Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/2.1.6:2.1.6 De rompovereenkomst
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/2.1.6
2.1.6 De rompovereenkomst
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300639:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Blei Weissmann, BI, aant. 61.
Vgl. HR 18 maart 1994, NJ 1995, 744 (Linguamatics/Polyglot).
HR 29 mei 1998, NJ 1999, 98 (Mooijman/Netjes).
Schoordijk 1998, p. 427-431.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De (huur)koopovereenkomst in het arrest De Velde/De Wilt is naar mijn oordeel een goed voorbeeld van wat in de literatuur wordt aangeduid met het begrip "rompovereenkomst".1 Het betreft een overeenkomst die rechtens nog niet "perfect" is, die nog lacunes bevat, die nog moeten worden ingevuld.
Overigens is het begrip "rompovereenkomst" geen wettelijk begrip en heeft het ook volgens de rechtspraak geen vastomlijnde betekenis.2 Naast de benaming rompovereenkomst vindt men in de praktijk nog tal van andere aanduidingen,
zoals: principeovereenkomst, beginselakkoord, deelovereenkomst of zelfs conceptovereenkomst, maar ook deze begrippen hebben geen vastomlijnde betekenis en het gebruik hiervan vormt in de praktijk dan ook vaak aanleiding tot geschillen. Ik beperk mij in dit boek tot de aanduiding "rompovereenkomst".
Dat het hiervoor bedoelde onderscheid zeer casuïstisch is en dat de scheidslijn in de praktijk vaak moeilijk te trekken valt, blijkt onder meer uit het arrest Mooijman/Netjes.3 In de zaak die tot dit arrest leidde was de casus als volgt. Bouwbedrijf Netjes B.V. ("Netjes") had omstreeks 1990 de realisatie van 44 luxe villa's in Amstelveen in uitvoering. Tijdens de bouw vond in oktober 1990 op het kantoor van Netjes tussen haar en Mooijman Interieur B.V. ("Mooijman") een bespreking plaats over een alternatieve aanbieding voor de kopers van voormelde villa's, bestaande uit een door Mooijman te leveren en aan te brengen serre op het terras van de woningen. Deze bespreking resulteerde er onder meer in dat:
Netjes brochures voor de serres van Mooijman ten behoeve van de kopers in haar showroom had neergelegd;
Mooijman de voor de serres benodigde bouwvergunningen had aangevraagd en verkregen op basis van een bestaande doch door haar aangepaste tekening van Netjes;
Mooijman 10 serres rechtstreeks aan kopers van de woningen had verkocht;
Netjes bij deze woningen ten behoeve van de serres de navolgende bouwkundige aanpassingen had uitgevoerd;
de tuinmuur aan de zijkant van de serre was verlengd van 3 meter tot 3,30 meter;
deze was als spouwmuur uitgevoerd;
de terrasvloer was op isolatie gestort; en
in de achtergevel waren loodslabben aangebracht.
Mooijman had bij 10 woningen serres aangebracht nadat deze woningen door Netjes aan de kopers waren opgeleverd. Tussen Mooijman en Netjes gold dat Netjes de bijkomende bouwkundige aanpassingen zou verrichten voor eigen rekening.
De door Netjes uit te voeren aanpassingen schoten evenwel te kort. Mooijman achtte zich tegenover de kopers van de serres verplicht de ontstane euvels, (zoals vochtvorming) voor eigen rekening te verhelpen en vorderde de in dat verband door haar gelede schade van Netjes. Primair legde Mooijman een overeenkomst tussen haar en Netjes aan haar vorderingen ten grondslag en subsidiair een door Netjes gepleegde onrechtmatige daad. Tussen Mooijman en Netjes was, aldus Mooijman sprake van een samenwerkingsovereenkomst, ondanks dat geen verrekeningen of beloningen waren overeengekomen.
Het hof, in navolging van de rechtbank, kwam tot de conclusie dat tussen Mooijman en Netjes geen overeenkomst was tot stand gekomen. Het hof overwoog daartoe dat het enkele feit dat Netjes zich bereid getoond had om brochures van Mooijman in haar showroom neer te leggen om aldus de aspirant-kopers van de villa's op de mogelijkheid van de aanbouw van een serre te attenderen, niet betekende dat zij met Mooijman een samenwerkingsverband was aangegaan waarbij zij zich jegens Mooijman had verplicht om ervoor te zorgen dat de bouwkundige voorzieningen zodanig waren dat die serres probleemloos geplaatst konden worden. Dat Netjes bij het aanbrengen van een deel van de specifieke voorzieningen die nodig waren om de serres te kunnen plaatsen, gebruik had gemaakt van een door Mooijman verschafte tekening maakte dit aldus het hof niet anders. Mooijman had geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgens het hof zou kunnen blijken dat Netjes zich niet alleen jegens de kopers, maar ook tegenover Mooijman had verplicht om bepaalde bouwkundige voorzieningen te treffen aan de villa's.
In cassatie overwoog de Hoge Raad dat vooropgesteld moet worden dat
"de vraag in hoeverre twee partijen die met het oog op hun overeenkomsten met derden ter zake van door hen te bouwen voorzieningen zich feitelijk in een zekere mate van samenwerking begeven, geacht moeten worden om ook onderling een overeenkomst te hebben gesloten, slechts kan worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarvan de waardering in belangrijke mate feitelijk van aard is. Het oordeel van het hof komt hierop neer dat de stellingen van Mooijman te dezer zaken onvoldoende zijn voor het aannemen van een dergelijke overeenkomst. Het hof heeft daarbij de belangrijkste door Mooijman aangevoerde omstandigheden uitdrukkelijk vermeld, maar heeft kennelijk geoordeeld dat alle door haar ingeroepen feiten en omstandigheden, ook in onderling verband beschouwd, nog niet tot de conclusie leiden dat een overeenkomst als door Mooijman gesteld, is tot stand gekomen."
Wel was de Hoge Raad, anders dan het hof, van mening dat er in casu sprake was van een zodanige feitelijke samenwerking dat Netjes niet alleen jegens haar contractuele wederpartijen — de kopers van de woningen — maar ook op grond van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, jegens Mooijman gehouden was om de bouwkundige aanpassingen deugdelijk uit te voeren, waaruit voortvloeide dat zij in geval van niet-nakoming van deze verplichtingen de door Mooijman dientengevolge gelede schade diende te vergoeden.
Schoordijk4 heeft zich, m.i. terecht, de vraag gesteld of de uitkomst van deze casus voor hetzelfde geld niet ook heel anders had kunnen zijn in dier voege dat wel een overeenkomst had kunnen worden aangenomen. Daarbij wijst Schoordijk erop dat het feit dat Netjes zich richtte tot de kopers, toch een gevolg is van de obligatoire afspraken tussen Mooijman en Netjes waarbij werkplannen met tijdschema's een indice vormen voor samenwerking en er sprake is van diverse afspraken "op de werkvloer". Voorts wijst Schoordijk er op dat partijen gelijk gerichte belangen hadden. Mooijman kreeg op deze wijze voeten aan de grond in de bouwmarkt en Netjes heeft betoogd dat het op deze manier voor haar eenvoudiger was om de villa's aan de man te brengen.
Stel nu, getransponeerd naar de problematiek die onderwerp vormt van dit boek, dat Netjes, nadat de kopers van de villa's de serres bij Mooijman hadden besteld, geweigerd zou hebben om de bouwkundige aanpassingen, nodig voor het kunnen installeren van de serres, uit te voeren, stellende dat zij daartoe niet contractueel gehouden was, om vervolgens ieder contact met Mooijman af te breken. Het hof heeft aangenomen dat er tussen partijen geen (samenwerkings)overeenkomst tot stand is gekomen, maar zouden de feiten zoals die aan deze casus ten grondslag lagen dan wellicht wel de conclusie hebben kunnen wettigen dat Mooijman Netjes had kunnen dwingen om door te onderhandelen op de grondslag dat bij haar het rechtens relevante vertrouwen had postgevat dat een vorm van samenwerkingsovereenkomst uit de gevoerde besprekingen zou resulteren? De gedachtegang van het hof volgend, moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Het hof concludeert immers dat er, kort gezegd, sprake was van een enkele feitelijke samenwerking, maar dat partijen kennelijk niet de wil hebben gehad om daartoe een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan, zodat — die redenering doorzettend ook nimmer op enig moment een gerechtvaardigd vertrouwen bij Mooijman heeft kunnen postvatten dat aannemelijk was dat enigerlei vorm van samenwerkingsovereenkomst uit de besprekingen met Netjes zou resulteren. Geheel bevredigend lijkt de redenering van het hof dan ook niet. Dit temeer niet in het licht van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest Vogelaar/Skil (zie hfdst. 3, par. 3.3.3) en dat erop neerkomt dat rechtens relevant vertrouwen als hiervoor bedoeld ook voort kan vloeien uit de situatie dat partijen anders dan door contractonderhandelingen betrokken zijn bij het maken van afspraken, zelfs, zo meen ik, indien die afspraken bestaan uit feitelijk op elkaar afgestemde gedragingen, zoals in casu toch evident het geval was.