HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1810, NJ 2020/29, rov. 2.6.
HR, 23-09-2025, nr. 24/03038 Br
ECLI:NL:HR:2025:1343
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-09-2025
- Zaaknummer
24/03038 Br
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1343, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑09‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:864
ECLI:NL:PHR:2025:864, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1343
- Vindplaatsen
Uitspraak 23‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94 op auto onder klager n.a.v. Europees onderzoeksbevel dan wel Europees bevriezingsbevel van Duitse autoriteiten t.z.v. verdenking van grensoverschrijdende voertuigcriminaliteit, waarna beslag is omgezet in conservatoir beslag. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 445 en 5.5.18 Sv. Rb heeft vastgesteld dat auto aanvankelijk o.g.v. art. 94 Sv in beslag is genomen en dat dat beslag zijn aanleiding vond in EOB en dat daarna beslag is omgezet naar conservatoir beslag dat zijn aanleiding vond in EBB. In het op dit bevriezingsbevel toepasselijke art. 5.5.18 Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ‘Beklag’ van Vierde Boek van WvSv van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter niet begrepen art. 552d.2 Sv. O.g.v. art. 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in gevallen in dat wetboek bepaalt. Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in andere wet niet te vinden. Daarom kan HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen. Klager n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03038 Br
Datum 23 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 23 juli 2024, nummer RK 24/015386, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L. Bien bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank waarbij een klaagschrift dat strekt tot teruggave van een auto, waarop naar aanleiding van een Europees bevriezingsbevel door omzetting conservatoir beslag is gaan rusten, ongegrond is verklaard.
2.2
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar (in ieder geval) genoemde [betrokkene 1] , op grond van welk onderzoek de onderhavige doorzoeking en inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
De onderhavige auto is op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen, in afwachting van een Europees Bevriezingsbevel ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat Europees Bevriezingsbevel (kenmerk: EBB-I-2024023085) is op 14 juni 2024 ontvangen. Het beslag op deze auto is op 27 juni 2024 omgezet naar conservatoir beslag, middels een machtiging conservatoir beslag door de rechter-commissaris belast met strafzaken bij deze rechtbank d.d. 25 juni 2024.
De Duitse autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van dit beslag.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikelen 5:4:4 of 5:5:16 Sv voor.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de inbeslagneming van de auto voldaan is aan de daarvoor in Nederland geldende formaliteiten.
Handhaving van het beslag op de auto is verder in lijn met het in het EBB beschreven doel van de beslaglegging.
(...)
Het beklag moet daarom ongegrond worden verklaard.”
2.3
Bij de stukken bevindt zich een bevriezingscertificaat (‘Sicherstellungsbescheinigung’) van de Duitse autoriteiten van 14 juni 2024 als bedoeld in artikel 4 en 6 van de Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PbEU 2018, L 303/1). De inhoud van dit bevriezingscertificaat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2.
2.4
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Tegen beschikkingen staat hooger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.”
- Artikel 552d lid 2 Sv:
“Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”
- Artikel 5.5.18 Sv, geplaatst in de Derde afdeling (“Bevriezingsbevelen op grond van Verordening 2018/1805”) van Titel 5 (“Europees bevriezingsbevel”) van het Vijfde Boek (“Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking”) van het Wetboek van Strafvordering:
“Belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel. De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevriezingsbevel. Het beklag heeft geen schorsende werking.”
2.5
De rechtbank heeft vastgesteld dat de auto aanvankelijk op grond van artikel 94 Sv in beslag is genomen en dat dat beslag zijn aanleiding vond in een Europees onderzoeksbevel, en dat daarna het beslag is omgezet naar een conservatoir beslag dat zijn aanleiding vond in een Europees bevriezingsbevel.
2.6
In het op dit bevriezingsbevel toepasselijke artikel 5.5.18 Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ‘Beklag’ van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter niet begrepen artikel 552d lid 2 Sv.
2.7
Op grond van artikel 445 Sv staat tegen beschikkingen cassatieberoep alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Dat wetboek bevat geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking als deze. Zo’n bepaling is ook in een andere wet niet te vinden. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Beklag a.b.i. art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv gericht tegen de i.b.n. van een personenauto die i.h.k.v. de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel o.g.v. art. 94/94a Sv in beslag is genomen onder de kleinzoon van de klager. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in gevallen in dat wetboek bepaald. In art. 5.5.6 lid 1 Sv – dat is opgenomen onder de Titel ‘Europees bevriezingsbevel’ – is een aantal bepalingen uit de beklagtitel van overeenkomstige toepassing verklaard op ‘bevriezingsbeklag’. Art. 552d lid 2 Sv, waarin cassatie wordt opengesteld tegen o.m. een reguliere beschikking n.a.v. een beklag a.b.i. art. 552a Sv, wordt in art. 5.5.6 lid 1 Sv niet genoemd. Derhalve bevat Sv geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen 'bevriezingsbeslag'. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03038 Br
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 23 juli 2024 (raadkamernummer 24-015386) het op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan de klager van een onder zijn kleinzoon in beslag genomen personenauto (een Mercedes Benz 280 SL), ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 25 juli 2024 ingesteld namens de klager. L. Bien, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
“Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten is op 4 juni 2024, in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen (onder meer) [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2000, met betrekking tot – kort gezegd – het in vereniging plegen van diefstal van auto’s, beslag gelegd op (onder meer):
- een auto merk Mercedes Benz, type 280 SL (kenteken [kenteken 1] ) en
- (…)
Beklag
(…)
Door en namens de klager is aangevoerd dat de auto merk Mercedes Benz type SE [A-G: ik begrijp: type SL], een speciale auto ook wel "Pagode" genoemd, tijdens een doorzoeking op 4 juni 2024 op het adres [a-straat 1] te [plaats] in beslag is genomen onder [betrokkene 1] , diens kleinzoon. Klager is de eigenaar en rechthebbende van deze auto, hetgeen blijkt uit overgelegde stukken met betrekking tot deze auto van de aankoop in de VS, de keuring door de TUV op 1 maart 2024, de registratie door de RDW en een notariële akte d.d. 13 maart 2024 van een in Duitsland gevestigde notaris. Die auto is door de Rijksdienst voor het wegverkeer (verder: RDW) met ingang van 3 juni 2024 geregistreerd op naam van klager en heeft het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Voorafgaand aan deze registratie is die auto uitvoerig gekeurd, onder meer door de RDW.
Klager is al lange tijd de eigenaar en hij heeft die auto uit de VS laten overkomen. Die auto stond in een door klager gehuurde loods. Niet juist is dat de sleutel van die auto zich in het kantoor van de beslagene [betrokkene 1] bevond. Klager is de legale eigenaar van de auto en die auto kan daarom niet dienen als bewijs ter zake van diefstal. Door de inbeslagname van deze auto wordt klager beperkt in de uitoefening van zijn eigendomsrechten en is sprake van waardevermindering. Er bestaat thans geen strafvorderlijk belang meer om het beslag op de auto te handhaven. Klager heeft een dringend belang tot spoedige teruggave daarvan. In ieder geval weegt het persoonlijk belang van klager thans zwaarder, reden waarom dat beslag dient te eindigen en overdracht van de auto aan Duitsland in ieder geval achterwege dient te blijven.
Tijdens de behandeling in raadkamer van 9 juli 2024 heeft de klager verklaard dat hij al 15 jaar eigenaar is van de onderhavige auto, dat hij die auto in Duitsland heeft gekocht, maar dat deze uit Amerika afkomstig is. Klager heeft verder verklaard dat hij thans niet meer weet waar hij die auto gekocht heeft; hij had destijds een moeilijke periode omdat zijn dochter op sterven lag. Hij heeft de auto contant betaald met inkomsten afkomstig uit zijn eigen bedrijf. Hij heeft geen bewijsstuk [van] de betaling van die auto. Alle papieren zijn zoekgeraakt. Hij is daarom naar een notaris in Duitsland moeten gaan om vast te leggen dat deze auto van hem is.
Standpunt belanghebbende
Door de belanghebbende, beslagene [betrokkene 1] is schriftelijk aangegeven dat de auto merk Mercedes 280 SL aan de klager kan worden teruggegeven. Hij heeft gesteld dat die auto eigendom is van klager, dat klager deze auto jaren geleden uit Amerika heeft laten overkomen en dat deze auto net voor de doorzoeking en inbeslagneming op naam van klager is gesteld. Die auto stond tijdens de inbeslagneming in een door klager gehuurde loods.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard, op gronden als in het schriftelijke standpunt nader is vermeld. Hiertoe is het volgende aangevoerd. Het beslag dient gehandhaafd te blijven in afwachting van de uitkomst van het Duitse onderzoek. Initieel zijn de voornoemde goederen op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen, in afwachting van een Europees Bevriezingsbevel ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Europees Bevriezingsbevel is op 14 juni 2024 ontvangen. Het beslag is op 27 juni 2024 omgezet naar conservatoir beslag, middels een machtiging conservatoir beslag door de rechter-commissaris bij deze rechtbank d.d. 25 juni 2024. Het beslag is op 27 juni 2024 aangemeld bij de Landelijke Beslagautoriteit. Er is sprake van een misdrijf van de vijfde geldboetecategorie en het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter niet komt tot oplegging van een geldboete of toewijzing van een ontnemingsvordering (waar ter verhaal het beslag voor gelegd is) doet zich niet voor. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave. Verder is naar voren gebracht dat niet uit te sluiten is dat sprake is van een schijnconstructie. De auto was gestald in een loods op het terrein van de verdachte/beslagene [betrokkene 1] en daarnaast lag een toegangssleutel tot die loods in het kantoor van deze verdachte. Er is door de klager onvoldoende aangetoond dat de auto eigendom van hem [is]. Dat de auto op naam van de klager staat is daartoe onvoldoende; die auto staat pas sinds 3 juni 2024 op naam van klager terwijl hij stelt al 15 jaar eigenaar te zijn.
Beoordeling
(…)
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd, in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek naar (in ieder geval) genoemde [betrokkene 1] , op grond van welk onderzoek de onderhavige doorzoeking en inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
De onderhavige auto is op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen, in afwachting van een Europees Bevriezingsbevel ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat Europees Bevriezingsbevel (kenmerk: EBB-I-2024023085) is op 14 juni 2024 ontvangen. Het beslag op deze auto is op 27 juni 2024 omgezet naar conservatoir beslag, middels een machtiging conservatoir beslag door de rechter-commissaris belast met strafzaken bij deze rechtbank d.d. 25 juni 2024.
De Duitse autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van dit beslag.
De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikelen 5:4:4 of 5:5:16 Sv voor.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de inbeslagneming van de auto voldaan is aan de daarvoor in Nederland geldende formaliteiten.
Handhaving van het beslag op de auto is verder in lijn met het in het EBB beschreven doel van de beslaglegging.”
2.2
Bij de stukken van het geding bevindt zich een bevriezingscertificaat d.d. 14 juni 2024 als bedoeld in art. 4 en 6 van de Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen. Dit certificaat houdt het volgende in:
“ABSCHNITT C: betroffene Person(en)
Identität der Person(en), gegen die die Sicherstellungsentscheidung ergangen ist, oder der Person(en), die Eigentümer(in) des von der Sicherstellungsentscheidung betroffenen Vermögensgegenstands ist (sind)(…):
(…)
II.
1. Angaben zur Identität
i) Bei natürlichen Personen
Name: [betrokkene 1]
Vorname(n): [...]
(…)
Geschlecht: männlich
Staatsangehörigkeit: niederländisch
(…)
Geburtsdatum: [geboortedatum] 2000
Geburtsort: [geboorteplaats]
Wohnort und/oder bekannte Anschrift (…):
[a-straat 1] [plaats]
(…)
Stellung der betroffenen Person im Verfahren:
x Person, gegen die die Sicherstellungsentscheidung ergangen ist
(…)
ABSCHNITT D: Auskünfte zu den von der Entscheidung betroffenen Vermögensgegenständen
1. Die Entscheidung betrifft (Zutreffendes ankreuzen):
x einen Geldbetrag
x einen bestimmten Vermögensgegenstand/bestimmte Vermögensgegenstände (körperlich/unkörperlich, beweglich/unbeweglich)
(…)
2. Wenn die Entscheidung einen Geldbetrag oder Vermögensgegenstand mit entsprechendem Geldwert betrifft:
- im Vollstreckungsstaat einzuziehender Betrag, in Ziffern und in Buchstaben (Währung angeben):
(…)
b) [betrokkene 1] in Höhe von 80.900,00 €, in einer Höhe von 14.600,00 € gesamtschuldnerisch mit [betrokkene 2]
(…)
- in der Entscheidung ausgewiesener einzuziehender Gesamtbetrag, in Ziffern und in Buchstaben (Währung angeben):
(…)
b) [betrokkene 1] in Höhe von 80.900,00 €, in einer Höhe von 14.600,00 € gesamtschuldnerisch mit [betrokkene 2]
(…)
Weitere Angaben:
- Gründe für die Annahme, dass die betroffene Person über Vermögen/Einkommen im Vollstreckungsstaat verfügt:
Die betroffenen Personen leben im Vollstreckungsstaat.
- Beschreibung der Vermögensgegenstände/Einkommensquelle der betroffenen Person (sofern möglich):
Bargeld, Wertgegenstände, wie Schmuck, Uhren, oder Fahrzeuge
(…)
3. Wenn die Entscheidung einen bestimmten Vermögensgegenstand/bestimmte Vermögensgegenstände oder einen Vermögensgegenstand/Vermögensgegenstände mit entsprechendem Wert betrifft:
Gründe für die Übermittlung an den Vollstreckungsstaat:
x der bestimmte Vermögensgegenstand ist oder die bestimmten Vermögensgegenstände sind im Vollstreckungsstaat belegen
(…)
Weitere Angaben:
- Gründe für die Annahme, dass der bestimmte Vermögensgegenstand oder die bestimmten Vermögensgegenstände im Vollstreckungsstaat belegen ist/sind:
Die Beschuldigten leben in den Niederlanden, daher ist davon auszugehen, dass sich deren Vermögen ebenfalls dort befinden. Zudem wurden im Rahmen der Durchsuchungen während des gemeinsamen Action Days am 04.06.2024 bei den Beschuldigten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] und [betrokkene 1] Bargeld sichergestellt. Zudem konnten bei dem Beschuldigten [betrokkene 1] zwei Fahrzeuge sowie diverse Luxusuhren sichergestellt werden.
- Beschreibung des Vermögensgegenstandes:
Bargeld, Uhren, Fahrzeuge
(…)
ABSCHNITT E: Gründe für den Erlass der Sicherstellungsentscheidung
1. Kurze Schilderung des Sachverhalts
Erläutern Sie kurz, weshalb die Sicherstellungsentscheidung ergangen ist, einschließlich
(…)
Es besteht derzeit der dringende Verdacht, dass die Beschuldigten durch die Taten die nachgenannten Vermögensvorteile erlangt haben. Diese ergeben sich aus den Werten der durch die Beschuldigten gestohlenen und verwerteten Kraftfahrzeuge sowie deren Inhalt, soweit diese nicht mehr aufgefunden werden konnten. Die Werte der Fahrzeuge wurden entweder, soweit Geschehen anhand der Versicherungsentschädigung oder Versicherungsbewertung angenommen, oder mittels der Deutschen Automobil Treuhand GmbH geschätzt. Soweit die Modelle in der DAT nicht ermittelt werden konnten, wurden Preisangebote vergleichbarer Fahrzeuge summiert und der Durchschnitt als Wert zugrunde gelegt.
Hieraus ergeben sich für die Beschuldigten die nachfolgenden Gesamtsummen, die sich aus folgenden Einzelbeträgen (jeweils anzunehmende Verkaufswerte der entwendeten Kraftfahrzeuge) zusammensetzen:
(…)
b) [betrokkene 1]
Fall 1: 5.000 Euro
Fall 2: 9.600 Euro
Fall 3: 66.300 Euro
(…)
Bei dem gemeinsamen Action Day am 04.06.2024 konnte im Rahmen der Durchsuchungen bei den Beschuldigten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] und [betrokkene 1] Bargeld sichergestellt werden. Zudem konnten bei dem Beschuldigten [betrokkene 1] zwei Fahrzeuge sowie diverse Luxusuhren sichergestellt werden. Es wird gebeten insbesondere diese Vermögenswerte im Rahmen der hiesigen Sicherstellungsbescheinigung zu verwerten.
- des Ermittlungsstands:
Die Ermittlungen dauern an.
- der Gründe für die Sicherstellung:
Die Sicherstellung wird für die Sicherung des Anspruchs auf Wertersatz des Landes Nordrhein-Westfalen benötigt, um im Falle der Verurteilung der Beschuldigten die jeweiligen durch die genannten Fälle Geschädigten Personen zu entschädigen.”
2.3
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 445 Sv:
“Tegen beschikkingen staat hooger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.”
“1. Een beschikking ingevolge artikel 552a, 552ab of 552b wordt onverwijld aan de klager betekend.
2. Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”
- Art. 5.5.6 lid 1 Sv:
“De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevel.”
2.4
Op grond van art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. In de beklagtitel van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering is in art. 552d lid 2 Sv bepaald dat het Openbaar Ministerie en de klager beroep in cassatie kunnen instellen tegen een op grond van art. 552a, 552ab en 552b Sv gegeven beschikking. In art. 5.5.6 lid 1 Sv – dat is opgenomen in de vijfde titel (‘Europees bevriezingsbevel’) van het vijfde boek van het Wetboek van Strafvordering – is een aantal bepalingen uit de beklagtitel van overeenkomstige toepassing verklaard. Art. 552d lid 2 Sv wordt in art. 5.5.6 lid 1 Sv niet genoemd. Dat betekent dat tegen een beschikking op een klaagschrift tegen een beslag dat is gelegd in het kader van de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel, geen cassatieberoep mogelijk is.1.De wetgever heeft hiervan bewust afgezien bij de implementatie van kaderbesluit nr. 2003/577/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PbEG L 196). De gedachte was dat cassatieberoep zou kunnen leiden tot ongewenste vertraging in de voortgang van de buitenlandse strafzaak en daarmee niet goed zou passen bij het aan het kaderbesluit ten grondslag liggende beginsel van de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen, waarmee juist een snelle internationale samenwerking wordt beoogd, niet alleen wat betreft de inbeslagneming (de “bevriezing”) van voorwerpen, maar ook wat betreft de feitelijke overdracht van die voorwerpen.2.In het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt de huidige regeling gehandhaafd.3.
2.5
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank vastgesteld dat de onder randnr. 1.1 genoemde Mercedes op verzoek van de Duitse autoriteiten op 4 juni 2024 op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen in afwachting van een Europees bevriezingsbevel ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat bevel is op 14 juni 2024 ontvangen. Op 27 juni 2024 is het beslag op de auto met een machtiging van de rechter-commissaris van 25 juni 2024 omgezet in conservatoir beslag. Het conservatoir beslag op de auto is dus gelegd in het kader van de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder randnr. 2.4 is opgemerkt, meen ik dat de klager niet kan worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep, zodat het middel geen bespreking behoeft.
3. Slotsom
3.1
Het middel behoeft geen bespreking.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
In de memorie van toelichting wordt ook nog een wetsystematisch argument gegeven voor het uitsluiten van het cassatieberoep: bij de implementatie van het Europese aanhoudingsbevel (EAB) is in de Overleveringswet eveneens volstaan met een rechterlijke toetsing in feitelijke aanleg (Kamerstukken II 2004/05, 29 845, nr. 3, p. 10 en 11). Zie voor een kritische bespreking van de implementatie van het Europees bevriezingsbevel M.J. Borgers, ‘De implementatie van het Europese bevriezingsbevel en de systematiek van rechtsbescherming en rechtseenheid’, NJB 2005, p. 1455-1459.
Vgl. art. 8.6.8 lid 1, laatste volzin, NSv (Kamerstukken II 2024/25, 36 636, nr. 2) in verband met art. 6.4.14 NSv (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2) en de memorie van toelichting bij de Tweede vaststellingswet (Kamerstukken II 2024/25, 36 636, nr. 3, p. 286).