De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.5.1:4.5.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384891:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens artikel 2:285 lid 1 BW beoogt een stichting immers een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken met behulp van een daartoe bestemd vermogen.
Boschma & Snijder-Kuipers 2011, p. 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de stichting vermogen heeft, is dit vermogen gebonden aan het stichtingsdoel (artikel 2:285 lid 1 BW).1 Dat wil zeggen: het stichtingsvermogen mag slechts worden besteed in overeenstemming met het stichtingsdoel. Bovendien bepaalt de wet dat het stichtingsdoel niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen (artikel 2:285 lid 3 BW). Aangezien het vermogen doelgebonden is, kan een wijziging van het statutaire doel, zoals hiervoor opgemerkt, maar kunnen ook andere rechtshandelingen er toe leiden dat de bestemming van het vermogen verandert. Hierna zal worden bezien op welke wijze en met welke bevoegdheden de raad van toezicht zo goed mogelijk kan bewaken dat het vermogen aan het beoogde doel gebonden is en blijft.
Doelgebondenheid van het vermogen is een belangrijk kenmerk van de stichting. De prominente plaats die het doelgebonden vermogen van de stichting in de regeling van de stichting in neemt hangt samen met de wijze waarop het vermogen van de stichting wordt bijeengebracht.2 Bij corporatieve rechtspersonen wordt vermogen bijeengebracht door de leden (ledencontributies) of aandeelhouders (aandelenstortingen), terwijl die leden of aandeelhouders tevens institutioneel betrokken zijn. Zij zijn verenigd in een orgaan: de algemene vergadering. Stichtingsvermogen is afkomstig van oprichters, maar mogelijk ook van derden (donaties of subsidies), die vermogen ter beschikking stellen ter bereiking van het doel van de stichting, maar zelf niet noodzakelijkerwijs deel uitmaken van een stichtingsorgaan. Aangezien degenen die het stichtingsvermogen bijeenbrengen niet noodzakelijkerwijs institutioneel betrokken zijn, is het des te meer van belang dat de koppeling tussen het vermogen en het stichtingsdoel beschermd en bewaakt wordt. Het stichtingenrecht kent hiertoe slechts een beperkt aantal regels.
Een aantal rechtshandelingen, zoals omzetting van de stichting in een andere rechtsvorm (rechtsvormwijziging) maar ook juridische fusie met een stichting die een ander doel heeft, kunnen direct of op termijn leiden tot wijziging van de bestemming van het stichtingsvermogen. Indien het bestuur van de stichting besluit tot een dergelijke rechtshandeling is sprake van een besluit met (mogelijk) belangrijke gevolgen voor het stichtingsvermogen. In deze paragraaf wordt onderzocht welke wettelijke waarborgen gelden voor dergelijke rechtshandelingen en welke rol de raad van toezicht in dat verband heeft.