de onrechtmatige daad die in deze procedure is komen vast te staan. Dat de Gemeente hiervan wel mocht uitgaan en dat [appellant] (althans [persoon F]) dit ook redelijkerwijs moest begrijpen, blijkt nergens uit.
20.47.
Voor het overige hebben de Gemeente en het Consortium geen verweren gevoerd die hier al dan niet in het kader van de devolutieve werking van het appel dienen te worden behandeld, althans is het niet voldoende duidelijk voor [appellant] en het hof dat dit het geval is.
Slotsom en afwikkeling
20.48.
De slotsom is dat het principaal hoger beroep gegrond is, en het incidenteel hoger beroep ongegrond. Het hof acht verdere deskundige voorlichting niet noodzakelijk. Ook anderszins is bewijslevering niet meer aan de orde.
20.49.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal de gewijzigde eis van [appellant] toewijzen als hierna in het dictum is vermeld.
20.50.
De Gemeente en het Consortium hebben te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen. Weliswaar worden enkele vorderingen van [appellant] afgewezen, maar [appellant] heeft moeten procederen om de aansprakelijkheid van de Gemeente en het Consortium in rechte te laten vaststellen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen zullen de Gemeente en het Consortium hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, de kosten ter zake het deskundigenbericht daaronder begrepen. Deze kosten stelt het hof vast op het totaal van het door [appellant] betaalde voorschot, te weten € 74.000,- inclusief BTW. Deze kosten acht het hof in totaal niet onredelijk gelet op de vele extra werkzaamheden die de deskundige heeft moeten verrichten, onder meer om te reageren op de door de partijdeskundigen aangedragen bezwaren en suggesties. De vordering van [appellant] ter zake de kosten van het conservatoir beslag zal niet worden toegewezen omdat hij daarvoor geen bedrag heeft genoemd. Gelet op de samenhang tussen het principaal en het incidenteel hoger beroep, zal het hof niet afzonderlijk voor het incidenteel hoger beroep proceskosten liquideren (zie ook HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966). Het hof zal bij de proceskostenveroordeling het geldende liquidatietarief hanteren, met dien verstande dat het hof gelet op de omvang van de zaak in plaats van het maximum van drie punten van tarief II (onbepaalde waarde) een maximum van zes punten zal hanteren. Voor zover [appellant] een vergoeding vordert van zijn werkelijke kosten van rechtsbijstand, al dan niet wegens de door hem gestelde schendingen van de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv door de Gemeente en het Consortium, komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat voldaan is aan de daarvoor geldende strenge maatstaf (vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, met verwijzing naar de maatstaf in HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, rov. 5.1). Daarmee is tot slot ook beslist op vordering VII van [appellant] .
21. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
opnieuw recht doende:
verklaart voor recht dat de Gemeente en het Consortium onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] ;
veroordeelt de Gemeente en het Consortium hoofdelijk schadevergoeding aan [appellant] te voldoen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regels van de wet, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de Gemeente en het Consortium hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 147,82 aan dagvaardingskosten, op € 274,- aan griffierecht en op € 904,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 123,17 aan dagvaardingskosten, op € 1.780,- aan griffierecht, op € 6.684,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en op € 74.000,- aan kosten ter zake het deskundigenbericht;
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 januari 2023.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 07‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Hof bepaalt een mondelinge behandeling op de voet van artikel 194 lid 5 Rv.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 7 juni 2022
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
hierna aan te duiden als [appellant],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. Mortiere Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [het Consortium],
3. Grondbedrijf [Beheer I] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [Grondbedrijf II] II B.V.,
5. [Wegen] Wegen B.V.,
6. [Woningbouw] Woningbouw B.V., voorheen [Bouw Zeeland] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats],
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als het Consortium,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 januari 2016, 27 maart 2018, 21 januari 2020, 31 maart 2020 en 9 februari 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
16. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 9 februari 2021;
- -
het deskundigenbericht van 26 november 2021, ingekomen bij het hof op 29 november 2021;
- -
de memorie na deskundigenbericht, tevens akte houdende overlegging producties en wijziging van eis van [appellant], met producties 23 tot en 39;
- -
de antwoordmemorie na deskundigenbericht tevens antwoordmemorie na eiswijziging van de Gemeente, met producties 14 tot en met 19;
- -
de antwoordmemorie na deskundigenbericht van het Consortium, met producties 2 tot en met 8;
- -
de akte uitlaten 14 producties van [appellant].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
17. De verdere beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
17.1.
Bij tussenarrest van 27 maart 2018 heeft het hof bepaald dat er een deskundigenonderzoek wordt verricht door Antea Nederland B.V. naar de in dat tussenarrest geformuleerde vragen. Als deskundige is opgetreden [persoon A], werkzaam als senior adviseur bij Antea Group te [vestigingsplaats]. Zoals hiervoor in het procesverloop is vermeld, heeft de deskundige zijn rapport op 29 november 2021 ingediend bij het hof.
17.2.
Zowel de Gemeente als het Consortium hebben aan de hand van partijdeskundigenrapporten bezwaren aangevoerd tegen het deskundigenrapport. Daarbij beroepen de Gemeente en het Consortium zich beide op een rapport van Royal Haskoning DHV d.d. 8 februari 2022, dat in opdracht van de Gemeente is opgesteld. Voorts heeft de Gemeente een reactie op het deskundigenrapport van BZ Ingenieurs & Managers d.d. 18 februari 2022 overgelegd, en het Consortium een memo van Arcadis d.d. 18 februari 2022.
17.3.
Het hof ziet in het voorgaande, mede gelet op het verzoek om pleidooi van het Consortium, aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen. Doel van deze mondelinge behandeling is onder meer om het deskundigenrapport mondeling in aanwezigheid van de deskundige, [persoon A], te behandelen. Het hof maakt aldus gebruik van de mogelijkheid van artikel 194 lid 5 Rv. Tevens kan de mondelinge behandeling worden benut om een minnelijke regeling te beproeven. Desgewenst kan ter zitting verwijzing van de zaak naar mediation worden besproken. De advocaten van partijen zullen bij aanvang van de mondelinge behandeling in de gelegenheid worden gesteld om de zaak kort (maximaal 10 minuten) nader toe te lichten, bij voorkeur onder overlegging van spreekaantekeningen.
17.4.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
18. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bepaalt dat partijen vergezeld van hun advocaten zullen verschijnen voor mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en A.L. Bervoets, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch, met de hiervoor in rechtsoverweging 17.3 vermelde doeleinden;
verwijst de zaak naar de rol van 5 juli 2022 voor opgave verhinderdata van partijen en hun advocaten over de maanden september, oktober, november en december 2022;
bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de mondelinge behandeling zal vaststellen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2022.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 09‑02‑2021
Inhoudsindicatie
deskundige
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 9 februari 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. [Grondexploitatie] Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [het Consortium] ,
3. Grondbedrijf [Beheer I] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [Grondbedrijf II] B.V.,
5. [Wegen] Wegen B.V.,
6. [Woningbouw] Woningbouw B.V., voorheen [Bouw Zeeland] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
hierna gezamenlijk aan te duiden als het [geïntimeerden] ,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 12 januari 2016, 27 maart 2018, 21 januari 2020 en 31 maart 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
14. Het verdere verloop van de procedure en de verdere beoordeling
Bij tussenarrest van 27 maart 2018 heeft het hof bepaald dat er een deskundigenonderzoek wordt verricht door Antea Nederland B.V. Verder is bepaald dat het voorschot van € 13.334,20 voorlopig ten laste van [appellant] komt. Vervolgens heeft het hof bij tussenarrest van 21 januari 2020 bepaald dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 21.054,=.
Bij brief van 27 november 2020 heeft de deskundige opnieuw verzocht om een aanvullend voorschot, te weten van € 13.340,= (exclusief BTW). In deze brief heeft de deskundige toegelicht dat hij het conceptrapport heeft verzonden en de commentaren van de advocaten heeft ontvangen en dat deze aanleiding geven tot aanvullende werkzaamheden. De volgende werkzaamheden zijn gepland, aldus de deskundige, in het kader van het opstellen van het definitieve rapport:
1. Voorbereiding
2. Nader veldonderzoek op de locatie
3. Uitwerking veldonderzoek
4. Verwerking resultaat en commentaren partijen op het conceptrapport tot een definitief rapport.
Voormeld verzoek is op 30 november 2020 per e-mail naar partijen gezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 7 december 2020 hierop te reageren.
Mr. Pieterse heeft per e-mail op 7 december 2020 bericht dat van de zijde van de gemeente geen bezwaar bestaat tegen het door Antea verzochte aanvullende voorschot.
Mr. Boogaard en mr. Gebel hebben namens respectievelijk [appellant] en het Consortium bij e-mails van 7 december 2020 bezwaar gemaakt tegen het verzoek om een aanvullend voorschot. Voor de inhoud van deze bezwaren verwijst het hof naar de betreffende e-mails.
Voormelde e-mails van mr. Boogaard en mr. Gebel zijn op 10 december 2020 aan de deskundige gezonden. De deskundige is in de gelegenheid gesteld hierop uiterlijk 23 december 2020 te reageren.
De deskundige heeft bij e-mail van 23 december 2020 gereageerd en is daarbij uitgebreid ingegaan op de bezwaren van [appellant] en het Consortium tegen het verzoek om een aanvullend voorschot.
De deskundige heeft toegelicht een rapport te hebben opgesteld van circa 50 pagina’s (exclusief bijlagen waaronder een rapportage trillingen). Dit betreft de onderdelen ‘AHN hoogten uitwerking en deelrapportage’, ‘bodem/waterhuishouding uitwerking en deelrapportage’, ‘beantwoording vragen van het gerechtshof’ en ‘afronden tot conceptrapport (incl. kwaliteitstoets intern)’ zoals aangegeven in de raming van 30 oktober 2019. Hieraan zijn volgens de deskundige 10,5 dagen besteed (2,5 dagen analyses en berekeningen en circa 8 dagen opstellen rapport), terwijl in de raming van 8 dagen was uitgegaan. Daarnaast wijst de deskundige op e-mail correspondentie met de advocaten, waaronder een discussie over de rol van de deskundige (beantwoord door gerechtshof bij brief van 3 februari 2020). Hieraan heeft de deskundige 0,5 dag besteed.
Voorts heeft de deskundige een nadere specificatie gegeven van de benodigde werkzaamheden om het conceptrapport af te ronden. Het gaat om 9 dagen aan nog te verrichten werkzaamheden, te weten:
- -
Voorbereiding: 1,5 dag (opzet onderzoek, aanvraag aanvullend budget en onderbouwing, voorbereiding velddag)
- -
Nader veldonderzoek op de locatie: 1 dag (in verband met opmerkingen partijen over functioneren oppervlaktewatersysteem, werking drainage, peilronde peilbuizen, enkele boringen)
- -
Uitwerking veldbezoek en berekeningen: 2 dagen
- -
Verwerking resultaten door aanpassing conceptrapport, aanvullende beantwoording vragen gerechtshof, reactie op commentaren van drie partijen: 4,5 dag.
Nadien heeft verdere e-mailcorrespondentie tussen partijen en de deskundige plaatsgevonden. Voor zover deze e-mailcorrespondentie betrekking heeft op het verzoek om een aanvullend voorschot, heeft het hof hierop ook acht geslagen bij de hier te nemen beslissing.
Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige, in reactie op de bezwaren van [appellant] en het Consortium, voldoende toegelicht dat aanvullende werkzaamheden dienen te worden verricht om het deskundigenonderzoek te voltooien en het definitieve deskundigenrapport op te stellen. In dit stadium ziet het hof geen aanleiding om van de begroting van de deskundige af te wijken. Gezien de complexiteit van het onderzoek en de aard van de werkzaamheden, komt het hof het verzochte aanvullende voorschot van € 13.340,= (exclusief BTW) op voorhand niet onredelijk en buitenproportioneel voor. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen zoals in het dictum is bepaald.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
15. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 13.340,= (exclusief BTW);
bepaalt dat partij [appellant] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het aanvullend voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd nader op 11 mei 2021;
verwijst de zaak naar de rol van 8 juni 2021 voor memorie na deskundigenonderzoek, aan de zijde van partij [appellant] ;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2021.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 31‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Arrest in een incident ex artikel 353 jo artikel 223 Rv. Doorkruising deskundigenonderzoek? Artikel 198 lid 3 Rv.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 31 maart 2020
gewezen in het incident ex artikel 353 jo artikel 223 Rv in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,hierna aan te duiden als de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. [Grondexploitatie] Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [het Consortium] ,
3. Grondbedrijf [Beheer I] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [Grondbedrijf II] II B.V.,
5. [Wegen] Wegen B.V.,
6. [Woningbouw] Woningbouw B.V., voorheen [Bouw Zeeland] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats]
geïntimeerden in principaal hoger beroep in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
hierna gezamenlijk aan te duiden als het Consortium,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarresten van 12 januari 2016, 27 maart 2018 en 21 januari 2020 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
11. Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de incidentele memorie houdende provisionele vorderingen ex artikel 353 jo. artikel 223 Rv van [appellant] van 21 januari 2020, met producties;
- -
de incidentele memorie van antwoord van de Gemeente van 4 februari 2020, met producties;
- -
de antwoordmemorie in het incident houdende provisionele vorderingen van het Consortium van 4 februari 2020, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
12. De beoordeling
In het incident
12.1.
Bij het tussenarrest van 27 maart 2018 heeft het hof bepaald dat er een deskundigenonderzoek zal worden verricht door Antea Nederland B.V. (hierna aan te duiden als Antea). Verder is bepaald dat het voorschot van € 13.334,20 voorlopig ten laste van [appellant] komt. De termijn van inzending van het rapport van de deskundige is bepaald op 25 september 2018. Iedere verdere beslissing is aangehouden. [appellant] heeft op 5 april 2018 het voorschot van € 13.334,20 op de aangegeven wijze voldaan.
12.2.
Antea is vervolgens aangevangen met haar werkzaamheden. De heer ir. [personeelslid van de deskundige] heeft namens de deskundige bij brief van 13 juni 2019 aan de griffier van het hof bericht dat de werkzaamheden omvangrijker zijn gebleken dan tevoren was ingeschat. De deskundige heeft voorgesteld om het voorschot aan te vullen met een bedrag van € 17.400,= exclusief BTW (€ 21.054,= inclusief BTW). Bij het tussenarrest van 21 januari 2020 heeft het hof bepaald dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 21.054,= (inclusief BTW). Voorts is bepaald dat [appellant] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk dienstencentrum van de Rechtspraak zal worden verzonden, en is bepaald dat de deskundige het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen.
12.3.
Bij voormelde memorie heeft [appellant] een incident geopend. Aan dit incident ligt allereerst de stelling ten grondslag dat de Gemeente en het Consortium het deskundigenonderzoek frustreren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zij het voornemen hebben aangekondigd verregaande infrastructurele werkzaamheden op de kavels die grenzen aan het perceel van [appellant] te verrichten. Ook meent [appellant] dat hij onmiddellijk in zijn eigendomsrecht en zijn woongenot wordt bedreigd en ook overigens zijn belangen aangetast en ernstig bedreigd worden. Dit betekent een onmiddellijke doorkruising van het door het hof bevolen deskundigenonderzoek, aldus [appellant] .
Ook heeft [appellant] gesteld dat de door het Consortium voorgenomen infrastructurele werkzaamheden op gespannen voet staan met de toezeggingen die door de Gemeente en het Consortium zijn gedaan in het kader van een planologische procedure over twee uitwerkingsplannen. Volgens [appellant] doorkruisen de door de Gemeente en het Consortium in het vooruitzicht gestelde werkzaamheden de toezeggingen die zijn gedaan.
12.4.
[appellant] vordert dat het hof, totdat het geschil in hoger beroep is beslecht, de Gemeente en het Consortium zal verbieden op de percelen tussen de [de straat] , de [straatnaam 1] , de [straatnaam 3] , de [straatnaam 6] en de [straatnaam 5] en ten noorden van de [straatnaam 3] de voorgenomen infrastructurele werkzaamheden te verrichten, de sloten langs de [de straat] en de [straatnaam 1] te [plaats] te dempen en alle overige werkzaamheden die door uw hof zijn bevolen te staken en gestaakt te houden op straffe van een door ieder van verweersters in het incident aan [appellant] te verbeuren dwangsom ter hoogte van € 10.000,= per dag met een maximum van € 500.000,=. Subsidiair vordert [appellant] zodanige voorzieningen te treffen als hof in goede justitie meent te behoren.
12.5.
De Gemeente en het Consortium hebben de vordering van [appellant] gemotiveerd betwist.
12.6.
Het hof zal eerst de stelling van [appellant] bespreken dat de Gemeente en het Consortium het deskundigenonderzoek frustreren. Naar het hof begrijpt, berust deze stelling op de grondslag dat de Gemeente en het Consortium hun medewerkingsverplichting ex artikel 198 lid 3 Rv niet naleven.
12.7.
Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat partijen op grond van artikel 198 lid 3 Rv tot medewerking aan het deskundigenonderzoek verplicht zijn – en dat geldt dus ook voor de Gemeente en het Consortium indien hun medewerking voor de uitvoering van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige noodzakelijk is. Uit een weigering tot medewerking aan het deskundigenonderzoek zal, indien het deskundigenbericht in de procedure wordt overgelegd, de rechter die in het geschil beslist, de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BB5626, rov. 3.6.2 en ECLI:NL:HR:2008:BB3676, rov. 3.5.3).
12.8.
De vordering van [appellant] strekt ertoe dat het hof bij voorbaat gevolgen verbindt aan de door hem gestelde niet-naleving van de medewerkingsverplichting van artikel 198 lid 3 Rv door de Gemeente en het Consortium. Mede gelet op het hiervoor in rov. 12.7 weergegeven stelsel, ziet het hof daarvoor geen aanleiding. Daarbij heeft het ook het volgende in aanmerking genomen.
12.9.
De deskundige heeft een aanvullend voorschot gevraagd en gekregen onder andere opdat hij veldonderzoek kan verrichten. Het veldonderzoek bestaat volgens de toelichting van de deskundige uit zes sonderingen en één diepe boring met twee peilbuizen. Dat de deskundige voor het veldonderzoek inclusief voorbereiding slechts een bedrag van € 2.900,= heeft begroot, duidt erop dat dit veldonderzoek relatief beperkt in omvang is. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente en het Consortium, heeft [appellant] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat, indien het Consortium de voorgenomen infrastructurele werkzaamheden uitvoert, de deskundige het veldonderzoek niet meer kan verrichten en de door het hof aan de deskundige gestelde vragen niet meer kan beantwoorden. Hier komt bij dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat het veldonderzoek niet nodig is omdat er reeds in het voorjaar van 2019 rondom het perceel van [appellant] sonderingen en diepteboringen zijn uitgevoerd en de gegevens daarvan door de deskundige kunnen worden opgevraagd (zie zijn brief van 19 november 2019 en bijlage 1 daarbij).
12.10.
Voorts wist [appellant] vanaf 20 december 2019 van de uit te voeren werkzaamheden (productie 7 overgelegd door [appellant] ). Het hof heeft op 21 januari 2020 bepaald dat [appellant] het aanvullend overschot zal overmaken en dat daarna de deskundige het onderzoek zal voortzetten. [appellant] heeft het aanvullend voorschot niet althans niet tijdig betaald. Voor zover het veldonderzoek niet meer mogelijk is doordat de deskundige zijn werkzaamheden niet heeft voorgezet als gevolg van het feit dat [appellant] het aanvullend voorschot niet (tijdig) heeft betaald, is dit dus (mede) aan [appellant] te wijten.
12.11.
Het hof zal vervolgens ingaan op de stelling van [appellant] dat hij door de werkzaamheden in zijn eigendomsrecht en zijn woongenot wordt bedreigd. In dit verband heeft hij aangevoerd dat sloten langs de [de straat] en de [straatnaam 1] worden gedempt en aangrenzende percelen tot 2 meter boven NAP worden opgehoogd en dat dan de ontwatering van het perceel van [appellant] niet meer is op de wijze als voorzien in het rapport van Arcadis 2015 en de rapportages van Grontmij en Sweco.
12.12.
Naar het oordeel van het hof leidt het voorgaande niet toewijzing van de vordering in het incident. Het hof heeft in deze zaak deskundige voorlichting noodzakelijk geacht om te kunnen beslissen op de vorderingen van [appellant] (in de hoofdzaak). Verwezen wordt naar rov. 3.9.23 van het tussenarrest van 12 januari 2016 en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. In afwachting van het deskundigenbericht zal het hof niet vooruitlopen op een mogelijk gunstige uitkomst van de procedure voor [appellant] . Dit klemt te meer omdat de primaire vordering zeer ruim is geformuleerd, terwijl de subsidiaire vordering te algemeen is.
12.13.
Bovendien kan het hof er op grond van het door [appellant] gestelde niet zonder meer van uitgaan dat zijn belangen aangetast en ernstig bedreigd worden zoals hij meent. Zo blijkt uit de brief waarnaar [appellant] verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen (de door hem overgelegde productie 7) niet dat de sloot aan de [de straat] die grenst aan zijn perceel wordt gedempt of dat de percelen naast zijn erf met twee meter worden opgehoogd. Het Consortium heeft aangegeven (antwoordmemorie, randnummer 21) dat dit ook niet zal gebeuren. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de afwateringsroute vanaf zijn perceel door de onderhavige infrastructurele werkzaamheden in het geding komt. Het Consortium heeft verder aangegeven (antwoordmemorie, randnummer 18) dat de werkzaamheden inmiddels zijn gestart, de situatie 24/7 via de computer wordt gemonitord en de werkzaamheden er tot op heden niet toe hebben geleid dat er onomkeerbare schade ontstaat aan het perceel en de opstallen van [appellant] . Ook heeft het Consortium haar belang toegelicht om de werkzaamheden te kunnen voortzetten. Een belangenafweging valt daarom evenmin in het voordeel van [appellant] uit.
12.14.
Ten slotte hebben zowel de Gemeente als het Consortium voldoende gemotiveerd betwist dat zij toezeggingen hebben gedaan die verhinderen dat het Consortium de onderhavige infrastructurele werkzaamheden uitvoert. Dat zij de door [appellant] gestelde toezeggingen hebben gedaan, staat dan ook niet vast. Het hof ziet geen aanleiding om in het kader van de onderhavige provisionele vordering bewijslevering te gelasten ter zake van betwiste stellingen van [appellant] (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE7005, rov. 3.11).
12.15.
Op grond van het voorgaande zal het hof de vordering van [appellant] in het incident afwijzen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, zoals door de Gemeente en het Consortium gevorderd.
In de hoofdzaak
12.16.
Bij het arrest van 21 januari 2020 is de zaak naar de rol van 28 april 2020 verwezen in afwachting van het deskundigenbericht. Omwille van de duidelijkheid zal het hof deze rolverwijzing in het dictum hierna opnieuw opnemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
13. De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van de Gemeente tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1074,= aan salaris advocaat;
veroordeelt [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van het Consortium tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1074,= aan salaris advocaat;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 28 april 2020 in afwachting van het deskundigenbericht;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en A.L. Bervoets en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 21‑01‑2020
Inhoudsindicatie
deskundigenbericht
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 21 januari 2020
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [appellant] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroephierna: de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. [Grondexploitatie] Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [het Consortium] ,
3. Grondbedrijf [Beheer I] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [Grondbedrijf II] II B.V.,
5. [Wegen] Wegen B.V.,
6. [Woningbouw] Woningbouw B.V., voorheen [Bouw Zeeland] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats]
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geintimeerde 2, 3 en 4] en [geintimeerde 5 en 6] , waarbij [geintimeerde 2, 3 en 4] en [geintimeerde 5 en 6] gezamenlijk ook worden aangeduid als het Consortium,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarresten van 12 januari 2016 en van 27 maart 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
8. Het tussenarrest van 27 maart 2018
Bij tussenarrest van 27 maart 2018 heeft het hof bepaald dat er een deskundigenonderzoek zal worden verricht door Antea Nederland B.V.. Verder is bepaald dat het voorschot van
€ 13.334,20 voorlopig ten laste van [appellant] komt.
De termijn van inzending van het rapport van de deskundige is bepaald op 25 september 2018. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
9. Het verdere verloop van de procedure en de verdere beoordeling
[appellant] heeft op 5 april 2018 het voorschot van € 13.334,20 op de aangegeven wijze voldaan.
De heer ir. [personeelslid van de deskundige] heeft namens de deskundige bij brief van 13 juni 2019 aan de griffier van het hof bericht dat de werkzaamheden omvangrijker zijn gebleken dan tevoren was ingeschat. De deskundige stelt voor om het voorschot aan te vullen met een bedrag van
€ 17.400,= exclusief BTW (€ 21.054,= inclusief BTW). In de brief geeft de deskundige aan dat aanvullende veldopnamen in de vorm van boringen en sonderingen en registratie grondwaterstanden noodzakelijk zijn. De deskundige kan nu nog geen definitieve opzet geven omdat nog niet duidelijk is in hoeverre de benodigde gegevens van de bouw van de woningen aan de [de straat] tegenover het perceel van [appellant] ter beschikking worden gesteld. Tevens geeft de deskundige aan een nadere specificatie te zullen verstrekken als duidelijk is welke werkzaamheden precies verricht moeten worden. De deskundige hoopt uiterlijk 28 juni 2019 meer informatie te hebben over de hiervoor genoemde aanlevering van gegevens.
Tevens heeft de heer [personeelslid van de deskundige] per fax van 13 juni 2019 het verzoek gedaan om een tussentijdse factuur in te mogen dienen van € 13.334,20 (inclusief BTW). Dat bedrag betreft het reeds gestorte voorschot. Daarin is reeds beslist in de begrotingsbeslissing van 30 oktober 2019.
Op 14 juni 2019 heeft de griffier van het hof de brief van 13 juni 2019, waarin de deskundige een aanvullend voorschot vraagt, doorgezonden aan de advocaten van partijen en partijen in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van veertien dagen te reageren op deze verhoging.
Tevens is aan de deskundige verzocht het onderzoek stil te leggen totdat is beslist op het verzoek van de deskundige.
De Gemeente heeft per brief van 21 juni 2019 verzocht om pas op het verzoek tot verhoging van het aanvullend voorschot te mogen reageren totdat Antea het plan van aanpak bekend heeft gemaakt.
[het Consortium] c.s. heeft per brief van 24 juni 2019 laten weten een nauwkeurig inzicht te willen krijgen waar de extra kosten op zien. Tevens ontvangen ze graag een nauwkeuriger inzicht van de werkzaamheden die tot op heden zijn verricht alsmede de resultaten van de verrichte werkzaamheden. Nadat de deskundige zijn toelichting heeft gegeven op hun brief, behoudt [het Consortium] zich het recht voor om op deze toelichting te reageren.
[appellant] heeft per brief van 27 juni 2019 laten weten, het aanvullend voorschot niet aanvaardbaar te vinden. Hij is van mening dat Antea het deskundigenrapport dient uit te brengen voor het reeds gestorte voorschot van € 13.334,20 (inclusief BTW). Hij geeft aan, dat in de brief van de deskundige van 13 juni 2019 geen raming van kosten is opgenomen.
Hij geeft tevens aan, dat er thans in opdracht van het Consortium en/of rechtsopvolgers van de Gemeente en het Consortium werkzaamheden zijn verricht, en dat het niet noodzakelijk is dat die werkzaamheden ook nog eens door de deskundige worden verricht in verband met dubbele werkzaamheden. De deskundige kan de (rechtsopvolgers van de) Gemeente en het Consortium vragen de meetresultaten ter beschikking te stellen.
Verder geeft [appellant] in zijn brief nog aan, dat door het Consortium aan de overzijde van de [de straat] woningen zijn gebouwd waar het Consortium landmeetkundige en sonderingswerkzaamheden heeft verricht. De resultaten zijn in het kader van de bestemmingsplanprocedure en de bouwvergunning door het Consortium en de Gemeente gedeeld. Aan de Gemeente en het Consortium is door Antea gevraagd informatie ter beschikking te stellen. [appellant] geeft aan dat de heer [de feitelijke onderzoeker] had moeten vermelden dat door de Gemeente en het Consortium geen medewerking aan het onderzoek zal worden gegeven in plaats van een aanvullend voorschot te vragen. [appellant] geeft ook nog aan dat door de heer [de feitelijke onderzoeker] van Antea gegevens over het heien bij de Gemeente en het Consortium zijn opgevraagd maar dat deze niet door de heer [de feitelijke onderzoeker] zijn ontvangen.
Op 2 juli 2019 heeft de deskundige per mail laten weten, nog geen informatie over de aanlevering van de gevraagde gegeven zoals is aangegeven in de brief van 13 juni 2019 te hebben ontvangen. Als bijlage heeft de deskundige de e-mailwisseling met de partijen als toelichting bijgevoegd.
Op 2 juli 2019 heeft mr. Gebel namens het Consortium een mail aan de griffier verzonden, met als bijlage een mailbericht aan de heer [de feitelijke onderzoeker] . De reden hiervoor is, dat de door de heer [de feitelijke onderzoeker] gevraagde informatie verkregen dient te worden van een derde partij.
Op 3 juli 2019 is door de heer [de feitelijke onderzoeker] een mail aan de griffier gezonden. Ter completering van het overzicht van de informatie die hij als deskundige van de partijen over dit onderwerp heeft gekregen stuurt hij als bijlage tevens de reactie van de advocaat van [appellant] per e-mail van 18 maart 2019 toe.
Op 11 juli 2019 geeft mr. Gebel namens het Consortium per mailbericht aan, dat hij nog steeds doende is om te trachten de door de deskundige gevraagde informatie te achterhalen. Hij gaat er van uit dat hij uiterlijk begin september aan het hof en de deskundige kan mededelen of de gevraagde informatie verstrekt kan worden.
Op 29 augustus 2019 is door de griffier namens de raadsheer-commissaris een brief aan partijen en de deskundige verzonden. In deze brief verzoekt de raadsheer-commissaris aan de deskundige een beredeneerde onderbouwing te geven van de door hem naar schatting nog aan dit onderzoek te besteden 120 uren, uiterlijk 13 september 2019.
Op 13 september 2019 heeft de deskundige per mail verzocht de aanlevering van de beredeneerde onderbouwing van uren uit te stellen, daar hij rekening moet houden met de informatie die de advocaat van het Consortium zou aanleveren.
Op 27 september 2019 heeft de griffier namens de raadsheer-commissaris een brief aan partijen en de deskundige verzonden met de mededeling dat het hof akkoord is dat de heer [de feitelijke onderzoeker] pas een beredeneerde onderbouwing van het nog aan het onderzoek te besteden 120 uren kan geven nadat hij de informatie heeft ontvangen van de heer Gebel, de advocaat van het Consortium. Het hof wenst deze onderbouwing uiterlijk 31 oktober 2019 te ontvangen. Mocht deze onderbouwing dan niet zijn ontvangen, dan zal het hof de verdere voortgang van de zaak verder beoordelen.
Op 22 oktober 2019 is er e-mailverkeer geweest tussen mr. Gebel en de deskundige (en in “cc” aan het hof) dat het Consortium de door de deskundige gevraagde informatie heeft kunnen achterhalen, samen met een aantal documenten als bijlage.
Per brief van 30 oktober 2019 heeft de deskundige een nadere onderbouwing toegezonden. De raming, inclusief veldwerk bedraagt € 17.400,= exclusief BTW (€ 21.054,= inclusief BTW).
Op 7 november 2019 is de raming met betrekking tot het aanvullend budget voor het deskundigenonderzoek aan partijen toegezonden, en partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop binnen 14 dagen te reageren.
[appellant] heeft per brief van 19 november 2019 gereageerd. Hij is van mening dan voor een aantal activiteiten wel erg veel tijd is begroot.
Samengevat denkt [appellant] dat een totaal te besteden tijd van 60 uur van € 145,= per uur is in totaal € 8.700,= voldoende zou moeten zijn, te vermeerdering met de kosten voor het opvragen van de gegevens van [Ingenieursbureau] Ingenieursbureau en [Geotechniek] Geotechniek. [appellant] geeft aan dat deze firma’s reeds in het voorjaar rondom het perceel van [appellant] sonderingen en diepboringen hebben uitgevoerd en dat deze gegevens door Antea kunnen worden opgevraagd. De daarvoor begrote kosten van € 2.900,= kunnen daarmee grotendeels komen te vervallen.
Het Consortium en de Gemeente hebben geen bezwaren naar voren gebracht.
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof beschikt zelf niet over de deskundigheid om ten volle te kunnen beoordelen of een voorgesteld voorschot (of aanvullend voorschot) al dan niet te ruim is begroot en zal zich dus veelal dienen te beperken tot de vraag of op voorhand het voorgestelde voorschot al dan niet onredelijk kan worden geacht; dan laat onverlet dat bij de uiteindelijke vaststelling van het honorarium ten volle getoetst kan worden of de gedeclareerde uren daadwerkelijk zijn besteed en of deze in redelijkheid hadden kunnen worden besteed. [appellant] stelt in feite een door hem begroot aantal uren tegenover het aantal uren dat de deskundige stelt naar verwachting nodig te hebben. Dat is voor het hof onvoldoende om reeds in dit stadium tot het oordeel te komen dat het aantal begrote extra uren in redelijkheid niet gemaakt zou kunnen worden. Het hof ziet dus geen reden om af te wijken van de begroting door de deskundige.
Het hof zal dienovereenkomstig beslissen zoals in het dictum is bepaald.
Voorts zal het hof een andere raadsheer-commissaris benoemen, nu de eerder benoemde raadsheer-commissaris mr. Brandenburg weliswaar nog steeds als plaatsvervanger aan dit hof is verbonden, doch in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet meer in een vast dienstverband.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
10. De uitspraak
Het hof:
bepaalt dat voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot dient te worden voldaan van € 21.054,= (inclusief BTW);
bepaalt dat partij [appellant] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk dienstencentrum van de Rechtspraak zal worden verzonden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek verder zal voortzetten nadat de griffier heeft bericht dat het aanvullend voorschot is ontvangen;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het aanvullend voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
verwijst de zaak naar de rol van 28 april 2020 in afwachting van het deskundigenbericht;
benoemt met ingang van heden tot raadsheer-commissaris mr. J.P. de Haan.
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, O.G.H. Milar en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 januari 2020.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 27‑03‑2018
Inhoudsindicatie
deskundigenonderzoek
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.163.844/02
arrest van 27 maart 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [appellant] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Boogaard te Middelburg,
tegen
1. Gemeente Middelburg,
zetelend te Middelburg,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroephierna: de Gemeente,
advocaat: mr. R.M. Pieterse te Middelburg
en
2. [Grondexploitatie] Grondexploitatie C.V., mede zaakdoende onder de naam Consortium [het Consortium] ,
3. Grondbedrijf [Beheer I] Beheer I B.V.,
4. Grondbedrijf [Grondbedrijf II] II B.V.,
5. [Wegen] Wegen B.V.,
6. [Woningbouw] Woningbouw B.V., voorheen [Bouw Zeeland] Bouw Zeeland B.V.,
alle kantoorhoudende te [kantoorplaats]
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geintimeerde 2, 3 en 4] en [geintimeerde 5 en 6] , waarbij [geintimeerde 2, 3 en 4] en [geintimeerde 5 en 6] gezamenlijk ook worden aangeduid als het Consortium,
advocaat mr. R.G. Gebel te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 januari 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg onder zaaknummer C/02/268154/HA ZA 13-614 gewezen vonnis van 29 oktober 2014.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 12 januari 2016;
- -
de akte na tussenarrest van [appellant] van 22 maart 2016, met producties 16 tot en met 22;
- -
de antwoordakte van de Gemeente van 13 september 2016;
- -
de antwoordakte van het Consortium van 13 september 2016.
Het hof heeft het incomplete dossier van de eerste aanleg gecompleteerd met de conclusies van antwoord zoals deze in eerste aanleg door de Gemeente resp. het Consortium waren genomen, zoals deze conclusies deel uitmaakten van het schaduwdossier van de voorzitter ten behoeve van het pleidooi van 18 september 2015.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
6. De verdere beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest.
6.1.1.
Naar aanleiding van het tussenarrest is gecorrespondeerd tussen (de advocaat van) [appellant] , zulks naar aanleiding van de constateringen van het hof als omschreven in het tussenarrest hoofdstuk 2, tweede alinea; het hof zag geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal waar het gaat om de al dan niet bij gelegenheid van het pleidooi door mr. Boogaard voorgedragen gedeelten van zijn pleitnota. De voorzitter had immers gedurende het pleidooi in het op voorhand aan hem overhandigde exemplaar van de pleitnota van mr. Boogaard nauwkeurig aantekening gehouden van welke passages wel, en welke passages niet waren voorgedragen en de constateringen in hoofdstuk 2 van het tussenarrest vormen daarvan de neerslag. Het hof heeft het exemplaar van de pleitnota van mr. Boogaard, zoals door deze overhandigd aan de voorzitter, andermaal vergeleken met hoofdstuk 2 van het tussenarrest; dit behoeft in zoverre correctie dat bij controle blijkt dat de laatste volzin van 5.26 van de pleitnota (Geïntimeerden zijn dan ook … etc.) wel is voorgedragen.
6.1.2.
Voorts is gecorrespondeerd omtrent het toestaan van tussentijds cassatieberoep; het hof heeft dit verzoek afgewezen.
6.1.3.
In zijn akte merkt [appellant] het proces-verbaal als “non-existent” aan; de wet kent dit begrip niet. Van nietigheid van het tussenarrest op deze grond is dus evenmin sprake.
6.2.
In feite valt het geschil in twee delen uiteen: een geschil tussen [appellant] en de Gemeente in verband met de rechten welke [appellant] pretendeert op basis van “de Overeenkomst”, en een geschil tussen [appellant] enerzijds en de Gemeente en het Consortium anderzijds waarbij de overlast en schade welke door de werkzaamheden rondom het perceel van [appellant] optreden - het gaat daarbij vooral om wateroverlast, maar ook om schade als gevolg van trillingen - aan de orde is.
6.2.1.
Omtrent het eerste geschilpunt heeft het hof in het tussenarrest reeds in bindende eindbeslissingen overwogen dat de aanspraken van [appellant] op basis van “de Overeenkomst” niet voor toewijzing in aanmerking komen.
6.2.2.
Mitsdien is nog slechts het tweede geschilpunt aan de orde. Dit heeft betrekking op door [appellant] ondervonden overlast en schade. In elk geval gaat het daarbij om “water(over)last”; of dit een adequate term is komt verderop aan de orde. Ook gaat het om trillingen en zettingen; ook dit komt verderop aan de orde.
6.3.
Vragen:
6.3.1.
[appellant] heeft een aantal vragen geformuleerd, waaronder als vraag k), betrekking hebbende op nog uit te voeren werkzaamheden.Het hof acht dit een relevante vraag. Volgens het Consortium gaat deze vraag uit van aannames, maar het hof vermag dit niet in te zien. Wel zal de deskundige enkel rekening dienen te houden met die voorgenomen, doch nog niet uitgevoerde werkzaamheden, waarvan met een voldoende mate van zekerheid gesteld kan worden dat van de uitvoering daarvan kan worden uitgegaan.
6.3.2.
De Gemeente heeft in randnummer 40. van haar antwoordakte aanvullende vragen voorgesteld. Het hof zal de eerste vraag in de diverse andere vragen verwerken. Ook de tweede vraag (welke het causaal verband betreft) komt in de overige vragen tot uiting.
6.3.3.
Voor het overige komen de opmerkingen en suggesties van partijen hierna bij de diverse deelonderwerpen aan de orde.
6.4.
Hoogte van de percelen en hoogteverschillen
6.4.1.
Het hof heeft in het tussenarrest tien vragen geformuleerd, hierna te nummeren I tot en met X (zulks ter onderscheiding van de door partijen gehanteerde nummeringen).
6.4.2.
Vragen I, II en III hebben enkel betrekking op de hoogte van de percelen, zowel de absolute hoogte als de relatieve hoogte ten opzichte van elkaar, en de wijzigingen daarvan.
6.4.3.
Alle partijen hebben commentaar geleverd op deze vragen. Volgens [appellant] dienen deze in het geheel niet gesteld te worden; de Gemeente en het Consortium stellen gewijzigde vragen voor.
6.4.4.
Volgens [appellant] treedt het hof met deze vragen buiten de grenzen van het geschil, aangezien de gegevens omtrent de hoogtes en de veranderingen daarin vast zouden staan, in elk geval tussen partijen vast zouden staan.
6.4.5.
Het hof ziet zich gesteld voor de volgende situatie.
6.4.6.
In 1992 hebben er hoogtemetingen door de Gemeente plaats gevonden (prod. 11 inleidende dagvaarding). De werkzaamheden zijn aangevangen, zo begrijpt het hof, in of omstreeks 2005. Het ware wenselijk geweest dat er beschikt had kunnen worden over de hoogtes van het maaiveld in 2005, maar die gegevens zijn nu eenmaal niet voorhanden. Hoogtegegevens anno 2015 (of 2017) zijn wel voorhanden althans kunnen worden verkregen. In die situatie is het de vraag of een vergelijking van de gemeten hoogtes in 2015 of 2017 met de gegevens uit 1992 een voldoende duidelijk beeld geeft van de veranderingen sedert de aanvang van de werkzaamheden. Dat is enkel het geval indien er voldoende aanwijzingen voorhanden zijn dat de hoogtegegevens van 2005 (of daaromtrent) niet substantieel afweken van die van 1992.
6.4.7.
Anders dan [appellant] stelt bestaat daaromtrent tussen partijen geen eenstemmigheid. Zie r.o. 3.9.17 van het tussenarrest: het Consortium verdedigt een andere opvatting. Vooralsnog is het hof het daar niet mee eens, maar daarover dient de deskundige te rapporteren.
6.4.8.
Het is niet ondenkbaar - het Consortium wijst daar terecht op in zijn antwoordakte sub 8 - dat de te benoemen deskundige vraag I niet zal kunnen beantwoorden. Dat ligt in de vraagstelling besloten.
6.4.9.
De Gemeente meent dat er uitgegaan dient te worden van de gegevens van 1992, niet die van 2005. Dat is niet juist. Voor de beoordeling van de gedragingen van de Gemeente en/of het Consortium is van belang welke veranderingen in de hoogte er zijn opgetreden vanaf het begin van de werkzaamheden in of omstreeks 2005. Als vastgesteld kan worden dat deze substantieel afweken van de hoogtegegevens van 1992, is dat relevante informatie.
6.4.10.
Overigens geeft het tekstvoorstel zoals door de Gemeente met betrekking tot vraag I - hierna: vraag 1.) geformuleerd het hof aanleiding tot aanpassing van de vraagstelling.
1. De hoogtemetingen van 1992 strekken tot uitgangspunt. Kunt u - hetzij aan de hand van dossieronderzoek, hetzij aan de hand van gegevens in het veld, hetzij aan de hand van andere feiten en omstandigheden (zo ja, welke?) - vaststellen wat de hoogte van de percelen (dat wil zeggen: het huisperceel van [appellant] en de percelen in het omringende gebied tussen de [het perceel] , de [straatnaam 3] en de [straatnaam 5] ) was in 2002 en 2005? Zijn er aanwijzingen voorhanden waaruit volgt dat de hoogte van de percelen voor de aanvang van de werkzaamheden vanaf 2005 in substantiële mate – zeg: meer dan 5 à 10 cm – afweek van de hoogte in 1992, en zo ja, in welke mate?
6.4.11.
Naar aanleiding van de opmerkingen van partijen zal het hof vraag II - hierna: vraag 2. - formuleren als volgt, en daar een vraag 3. aan toevoegen:
2. Kunt u - uitgaande enerzijds van uw bevindingen met betrekking tot vraag 1, en anderzijds aan de hand van waarnemingen en metingen in het veld - constateren of rondom de huiskavel van [appellant] ophogingen hebben plaatsgevonden, ten opzichte van 2005 (dan wel, indien geen concrete gegevens met betrekking tot 2005 en/of 2002 bekend zijn kunnen worden, ten opzichte van 1992); zo ja, op welke percelen of perceelsgedeelten, in welke mate, en door wie?
3. Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: tot welke wijzigingen in de onderlinge verhouding van de hoogtewaarden zoals die voorheen golden op het huisperceel ten opzichte van de omliggende percelen heeft dat geleid; wilt u hierbij onderscheid maken tussen de diverse omringende percelen, elk voor wat betreft de wijzigingen in de hoogteverschillen tussen elk van die percelen en het huisperceel van [appellant] ?
6.4.12.
Overigens bevat randnummer 10 van de antwoordakte van het Consortium, vierde alinea, een dubbele ontkenning; het hof neemt aan dat het Consortium bedoelt te stellen dat - anders dan [appellant] stelt in zijn akte sub 29 - het enkele feit dat er verhogingen zijn aangebracht geen onrechtmatig handelen impliceert. Aldus gelezen is het standpunt van het Consortium in elk geval ten dele juist. Het hof komt daarop terug.
6.5.
Gevolgen van de hoogteverschillen en/of de (eventuele) wijzigingen daarin
6.5.1.
Vraag IV heeft betrekking op de gevolgen daarvan voor de toestroom of de afstroom van water.
6.5.2.
Daarbij dienen enkele opmerkingen vooraf te worden gemaakt.Het hof is ondeskundig op het gebied van hydrologie. Vandaar dat, met de nodige voorbehouden, slechts enkele algemene opmerkingen kunnen worden gemaakt.Water in de grond kan van boven komen (regenwater, zakwater) dan wel zijdelings, onder de grond, toestromen. In de grond bevinden zich (vaak) verschillende watervoerende lagen, op (sterk) verschillende dieptes. Via die watervoerende lagen kan horizontaal water worden aangevoerd; overigens zal het daarbij niet zelden gaan om water dat ooit door neerslag op en in de bodem is gekomen. Het hof neemt aan - doch als deze aanname onjuist is dient de deskundige daarover te rapporteren - dat de werkzaamheden welke in dit geding aan de orde zijn of zijn geweest, niet tot verstoring van “diepere” grondwaterstromen hebben geleid (hoeveel dieper laat zich hier niet kwantificeren) maar kan niet uitsluiten dat werkzaamheden als de onderhavige - waarbij, naar het hof begrijpt, sloten zijn gedempt of afgedamd, andere sloten zijn gegraven, en ophogingen (daargelaten wanneer, door wie en in welke mate) zijn aangebracht, niet alleen tot wijziging van de aan- of afvoer van water aan het oppervlak, maar ook tot wijzigingen in de aan- of afvoer van water in de ondiepe ondergrond hebben geleid.
6.5.3.
Het Consortium bepleit dat het door het hof in de oorspronkelijke vraagstelling gehanteerde begrip “ondiepe ondergrond” nader gedefinieerd moet worden, en wel op een diepte van (ten hoogste, neemt het hof aan) 20 meter. De Gemeente gaat uit van 25 meter. Het hof had vooral het oog op een diepte welke niet veel meer dan de gebruikelijke diepte van een kelder of fundering zou reiken, zeg: 5 meter of daaromtrent. Het hof is evenwel van oordeel dat dit aan de deskundige overgelaten dient te worden. Welke conclusies daaraan later verbonden dienen te worden is dan aan het hof.
6.5.4.
Het Consortium stelt dat enkel ophogingen aan de orde zijn, en niet andere infrastructurele werken. Dit is niet juist. Het moge zo zijn dat het hof, inderdaad, in het tussenarrest zich heeft geconcentreerd op ophogingen, maar andere infrastructurele werkzaamheden zijn daarbij wel aangestipt en in elk geval in eerdere stadia van de procedure aan de orde gekomen. Daarbij gaat het in het bijzonder ook om het dempen, afdammen en/of aanleggen van sloten, het (volgens [appellant] ) blokkeren of ongedaan maken van bestaande drainage, en het aanleggen van riolering en (andere) drainage. Als het hof deze buiten beschouwing zou laten zou het gevaar bestaan dat op basis van onvoldoende feitelijke onderbouwing beslissingen zouden worden genomen. Het hof zal een aanvullende vraag opnemen. De vragen worden genummerd als 4. en 5. Voorts voegt het hof een vraag 6. toe, zulks naar aanleiding van de door [appellant] - overigens in verband met trillingen - geformuleerde vraag h.
4. Kunt u vaststellen of door de (eventuele) wijzigingen van de hoogtes van de omringende percelen en/of het huisperceel, dan wel de (eventuele) wijzigingen in de onderling bestaande hoogteverschillen - alles zoals bedoeld in vragen 2 en 3 - wijzigingen zijn ontstaan in het patroon van toestroom, afwatering en ontwatering: aan de oppervlakte, direct onder de oppervlakte (zeg: tot 5 meter onder het maaiveld), en op grotere diepte (voor zover waterstromingen op grotere diepte van invloed zijn op de waterhuishouding aan de oppervlakte of direct daaronder), en zo ja, welke? Kunt u zich hierbij toespitsen op wijzigingen in de hoogtes welke het gevolg zijn van werkzaamheden uitgevoerd door of voor rekening van de Gemeente dan wel het Consortium?
5. Kunt of vaststellen of door andere infrastructurele werken - zoals het afdammen van sloten, het afsluiten of anderszins buiten werking stellen van drainage, het graven van nieuwe sloten, het aanbrengen van nieuwe riolering en drainage, dan wel andere werkzaamheden - wijzigingen zijn ontstaan als omschreven in de voorgaande vraag? Kunt u zich hierbij toespitsen op infrastructurele werkzaamheden uitgevoerd door of voor rekening van de Gemeente dan wel het Consortium?
6. Kunt u vast stellen of door werkzaamheden als omschreven in vragen 4. en 5. ter plaatse van de huiskavel (sterk, in elk geval sterker dan gebruikelijk) wisselende grondwaterstanden zijn opgetreden?
6.5.5.
Vraag V - hierna vernummerd tot vraag 7 - behelst een uitwerking van vragen 4. en 5. Terwijl die vragen in het algemeen betrekking hebben op “wijzigingen” in het gedrag van het water ter plaatse, ziet vraag 6. op de specifieke effecten voor de huiskavel van [appellant] , meer in het bijzonder op de toename van de waterbelasting, hetzij door een grotere toestroom, hetzij door een verminderde afstroom. Vraag 7 zal worden aangepast aan de hand van suggesties van, vooral, het Consortium.
7. Indien de vragen 4. en 5. bevestigend worden beantwoord: zou zulks, bij afwezigheid van specifieke maatregelen om dit tegen te gaan, hebben zullen of kunnen leiden tot een grotere toestroom naar de huiskavel van [appellant] of een geringere afstroom van die huiskavel, van regenwater of grondwater (direct onder de oppervlakte dan wel op grotere diepte) dan voorheen? Kunt u dit onderbouwen aan de hand van in uw vakgebied algemeen geldende inzichten en/of onderzoeken? Kunt u de toegenomen toestroom van water of afgenomen afstroming van water kwantificeren?
6.5.6.
Vraag VIII wordt door het hof naar voren gehaald en genummerd als vraag 8. De vraag is nader uitgewerkt, vooral aan de hand van opmerkingen van het Consortium. De toevoeging is ontleend aan vraag a) van [appellant] .
8. Bestaat er op het moment waarop het onderzoek werd uitgevoerd een reëel gevaar voor toegenomen belasting met water van het huisperceel van [appellant] als gevolg van toestromend regen- of grondwater c.q. als gevolg van beperktere mogelijkheid van afstroming van regen- of grondwater, alles vergeleken met de situatie omstreeks 2005? Hebt u aanwijzingen waaruit blijkt dat zich in het recente verleden - na 2005 - dergelijke gevaren reëel hebben gemanifesteerd?
6.5.7.
Vraag VI, hierna vraag 9, heeft betrekking op de door Arcadis voorgestelde maatregelen. Terecht merkt de Gemeente deze vraag op dat het niet alleen om de door Arcadis voorgestelde, maar ook overigens getroffen of te treffen algemene en specifieke maatregelen gaat. Vraag VII, hierna vraag 10, vloeit rechtstreeks uit de daaraan voorafgaande vraag voort.
9. Zijn de door Arcadis voorgestelde maatregelen, in samenhang met de overigens reeds uitgevoerde of voorgenomen algemene en specifieke maatregelen, afdoende om een toegenomen belasting met water van het huisperceel van [appellant] , als gevolg van overtollig toestromend regen- of grondwater (of als gevolg van de beperktere mogelijkheid van afstroming van regen- of grondwater) te voorkomen? Zo neen, wat dient - en kan redelijkerwijze - dan tegen die toegenomen waterbelasting te worden ondernomen?
10. Zijn de door Arcadis voorgestelde werkzaamheden – voor zover deze al, gelet op het stadium waarin de bouw verkeert, aan de orde zijn – daadwerkelijk en correct uitgevoerd?
6.6.
De volgende vragen hebben tot onderwerp hoeveel “last” of “hinder” [appellant] daarvan feitelijk heeft ondervonden. Daarbij bezigt het hof deze termen in een neutrale betekenis: in een dichtbevolkt land als Nederland is niet te vermijden dat werkzaamheden van de buren tot enige, soms zelfs permanente hinder leiden. Een beperkte mate van hinder heeft men te dulden.Overeenkomstig de suggestie van het Consortium heeft het hof voor zoveel mogelijk het begrip “overlast” vermeden aangezien dit een kwalificatie in zou kunnen houden. Eerst dient zo concreet mogelijk te worden vast gesteld of en zo ja in welke mate [appellant] meer “last” - de term is volstrekt neutraal bedoeld - had van water dan voorheen; daarbij kan het gaan om last van water door overstromingen van delen van zijn perceel, maar ook om optrekkend vocht, en zelfs om schade door, bijvoorbeeld, verzakkingen indien en voor zover deze zouden zijn te herleiden tot een wijziging van de waterstand (ongeacht op welke diepte die wijziging zich voordeed).Bij deze vragen betrekt het hof voorts de door [appellant] onder a) tot en met e) voorgestelde vragen, voor zover die niet reeds aan de orde zijn gekomen.
11. Hebt u aanwijzingen dat in het recente verleden - na 2005 - op het huisperceel van [appellant] meer hinder door overstromingen, blank staande percelen, optrekkend vocht, of door vergelijkbare watergerelateerde incidenten is opgetreden dan voordien; zo ja, kunt u dit zo concreet mogelijk omschrijven en waar mogelijk met getallen onderbouwen?
12. Zo de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: in hoeverre is aannemelijk of waarschijnlijk dat zodanige toegenomen hinder herleid kan worden tot werkzaamheden als hiervoor omschreven, voor zover de Gemeente c.q. het Consortium daarvoor verantwoordelijk was?
13. Wat zijn de gevolgen van deze, eventuele, toegenomen hinder, dat wil zeggen: is daardoor schade aan opstallen en/of beplantingen of ander nadeel ontstaan, en zo ja, welk? Wanneer is die schade ontstaan en waaruit bestaat die schade?
14. Zo drie voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord: wat kan redelijkerwijze worden ondernomen tegen de toename van de hinder als omschreven in vraag 10. c.q. het optreden van schade als omschreven in vraag 11??
6.7.
Trillingen
6.7.1.
[appellant] heeft naast vragen die op wateroverlast betrekking hebben ook vragen voorgesteld welke betrekking hebben op “trillingen”. Volgens het Consortium kunnen vorderingen die daarop betrekking hebben nu niet meer aan de orde worden gesteld en zijn vragen daaromtrent dus niet aan de orde.
6.7.2.
Ook al heeft bij de stellingen van [appellant] , inderdaad, de nadruk gelegen op wateroverlast, door hem is tevens gesteld dat er sprake is van schade door zettingen als gevolg van ophogingen op naburige percelen, alsmede van trillingen door werkzaamheden. Die werkzaamheden zijn overigens door [appellant] niet gespecificeerd. In het algemeen is de aandacht welke aan trillingen wordt besteed vrij beperkt gebleven, maar [appellant] maakte daarvan reeds gewag in de inleidende dagvaarding sub 13, 17 en 18. Ook in het rapport van Grontmij (prod. 19 in eerste aanleg), bladen 4 en 5 van 26, wordt hier reeds, zij het summier, op gewezen.
6.7.3.
De Gemeente refereert in haar cva sub 63 kort aan trillingen, en het Consortium in haar cva in randnrs. 14 en 19.
6.7.4.
De rechtbank stipt in haar r.o. 3.2.2 het standpunt van [appellant] met betrekking tot trillingen aan. Tot slot komen in r.o. 4.5 de trillingen ook aan de orde.
6.7.5.
Trillingen kwamen dus ook in eerste aanleg, zij het nog vrij summier, aan de orde. Ofschoon de trillingen ook in hoger beroep nog steeds een minder prominente rol spelen dan de overlast door water of schade door zettingen, samenhangende met ophogingen en dergelijke, heeft [appellant] in appel zijn stellingen met betrekking tot trillingen verder uitgewerkt en toegelicht. Het hof verwijst naar randnummer 5 (waarin over heiwerkzaamheden wordt gesproken), randnrs. 9, 10, 45, 56 (waarin wordt gesproken over een alternatieve vorm van heien), 58 (heien), 61, 63, en 69 van de appeldagvaarding tevens houdende grieven; de opsomming is niet uitputtend.
6.7.6.
Het hof heeft in het tussenarrest nog geen of weinig aandacht besteed aan schade door trillingen, of het nu gaat om trillingen welke indirect optreden als gevolg van het feit dat er wijzigingen in de ter plaatse bestaande situatie zijn ontstaan (ophogingen zijn aangebracht, sloten zijn gedempt of juist gegraven) dan wel op trillingen welke direct door de werkzaamheden zijn optreden (heien, rijden met zware machines in de buurt van het pand). Dat betekent niet dat het hof dat in dit stadium ook niet behoeft of zou mogen doen. Dat de door [appellant] in zijn akte na tussenarrest sub 10 onder f. tot en met i. geformuleerde vragen niet aan de orde zouden kunnen komen is dus niet juist.
6.7.7.
De Gemeente heeft in dit verband nog opgemerkt dat het hof zelf heeft overwogen zich vooralsnog te zullen concentreren op eventuele overtreding van art. 5:39 BW. Dit berust op een te beperkte lezing van r.o. 3.8.6. Het aldaar overwogene dient bezien te worden in verband met de diverse door [appellant] aangevoerde grondslagen zoals omschreven in r.o. 3.8.3 onder a) tot en met e); het hof zal zich voor wat betreft de wateroverlast concentreren op art. 5:39 BW, grond a), en dus vooralsnog niet op de gronden als omschreven in r.o. 3.8.3 sub b) tot en met e)). Immers, eerst moet bezien worden wat er feitelijk omtrent de wateroverlast vaststaat vooraleer aan de juridische grondslag van enige daarmee samenhangende vordering kan worden toegekomen. Daarmee heeft het hof evenwel niet bedoeld te overwegen dat trillingen niet aan de orde zouden komen.
6.7.8.
[appellant] stelt in verband met de trillingen een viertal vragen voor.
6.7.9.
De eerste vraag houdt in of op het woonerf sprake “is” van trillingen.Het onderzoek is echter een momentopname terwijl het bij trillingen, naar het hof voorkomt, vrijwel altijd zal gaan om incidenten; de kans dat daadwerkelijk trillingen zullen worden waargenomen is dus vrij klein.Bovendien wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen trillingen als gevolg van bepaalde activiteiten welke op dàt moment plaatsvinden (met name heien, rijden met zware grondverzetmachines) en trillingen welke plaatsvinden op een moment dat er in het geheel geen activiteiten plaats vinden, bijvoorbeeld als gevolg van schoksgewijs optredende zettingen van grondophogingen; de stellingen van [appellant] houden in dat ook daarvan sprake zou zijn geweest.Overigens zij opgemerkt dat veelal de “trillingen” niet anders dan uit de gevolgen zullen kunnen worden afgeleid.
6.7.10.
Het hof formuleert in plaats van vragen f) tot en met i) van [appellant] de navolgende vragen.
15. Zijn er aanwijzingen voorhanden - zo ja, welke - dat zich sedert de aanvang van de werkzaamheden in of omstreeks 2005 tot heden trillingen als gevolg van in de nabijheid plaatsvindende werkzaamheden (heien, rijden met zware machines) hebben voorgedaan, met schade aan opstallen en/of beplantingen tot gevolg.?
16. Zijn er aanwijzingen voorhanden - zo ja, welke - dat zich sedert de aanvang van de werkzaamheden in of omstreeks 2005 tot heden trillingen als gevolg van ophogingen en/of andere uitgevoerde infrastructurele werkzaamheden, al dan niet leidende tot zettingen, hebben voorgedaan, met schade aan opstallen en/of beplantingen tot gevolg? Wanneer is die schade ontstaan en waaruit bestaat die schade?
17. Zijn er aanwijzingen voorhanden dat trillingen als hiervoor bedoeld zich nog steeds voordoen?
18. Bestaat er aanleiding voor de vrees dat bij voortgezette werkzaamheden zich wederom dergelijke trillingen, met mogelijke schade als gevolg, zullen of kunnen voordoen? Zo ja, op welke wijze kunnen die trillingen dan voorkomen, vermeden of verminderd worden, c.q. kan de kans op schade verminderd worden?
19. Zijn er aanwijzingen voorhanden waaruit blijkt dat de samenhang van (eventueel) optredende waterbelasting, voor zover deze groter was dan voor 2005, met (eventueel) optredende trillingen als bedoeld in vragen 14. en 15. heeft bijgedragen tot het ontstaan van schade dan wel de kans op het ontstaan van schade vergroot?
6.8.
Hiervoor stipte het hof reeds aan dat vraag k) een relevante vraag is. Het hof (her-) formuleert deze als volgt.
20. Kunt u aan de hand van stukken, dan wel aan de hand van informatie van de Gemeente en/of het Consortium nagaan welke infrastructurele werkzaamheden - bedoeld wordt: enkel die werken welke van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding ter plaatse - naar alle verwachting nog zullen worden uitgevoerd? Wat zijn de te verwachten gevolgen daarvan voor het huisperceel van [appellant] , in het bijzonder (doch niet uitsluitend) ten aanzien van een eventuele toename van waterbelasting van dat perceel?
6.9.
[appellant] heeft verder nog als vragen geformuleerd:
Zijn de bebouwingsmogelijkheden van het woonerf met woningen, zonder het nemen van aanvullende maatregelen (zoals ophoging van het woonerf), door de infrastructurele werken verminderd?Zo ja, welke aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk teneinde bebouwing van het woonerf met woningen mogelijk te maken en welke kosten zijn aan deze noodzakelijke aanvullende maatregelen verbonden?
6.9.1.
Met deze vragen wordt het processuele debat in ontoelaatbare mate uitgebreid. De bebouwingsmogelijkheid van het huisperceel was onderwerp van de verwijten aan het adres van, vooral, de Gemeente in verband met de gesloten overeenkomst. Dat de ophogingen en andere infrastructurele werkzaamheden in technisch opzicht de mogelijkheden van bebouwing van het huisperceel belemmeren of beperken is onvoldoende toegelicht. De vraag zal derhalve niet worden overgenomen.
6.10.
[appellant] stelt voorts de volgende vraag voor:
Welke schade heeft [appellant] geleden als gevolg van de (water)overlast en op welk bedrag kan deze schade becijferd worden?;
6.10.1.
Het hof is voornemens een deskundige op het gebied van de waterhuishouding aan te zoeken. Als regel zal deze niet gespecialiseerd zijn in schadebegrotingen als die waarop deze vraag ziet. Bovendien verkeert de zaak thans nog pas in het stadium van het beoordelen van de gedragingen van de Gemeente en/of het Consortium. [appellant] heeft (dan ook) slechts vergoeding van schade, op te maken bij staat gevorderd. De voorgestelde vraag zal dus niet worden gesteld.
6.11.
Ten slotte stelt [appellant] als vraag voor:
Heeft u nog verdere suggesties teneinde overlast en schade op het woonerf te voorkomen?
6.11.1.
Het hof acht deze vraag te algemeen en zal deze niet overnemen; het hof neemt overigens aan dat als de deskundige daar aanleiding toe ziet, hij eigener beweging hieromtrent wel opmerkingen zal maken.
6.12.
De Gemeente had nog als vraag voorgesteld:
Kan aangetoond worden dat op de huiskavel van [appellant] in 1992, althans vóór 2002 en vóór uitvoering van de werkzaamheden (2005), nimmer sprake is geweest van structurele wateroverlast, dat wil zeggen ook niet op lager gelegen gedeelten van de huiskavel.
6.12.1.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Uitgangspunt is dat [appellant] de feitelijke grondslagen van zijn vorderingen dient te bewijzen. Als [appellant] daarin, op het eerste gezicht, zou slagen, kan datgene wat in deze vraag aan de orde wordt gesteld eventueel in het kader van tegenbewijs aan de orde komen.
6.13.
Het hof heeft een vraag geformuleerd omtrent een vooropname. [appellant] vindt deze overbodig; het Consortium meent dat deze niet gesteld dient te worden. Het betreft echter een louter feitelijke vraag welke de deskundige kan beantwoorden; het hof loopt daarmee niet op enige beslissing vooruit.
6.14.
De te benoemen deskundige:
6.14.1.
[appellant] stelt voor: [de voorgestelde deskundige door appellant] , Oranjewoud of Grontmij.
6.14.2.
De gemeente stelt voor: TNO of [adves- en ingenieursbureau ] .
6.14.3.
Het Consortium stelt voor: Oranjewoud (tegenwoordig Antea) maar maakt bezwaar tegen [de voorgestelde deskundige door appellant] of Grontmij.
6.14.4.
Grontmij is eerder als partijgetuige opgetreden en diens benoeming ligt niet voor de hand. Het Consortium twijfelt aan de expertise van [de voorgestelde deskundige door appellant] en deze wordt door geen van de andere partijen genoemd. Het hof zal deze niet benoemen.De verwijzing naar TNO acht het hof veel te algemeen, gelet op het grote aantal onderzoekinstituten dat daaraan is verbonden.
6.14.5.
Dan resteren Antea/Oranjewoud en [adves- en ingenieursbureau ] . Deze behoren beide tot de grotere gerenommeerde advies- en ingenieursbureaus.
6.14.6.
Weliswaar kunnen de belangen van de Gemeente en het Consortium uit elkaar lopen, vooralsnog zijn de tegenstellingen tussen [appellant] enerzijds en de Gemeente en het Consortium anderzijds groter. Tegen die achtergrond bestaat er geen bezwaar tegen de benoeming van een gerenommeerd bureau waarmee zowel [appellant] als het Consortium hebben ingestemd doch waarover de Gemeente zich niet heeft uitgelaten. Het hof Oranjewoud, thans Antea, benoemen tot deskundige. Het hof begrijpt dat ir. [feitelijk onderzoeker] het feitelijke onderzoek, althans de coördinatie daarvan op zich zal nemen.
6.15.
Het voorschot ten behoeve van de deskundige:
6.15.1.
Het hof heeft in het tussenarrest bepaald dat het voorschot voor gelijke delen (“de helft”) door elk van partijen zou worden betaald. In de visie van het hof konden hierbij de geïntimeerden 2 tot en met 6 - “het Consortium” - tezamen worden genomen, maar dan nog heeft het hof in dit verband verzuimd aandacht te besteden aan het gegeven dat er dan nog altijd twee partijen tegenover [appellant] stonden: de Gemeente en het Consortium. In de visie van het hof zou dan [appellant] de helft, en de Gemeente en het Consortium elk een kwart van het voorschot moeten voldoen.
6.15.2.
Het Consortium maakt daartegen bezwaar en bij nader inzien is dat bezwaar terecht. Reden om de gedaagde (deels) met het voorschot te belasten kan onder omstandigheden daarin gevonden worden, dat de onrechtmatige gedraging reeds vast staat, maar dat is nu juist nog niet het geval. Overeenkomstig de hoofdregel dient dan [appellant] het gehele voorschot te voldoen.
6.15.3.
[appellant] meent dat hij juist het voorschot niet behoeft te voldoen omdat het Consortium en/of de Gemeente stelselmatig allerlei voorschriften hebben overtreden. Dat staat nu juist nog niet vast. De bewijslast ligt niet bij het Consortium en/of de Gemeente, maar bij [appellant] . Dat laat onverlet dat als het gaat om het bewijs van schade - met name: de afwezigheid van fysieke schade aan de opstallen vóór de aanvang van de werkzaamheden - mogelijk geen al te hoge eisen kunnen worden gesteld.
6.15.4.
[appellant] dient dus het voorschot te betalen; in zoverre komt het hof terug van het tussenarrest.
7. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de navolgende vragen:
1. De hoogtemetingen van 1992 strekken tot uitgangspunt. Kunt u - hetzij aan de hand van dossieronderzoek, hetzij aan de hand van gegevens in het veld, hetzij aan de hand van andere feiten en omstandigheden (zo ja, welke?) - vaststellen wat de hoogte van de percelen (dat wil zeggen: het huisperceel van [appellant] en de percelen in het omringende gebied tussen de [het perceel] , de [straatnaam 3] en de [straatnaam 5] ) was in 2002 en 2005? Zijn er aanwijzingen voorhanden waaruit volgt dat de hoogte van de percelen voor de aanvang van de werkzaamheden vanaf 2005 in substantiële mate – zeg: meer dan 5 à 10 cm – afweek van de hoogte in 1992, en zo ja, in welke mate?
2. Kunt u - uitgaande enerzijds van uw bevindingen met betrekking tot vraag 1, en anderzijds aan de hand van waarnemingen en metingen in het veld - constateren of rondom de huiskavel van [appellant] ophogingen hebben plaatsgevonden, ten opzichte van 2005 (dan wel, indien geen concrete gegevens met betrekking tot 2005 en/of 2002 bekend zijn kunnen worden, ten opzichte van 1992); zo ja, op welke percelen of perceelsgedeelten, in welke mate, en door wie?
3. Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: tot welke wijzigingen in de onderlinge verhouding van de hoogtewaarden zoals die voorheen golden op het huisperceel ten opzichte van de omliggende percelen heeft dat geleid; wilt u hierbij onderscheid maken tussen de diverse omringende percelen, elk voor wat betreft de wijzigingen in de hoogteverschillen tussen elk van die percelen en het huisperceel van [appellant] ?
4. Kunt u vaststellen of door de (eventuele) wijzigingen van de hoogtes van de omringende percelen en/of het huisperceel, dan wel de (eventuele) wijzigingen in de onderling bestaande hoogteverschillen - alles zoals bedoeld in vragen II en III - wijzigingen zijn ontstaan in het patroon van toestroom, afwatering en ontwatering: aan de oppervlakte, direct onder de oppervlakte (zeg: tot 1 meter onder het maaiveld), en op grotere diepte (voor zover waterstromingen op grotere diepte van invloed zijn op de waterhuishouding aan de oppervlakte of direct daaronder), en zo ja, welke? Kunt u zich hierbij toespitsen op wijzigingen in de hoogtes welke het gevolg zijn van werkzaamheden uitgevoerd door of voor rekening van de Gemeente dan wel het Consortium?
5. Kunt of vaststellen of door andere infrastructurele werken - zoals het afdammen van sloten, het afsluiten of anderszins buiten werking stellen van drainage, het graven van nieuwe sloten, het aanbrengen van nieuwe riolering en drainage, dan wel andere werkzaamheden - wijzigingen zijn ontstaan als omschreven in de voorgaande vraag? Kunt u zich hierbij toespitsen op infrastructurele werkzaamheden uitgevoerd door of voor rekening van de Gemeente dan wel het Consortium?
6. Kunt u vast stellen of door werkzaamheden als omschreven in vragen 4. en 5. ter plaatse van de huiskavel (sterk, in elk geval sterker dan gebruikelijk) wisselende grondwaterstanden zijn opgetreden?
7. Indien de vragen 4. en 5. bevestigend worden beantwoord: zou zulks, bij afwezigheid van specifieke maatregelen om dit tegen te gaan, hebben zullen of kunnen leiden tot een grotere toestroom naar de huiskavel van [appellant] of een geringere afstroom van die huiskavel, van regenwater of grondwater (direct onder de oppervlakte dan wel op grotere diepte) dan voorheen? Kunt u dit onderbouwen aan de hand van in uw vakgebied algemeen geldende inzichten en/of onderzoeken? Kunt u de toegenomen toestroom van water of afgenomen afstroming van water kwantificeren?
8. Bestaat er op het moment waarop het onderzoek werd uitgevoerd een reëel gevaar voor toegenomen belasting met water van het huisperceel van [appellant] als gevolg van toestromend regen- of grondwater c.q. als gevolg van beperktere mogelijkheid van afstroming van regen- of grondwater, alles vergeleken met de situatie omstreeks 2005? Hebt u aanwijzingen waaruit blijkt dat zich in het recente verleden - na 2005 - dergelijke gevaren reëel hebben gemanifesteerd?
9. Zijn de door Arcadis voorgestelde maatregelen, in samenhang met de overigens reeds uitgevoerde of voorgenomen algemene en specifieke maatregelen, afdoende om een toegenomen belasting met water van het huisperceel van [appellant] , als gevolg van overtollig toestromend regen- of grondwater (of als gevolg van de beperktere mogelijkheid van afstroming van regen- of grondwater) te voorkomen? Zo neen, wat dient - en kan redelijkerwijze - dan tegen die toegenomen waterbelasting te worden ondernomen?
10. Zijn de door Arcadis voorgestelde werkzaamheden – voor zover deze al, gelet op het stadium waarin de bouw verkeert, aan de orde zijn – daadwerkelijk en correct uitgevoerd?
11. Hebt u aanwijzingen dat in het recente verleden - na 2005 - op het huisperceel van [appellant] meer hinder door overstromingen, blank staande percelen, optrekkend vocht, of door vergelijkbare watergerelateerde incidenten is opgetreden dan voordien; zo ja, kunt u dit zo concreet mogelijk omschrijven en waar mogelijk met getallen onderbouwen?
12. Zo de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: in hoeverre is aannemelijk of waarschijnlijk dat zodanige toegenomen hinder herleid kan worden tot werkzaamheden als hiervoor omschreven, voor zover de Gemeente c.q. het Consortium daarvoor verantwoordelijk was?
13. Wat zijn de gevolgen van deze, eventuele, toegenomen hinder, dat wil zeggen: is daardoor schade aan opstallen en/of beplantingen of ander nadeel ontstaan, en zo ja, welk? Wanneer is die schade ontstaan en waaruit bestaat die schade?
14. Zo drie voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord: wat kan redelijkerwijze worden ondernomen tegen de toename van de hinder als omschreven in vraag 10. c.q. het optreden van schade als omschreven in vraag 11??
15. Zijn er aanwijzingen voorhanden - zo ja, welke - dat zich sedert de aanvang van de werkzaamheden in of omstreeks 2005 tot heden trillingen als gevolg van in de nabijheid plaatsvindende werkzaamheden (heien, rijden met zware machines) hebben voorgedaan, met schade aan opstallen en/of beplantingen tot gevolg.?
16. Zijn er aanwijzingen voorhanden - zo ja, welke - dat zich sedert de aanvang van de werkzaamheden in of omstreeks 2005 tot heden trillingen als gevolg van ophogingen en/of andere uitgevoerde infrastructurele werkzaamheden, al dan niet leidende tot zettingen, hebben voorgedaan, met schade aan opstallen en/of beplantingen tot gevolg? Wanneer is die schade ontstaan en waaruit bestaat die schade?
17. Zijn er aanwijzingen voorhanden dat trillingen als hiervoor bedoeld zich nog steeds voordoen?
18. Bestaat er aanleiding voor de vrees dat bij voortgezette werkzaamheden zich wederom dergelijke trillingen, met mogelijke schade als gevolg, zullen of kunnen voordoen? Zo ja, op welke wijze kunnen die trillingen dan voorkomen, vermeden of verminderd worden, c.q. kan de kans op schade verminderd worden?
19. Zij er aanwijzingen voorhanden waaruit blijkt dat de samenhang van (eventueel) optredende waterbelasting, voor zover deze groter was dan voor 2005, met (eventueel) optredende trillingen als bedoeld in vragen 14. en 15. heeft bijgedragen tot het ontstaan van schade dan wel de kans op het ontstaan van schade vergroot?
20. Kunt u aan de hand van stukken, dan wel aan de hand van informatie van de Gemeente en/of het Consortium nagaan welke infrastructurele werkzaamheden - bedoeld wordt: enkel die werken welke van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding ter plaatse - naar alle verwachting nog zullen worden uitgevoerd? Wat zijn de te verwachten gevolgen daarvan voor het huisperceel van [appellant] , in het bijzonder (doch niet uitsluitend) ten aanzien van een eventuele toename van waterbelasting van dat perceel?
21. Is het in zaken als de onderhavige voorgeschreven of gebruikelijk dat een vooropname in verband met potentieel op te treden schade wordt uitgevoerd?
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
Antea Nederland B.V,
[adres]
[postcode] [vestigingsplaats]
[e-mailadres]
[telefoonnummer]
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op vier maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 13.334,20, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat de griffier een specificatie van het voorschot bij het afschrift van dit arrest meezendt aan de advocaten van partijen;
bepaalt dat partij [appellant] laatstgenoemd bedrag zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
benoemt mr. J.M. Brandenburg tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
verwijst de zaak naar de rol van 25 september 2018 in afwachting van het deskundigenbericht;
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, O.G.H. Milar en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 maart 2018.
griffier rolraadsheer