HR, 28-03-2014, nr. 13/03361
ECLI:NL:HR:2014:688
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2014
- Zaaknummer
13/03361
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:688, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3285, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑03‑2014
- Vindplaatsen
V-N 2014/16.12 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2014/9.4
FED 2014/53 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
PFR-Updates.nl 2014-0074
NTFR 2015/36
NTFR 2014/1078 met annotatie van Mr. C.A.H. Luijken
FutD 2014-0707
Viditax (FutD) 2014032808
Uitspraak 28‑03‑2014
Partij(en)
28 maart 2014
nr. 13/03361
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 juni 2013, nr. 11/00549, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/5349) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur voor zover betrekking hebbend op de belastingaanslag vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, belanghebbende ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar en de aanslag gehandhaafd zoals die bij de uitspraak op bezwaar ambtshalve door de inspecteur is verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft tegen een koopsom van ƒ 16.319,92 als verzekeringnemer een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met als ingangsdatum 1 januari 2000 en met als einddatum 31 december 2005. Deze verzekering is de voortzetting van een met aanvangsdatum 23 december 1985 gesloten verzekering.
3.1.2.
In een vanaf 13 november 2006 raadpleegbaar renseignement is aan de Belastingdienst medegedeeld dat op de onderhavige polis (hierna: de polis) op 11 september 2006 een bedrag van € 6758 is uitgekeerd.
3.1.3.
Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur – in afwijking van de aangifte voor het jaar 2006 – ter zake van de polis een bedrag van € 6758 tot belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning gerekend.
3.1.4.
In afwijking van de informatie in het hiervoor in 3.1.2 bedoelde renseignement, heeft uitbetaling van het verzekerde bedrag aan belanghebbende niet in 2006 plaatsgevonden, maar in 2012. De lijfrenteclausule is niet ten uitvoer gelegd.
3.2.
Voor het Hof was in geschil of de waarde die de polis op de expiratiedatum had (€ 6758) behoort tot het belastbare inkomen uit werk en woning van 2006.
3.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de lijfrenteclausule niet ten uitvoer is gelegd niet meebrengt dat heffing bij expiratie moet plaatsvinden, maar in dat geval moet plaatsvinden in het jaar waarin de redelijke termijn afloopt waarbinnen die tenuitvoerlegging zou moeten geschieden. Daarbij is het volgens het Hof niet van belang of en wanneer na het verstrijken van de redelijke termijn daadwerkelijk tot uitbetaling door de verzekeraar is overgegaan.
3.3.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de redelijke termijn waarbinnen de lijfrenteclausule ten uitvoer had moeten worden gelegd in ieder geval op 31 december 2006 verstreken was. Hieruit volgt volgens het Hof dat de Inspecteur de waarde van de polis terecht in het belastbare inkomen uit werk en woning over het jaar 2006 heeft begrepen.
3.3.3.
Tegen deze oordelen richten zich de klachten.
3.4.
De klachten falen. De hiervoor onder 3.3.1 weergegeven oordelen zijn juist. Het hiervoor onder 3.3.2 vermelde oordeel met betrekking tot de redelijke termijn in het onderhavige geval geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2014.
Beroepschrift 28‑03‑2014
Betreft : Zaaknummer F 13/03361 beroep in cassatie na uitspraak in zaak BK /BK-AMS 11 / 00549 door Gerechtshof Amsterdam.
Geachte Hoge Raad,
Motivering van het beroep in cassatie.
De uitspraak van Gerechtshof Amsterdam bestaat uit een 8 aantal onderdelen.
Het bestaat uit:
- 1.
ontstaan en loop van het geding.
- 2.
Feiten
- 3.
Het oordeel van de rechtbank
- 4.
Geschil in het hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep
- 5.
Beoordeling van het hoger beroep.
- 6.
Beoordeling van het incidenteel hoger beroep.
- 7.
Kosten
- 8.
Beslissing in het hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep.
Punt 1. Klopt niet. Zo is het niet ontstaan.
De polis [001] is een voorloper van eerdere polissen. De polis is voor het eerst in december1985 gekocht bij Rabobank [A-STRAAT 1][Q] Dit staat ook op polis. Na 1985 is de polis bij Rabobank en niet bij [C] in 1990, in 1995 en 2000 nog 3 keer verlengd. De polis is niet gekocht bij [C], maar bij Rabobank in [Q]. Rabobank [Q] is ergens tussen 2000 en 2005 opgeheven. De polis expireerde op 31 december 2005. Op 31 december 2005 bestond kantoor Rabobank [Q] niet meer. Rabobank is verantwoordelijk en aansprakelijk voor de sluiting en niet [X] of [C] Omdat de polis van [X] bij Rabobank was gekocht. Rabobank is niet failliet, dus ik moet bij Rabobank zijn en niet bij [C]. Rabobank heeft zorgplicht. In ieder geval hoorde Rabobank mij te informeren over de sluiting en waar mijn polis is ondergebracht. Ik heb gemerkt dat Rabobank en [C] onder een hoedje operen om de aansprakelijkheid af te schuiven. Zij verklaarden [X] dood om [X] niet uit te betalen. Puur maffia praktijken. Ik kan niet worden afgerekend op een brief van (…). Ik ken [C] niet. Ik heb [C] niet betaald. Ik ken Rabobank en heb Rabobank betaald om mijn polis te laten in orde te brengen. Dus Het Gerechtshof heeft valse aannames gedaan. Het onderzoek was belabberd, er werden bijna vragen gesteld door Het Gerechtshof.
Punt 2. Feiten.
Punt 2.2 is geen feit, deze moet eruit. Ik ken geen [C]. Ik ken Rabobank. Ik heb Rabobank betaald en niet [C]. Dus brieven van [C] heb ik niets mee te maken. Overigens heeft [C] geen brieven gestuurd. [X] was al dood verklaard. Heeft [C] brieven naar dode mensen gestuurd? Overigens als dit waar is, waar moest dode [X] dan zijn?
Punt 2.3.is gelogen. [X] heeft op 11 september 2006 niets ontvangen. Dit heeft de inspecteur gedaan om eigen fouten af te dekken.
Zie bijlage, brief naar Rabobank [R]. van 9 mei 2007 op blad 2. Bewijzen over uitbetaling zijn bij Rechtbank Haarlem en bij Het Gerechtshof niet overlegd. Er was uitdrukkelijk gevraagd om bewijzen op tafel te leggen.
De polis 40889101 is aan de belastinginspecteur 2 keer voorgelegd om te mogen te verlengen. De belastinginspecteur heeft toen gezegd, dit is geen zaak voor de Belastingdienst, maar een zaak tussen [X] en Rabobank. Tussen [X] en Rabobank en niet tussen [X] en [C]. Dan had de belastinginspecteur de aanslag kunnen opleggen. Een kopie van de brief van de Belastingdienst bijgedaan. De Belastingdienst heeft een brief van [C] bij gedaan en Het Gerechtshof heeft klakkeloos overgenomen.
Er wordt nogmaals om bewijzen gevraagd.
Punt 3. Het oordeel van de rechtbank.
Punt 3.3. Met [C] heeft [X] niets mee te maken. [X] kent [C] niet. [X] heeft te maken met Rabobank.
[X] heeft geen polis uitkering in 2006 ontvangen, dus kan er geen belasting worden betaald. Als belasting moet worden betaald, dan over 2005.
De belastinginspecteur had de mogelijkheid om de aanslag in 2005 of later toen aan de belastinginspecteur om verlenging werd gevraagd een aanslag op te leggen. Dat geld was immers in 2005 beschikbaar en niet in 2006 beschikbaar of uitbetaald. Daarom geen aanslag in 2006.De belastinginspecteur vond beledigingen uit delen aan [X] belangrijker dan een correctie aanslag opleggen. Eigen schuld, dikke bult. Fouten van Rabobank en de belastinginspecteur moet niet bij [X] gehaald worden. [X] heeft Rabobank niet opgeheven.
Dus de belastingdienst moet niet bij zijn. Ik had wel over 2005 belasting betaald.
Punt 4.Geschil in het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep.
Niet alle punten waren correct behandeld in Rechtbank Haarlem. Daarom heb ik Het Gerechtshof in Amsterdam gebeld om punten op te voeren, die niet correct waren afgehandeld. Dit mocht volgens het griffier. Nu zegt Het Gerechtshof, dit mag niet. Ik voel mij wel tekort gedaan.
Waar is de motivering? Hoe kan de griffier wel zeggen, je kan je punten opvoeren en de rechter zegt, het kan niet. Ik ben wel benadeeld en behoorlijk ook. Neem nou de middeling maar.
Punt 5.Beoordeling van het hoger beroep.
Punt 5.3 is de grootste onzin wat er staat. Dit moest Het Gerechtshof juist onderzoeken. Het Gerechtshof heeft vele registers ter beschikking.
Kan Het Gerechtshof niet nagaan of Rabobank [Q] is opgeheven en dat er nu krakers in wonen.
Hoe moest [X] aan Rabobank [Q] kenbaar maken als dat kantoor op 31 december 2005 niet meer bestaat? Rabobank heeft zorgplicht. Rabobank dient te informeren. Dit doet Rabobank niet gratis. [X] heeft aan Rabobank betaald om die diensten uit te voeren. Hier kan [X] gerust zeggen: Het Gerechtshof is partijdig.
Op gronden die [X] in 5.3 heeft aangevoerd kunnen 5.4,5.5,5.6 en 5.7 van tafel.
Punt 6.Beoordeling van het incidenteel hoger beroep
Zie punt 4
Punt 7.Kosten
Niet eens. Door de fouten van de Belastingdienst en het getreiter van de Belastingdienst heeft mij dit vele uren gekost.
En Het Gerechtshof zegt, dit mag van het Hof.
Punt 8.Beslissing in het hoger beroep en incidenteel hoger beroep.
Niet eens.
Samenvatting.
Waarom een samenvatting?
Bij het lezen van de uitspraak van Het Gerechtshof waren de feiten ver te zoeken.
Ik heb niets aan onwaarheden. Ik heb ook niemand belazerd. Ik zal het Rabobank dossier ook meenemen. Van waarheidsvinding heb ik niets gemerkt. Het gaat toch om eerste plaats om waarheidsvinding.
Hoe kan de waarheidsvinding gevonden worden bij mensen die je dood verklaren?
[X] koopt in 1985 voor zijn oude dag een koopsompolis bij Rabobank [Q].
[X] en gezin worden met koek en koffie binnengehaald.
De polis wordt in 1990,1995 en 2000 verlengd bij Rabobank [Q].
Ergens tussen 2000 en 2005 wordt kantoor Rabobank [Q] opgeheven.
[X] wordt niet op de hoogte gesteld van de sluiting van het kantoor. Het was toch een polisje.
[X] belt Rabobank [R] om de polis te verlengen. [B] van Rabobank [R] zou dit in orde maken. Dit gebeurt niet.
[X] belt Rabobank [S] om de polis te verlengen. Polis wordt niet verlengd. Er wordt brieven geschreven naar de belastinginspecteur om de polis te verlengen. De belastinginspecteur zegt, het is een zaak tussen [X] en Rabobank en geen aangelegenheid van de Belastingdienst. Polis wordt niet verlengd en niet uitbetaald. De belastinginspecteur in [U] heeft meer tijd om sneren uit te delen aan [X] dan een correctie aanslag op te leggen.
In 2009 legt de inspecteur op de lijfrente een aanslag op over 2006. De polis zou op 11 september 2006 zijn uitbetaald. In werkelijkheid is de polis niet uitbetaald in 2006. Er worden betalingsbewijzen gevraagd aan de Belastingdienst. Tot heden is er geen bewijs van betaling geleverd.
Er worden nogmaals om betalingsbewijzen gevraagd.
Rabobank en [C] verklaren [X] dood om de polis achter over te drukken. [X] is niet dood.
Rabobank en [C] geven elkaar de schuld. Intussen wordt op mijn dood gewacht. Chronisch zieke [X] nog niet dood en gaat achter zijn geld.
[X] gaat naar Rabobank Nederland in[T] naar VEB en naar de AFM.
Uiteindelijk krijgt [X] zijn geld terug zonder rente en minder dan de inleg in 2012.
[X] heeft dus niemand belazerd. [X] is belazerd.
Uiteindelijke motivering.
De belastinginspecteur is naar Rabobank gegaan en heeft dossier [X], zonder toestemming van [X] opgevraagd.
Dit dossier is omstreden. Rabobank en [C] zien [X] liever dood dan levend. [X] was al dood verklaard om niet uit te betalen.
Dit omstreden dossier is ingediend bij Het Gerechtshof Amsterdam. Dit kan echt niet. En Het Gerechtshof Amsterdam gaat hierin mee. Schandalig.
Ik heb dus redenen genoeg om in cassatie te gaaa. En [X] heeft Rabobank niet gesloten. De schuld moet niet bij [X] gelegd worden.
De belastinginspecteur is 2 keer benaderd in 2007 een keer [X] en een keer door Rabobank [R] om de polis laten verlengen.
Dat [X] de regels niet kent, is enigszins voor te stellen. Dat de inspecteur de regels niet kent, is niet voor te stellen De inspecteur had de aanslag over 2005 in 2007 kunnen opleggen en de uitbetaling laten deblokkeren.