Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.4.4
7.4.4 Art. 24, lid 1, OESO-modelverdrag
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300817:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In 1990 hebben Frankrijk en Zweden een nieuw belastingverdrag gesloten dat het oude heeft vervangen.
Zie G. Blanluet, ‘Thin Capitalisation and Non-Discrimination’, European Taxation, January/ February 1991, p. 56 en B. Gouthiere, ‘Thin Capitalization Rules and the Non-Discrimination Principle’, European Taxation, 2002/4, p. 161.
In de zaak Florifood, waarin een Belgische moedervennootschap een lening had verstrekt aan haar Franse dochtervennootschap, heeft een lagere Franse rechter beslist dat de Franse regels tegen onderkapitalisatie niet in strijd zijn met de non-discriminatiebepaling van het belastingverdrag tussen Frankrijk en België. Zie O. Roumelian, ‘The End of French Thin Capitalization Rules?’, Intertax 2003-6/7, p. 246.
Art. 24, lid 1, OESO-modelverdrag verbiedt discriminatie naar nationaliteit. Deze bepaling zal in het algemeen niet de toepassing kunnen verhinderen van een nationale beperking van de aftrek van rente nu dergelijke maatregels doorgaans niet differentiëren naar nationaliteit.
De vraag of de Franse regels tegen onderkapitalisatie in strijd waren met art. XIV van het protocol bij het oude1 belastingverdrag tussen Frankrijk en Zweden, een bepaling die discriminatie naar nationaliteit verbood, is in 1990 aan de orde geweest in de zaak SAS France. In dat geval had een Zweedse moedervennootschap een lening verstrekt aan haar Franse dochtervennootschap. De Conseil d’Etat oordeelde dat deze bepaling niet de toepassing kon verhinderen van de Franse regels tegen onderkapitalisatie. Ter motivering van dit oordeel wees de Conseil d’Etat erop dat art. XIV van het protocol bij het oude Zweeds-Frans belastingverdrag niet tegenover de Franse fiscus kon worden ingeroepen door een Franse vennootschap. Deze bepaling beschermde namelijk uitsluitend Zweedse vennootschappen die in Frankrijk werden onderworpen aan een zwaardere belasting dan vergelijkbare vennootschappen.2, 3