Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/1.5:1.5 Afbakening
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/1.5
1.5 Afbakening
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602964:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Miljoenennota 2008, www.minfin.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek is beperkt tot verbondenheid in het belastingrecht. Er wordt wel ingegaan op de wijze waarop verbondenheid is omschreven in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht, jaarrekeningenrecht en het personen- en familierecht, maar dit dient slechts als toetsingskader voor de beantwoording van de fiscaalgerichte probleemstelling.
Voorts is het onderzoek beperkt tot het Nederlandse belastingstelsel, en in het bijzonder tot begrippen in de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting, loonbelasting, overdrachtsbelasting en het successie- en schenkingsrecht. Hierbij heeft een rol gespeeld dat in de desbetreffende belastingwetten veel verschillende verbondenheidsbegrippen kunnen worden gevonden. Dit neemt niet weg dat gelieerdheid ook van belang is voor andere belastingen en voor de premieheffing voor de sociale verzekeringen. Zo wordt bijvoorbeeld in art. 5.4 Regeling Wfsv een concernbenadering gehanteerd. Voorts wordt in art. 3a Uitv.besl. BPM en art. 26a Uitv.reg. MRB gesproken van ‘inwonende gezinsleden’. Het aantal begrippen in andere belastingwetten is echter beperkt. Bovendien wordt in deze wetten vaak verwezen naar verbondenheidsbegrippen in belastingwetten die onderwerp zijn van deze studie. In art. 2.2 Regeling Wfsv wordt bijvoorbeeld het begrip ‘partner’ als bedoeld in art. 1.2 Wet IB 2001 gehanteerd. In vergelijkbare zin wordt voor de inhoudingsvrijstellingen in art. 4 lid 1 Wet DB 1965 verwezen naar het deelnemingsbegrip en de ‘fiscale eenheid’ in de zin van de Wet VPB 1969. Voorts wordt in art. 36s onderdeel g onder 1° WBM voor het concernbegrip in de onlangs geïntroduceerde verpakkingen-belasting aangesloten bij de ‘fiscale eenheid’ in de zin van art. 7 lid 4 Wet OB 1968.
De afbakening tot de genoemde belastingen heeft als bijkomend voordeel dat deze voor de meeste fiscalisten en niet-fiscalisten bekend zijn: de opbrengst van deze belastingen vormt het grootste gedeelte van de rijksinkomsten.1 Door de beperking kan het onderzoek een grotere waarde hebben voor de praktijk. Ten slotte heeft de omvang van het werk een rol gespeeld bij de afbakening.
Er is niet gekozen voor een volledige vergelijking met één of meer andere jurisdicties, omdat de verschillende regelingen waarin verbondenheid een rol speelt hiervoor te divers zijn. Bij de beschrijving van begrippen en regelingen die met name een internationaal-fiscaalrechtelijke betekenis hebben, zoals de ‘vaste inrichting’ en het onderscheid tussen transparante en non-transparante samenwerkingsverbanden, worden uiteraard wel de internationale aspecten behandeld. De beschrijving van deze begrippen in het Nederlandse belastingstelsel kan hierbij niet op zichzelf worden bezien. In dit verband besteed ik ten aanzien van de aanbevelingen met betrekking tot de omschrijving van verbondenheid in de Wet OB 1968 ook aandacht aan de vraag of deze passen in de BTW-richtlijn 2006.
Zoals eerder is opgemerkt, bestaan er tientallen verschillende verbondenheidsbegrippen in fiscale regelingen. Rekening houdend met de hiervoor beschreven afbakening, beoog ik alle wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen te behandelen. Bij de analyses beperk ik mij tot de definitie van die begrippen. Het geheel wordt in hoofdstuk 12 afgesloten met een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen.
De werking van de fiscale regelingen zelf komt slechts summier aan bod. Bij de beschrijving van het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 ga ik bijvoorbeeld niet nader in op de details van de renteaftrekbeperkingen waarvoor dit begrip onder meer is bedoeld. Het gaat mij slechts om de omschrijving van de gelieerdheid met inachtneming van de aard en functie van de desbetreffende regeling.