HR, 22-01-2013, nr. 11/02076
ECLI:NL:HR:2013:BY9131
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-01-2013
- Zaaknummer
11/02076
- LJN
BY9131
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BY9131, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑01‑2013; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑09‑2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑12‑2011
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2011
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑08‑2011
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑05‑2011
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑04‑2011
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0018
Uitspraak 22‑01‑2013
Inhoudsindicatie
Herziening. 1. Vanaf 1 oktober 2012 kan ex art. 460.2 Sv een herzieningsaanvraag nog slechts door een raadsman worden ingediend. Na die datum binnengekomen correspondentie van de aanvrager is daarom teruggezonden. 2. Aanvragen deels n-o en voor het overige afgewezen.
22 januari 2013
Strafkamer
nr. S 11/02076
HEC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op aanvragen tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 januari 1995 (nr. 22/001776-94), een arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2009 (nr. 08/03840 H), een beslissing van het Gerechtshof te Arnhem (penitentiaire kamer) van 12 december 1983, een vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 5 december 1991 (nr. 09/009637-91), een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 18 januari 1979 (nr. 13/014458-8), een vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 2 juni 1979 (nr. 013085) en een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 januari 1980 (nr. 22/1555-9), ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937.
1. De aanvragen tot herziening
De aanvragen tot herziening zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft voorts kennisgenomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen en niet aan de aanvrager teruggezonden correspondentie met betrekking tot deze aanvragen. De na 1 oktober 2012 binnengekomen correspondentie is teruggezonden omdat ingevolge art. 460, tweede lid eerste volzin, Sv vanaf die datum een herzieningsaanvraag nog slechts door een raadsman kan worden ingediend.
2. Beoordeling van de aanvragen
2.1. Als grondslag voor een herziening van een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van art. 465 Sv, kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
2.2. Voor zover de aanvragen betrekking hebben op uitspraken niet houdende een onherroepelijke veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv kunnen deze - gelet op art. 465, eerste lid, Sv - niet worden ontvangen.
2.3. Het in de aanvragen voor het overige gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op een gegeven als hiervoor onder 2.1 vermeld. De aanvragen dienen daarom - gelet op de art. 460, tweede lid, en 465, eerste lid, Sv - in zoverre te worden afgewezen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvragen niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op uitspraken niet houdende een onherroepelijke veroordeling en wijst deze voor het overige af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 januari 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Beroepschrift 11‑09‑2012
Edelachtbare raadsheren (strafkamer) der Hoge Raad der Nederlanden
Met het rolno. 221555-9 sprak op 17-01 1980. een arrest uit (mr Engel) Welk arrest inmiddels in kracht van gewijsde is gekomen, gekomen.
Het handelde om een 14 tal eurocheqeus en een 4 tal crediet papieren.
Althans dit waren volgens dit Hof crediet papieren ex art. 225/226 Sr. Om dit te mogen bestraffen mag er geen grotere tussen ruimte liggen van 4 dagen tussen de strafbare handelingen en kunnen deze niet zijn die volgens art.226 Sr. zijn deze worden volgens art.226 Sr. als gekwalificeerde valsheid worden aangemerkt dus tot een andere vorm van valsheid worden aangemerkte, cheqeus zoals in de onderhavige gevallen behoren hier niet toe te worden aangemerkt. de in de dagvaarding vermelde geschriften waren geen crediet papieren zoals in art 226 aangemerkt.
Dus niet zoals art.226 Sr.eerste lid vermeld, hier werd dus gekwaificeerde valsheid als strafdaad genoemd dit ook in het vonnis arr.rechtbank te R'dam. Daar de in de dagvaarding benoemde geschriften van gelijke aard zijn is het aanhalen van arttt. 225 en 226 een dubbele veroordeling.
voor dezelfde feiten.
De P.G. vorderde een bestraffing voor het opzettelijk gebruikmaken van enig in art.226 Sr. aan deze vordering werd geen gehoor gegeven nu hetn Gerechtshof meende ook art.225 Sr. in haar strafmotivatie te moeten betrekken wat naar Nederlandsrecht onmogelijk is. Of art.225 of art.226 kan toepasbaart zijn te achtte, hier werd dus geen recht gedaan!!
Tevens is het onmogelijk om de in de davaarding genoemde geschriften zowel te vervalsen als ook valselijk op temaken dit is een unikum!!
Beroepschrift 02‑09‑2012
Edel achtbare Raadsheren Strafkamer der Hoge Raad
Het vonnis van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's‑Gravenhage gewezen op 21 november blijkt uit de acten dat de terrechtzitting niet plaatsvond in het openbaar.
Zoals dit in Sv. voorschrijft.
(Strafvervolging met het parket nummer 09.009.637.91)0
Het ging hier in deze kwestie niet om een zeden delict !
Zie hiertoe art.269 lid 1
Het P.V. bevat geen redenen waarom werd afgezien waarom van openbaarheid werd afgezien.
De gebruikte dagvaarding is tevens nietig nu niet werd aangegeven welke girobetaalkaarten door diefstal werden verkregen welke opzettelijk werden gekocht/ingeruilt of verborgen werden in de periode tussen 01- 01-01-1991 tot en met 09-08-1991 althans van af 14-04.1991 tot en met 09-08-1991 te 'Gravenhage of elders in Nederland (ja wat?)
De hier genoemde data sluit het een en ander uit.
Een dergelijke dagvaarding had nimmer tot een veroordeling mogen lijden! Desondanks werd hier een 12 mnd. straf opgelegd en werd er geen V.I ex art.15 Sr. verleend aan mij in 1991. hier was dus duidelijk sprake van voor ingenomenheid.
Om deze redenen verzoek ik Uw Raad om herziening van deze uit 1991 stammende veroordeling te vragen.
'N eenvoudige zaak ter beoordeling dus een kleine wachttijd?
Het aantal girobetaalkaarten kan tussen de 3 en 30000 zij gelegen (ongeveer, gezien de opgelegde straf vermoedelijk het laatste Aantal.
Met belangstelling Uw antwoord te gemoed ziende ondertekenend met een vriendelijke groet aan U en de Uwe hier vanuit [woonplaats] van [aanvrager]
[adres] telefoon nummer [telefoonnummer] [postcode] [woonplaats]
Beroepschrift 30‑12‑2011
Herzienings verzoek ex art 457 Sv. lid 1/2
de gronden hiertoe zijn vorm verzuimen in de gevoerde procedure.
Edelachtbare president der Hoge Raad der Nederlanden,
Op 18januari 1979 sprak de voorzitter van de Amsterdamse arr.rechtbank een vonnis uit met het parket no. 13.014.458.8
Uw Raad heeft in het verleden bepaalt dat een vonnis immer een P.V. der terechtzitting diend te bevatten Het vonnis dat ik in copy in mijn bezit heb mist dit p.v.der terrechtzitting, hierdoor was het voor mij niet mogelijk een gemotiveerd apel in te stellen bij het Amsterdamse gerechtshof.
In een eerder ingediend herzieningsverzoek ex art.457 Sv. bepaalde Uw Raad dat dit verzoek ging over een in kracht van gewijsde vonnis (zoals art.457 lid 1/2 Sv. vereist).
Het is onweersproken dat een vonnis of arrest welk niet vooraf is gegaan door het laatste woord van de gedaagde nietig is (art 311 Sv.). Door het ontbreken van het P.V. der terrechtzitting moet het voor worden gehouden dat deze gunst mij werd onthouden, Waardoor het op 18-01-1979 uitgesproken vonnis niet in kracht van gewijsde kon zijn gegaan. In diverse arresten heeft Uw Raad dit zelf bepaald bij mijn weten.
De dagvaarding als onderdeel van het vonnis no.13.014.458.8 beantwoorde niet aan de vereiste van art 261.Sv. mede door dat er geen namen van de gebruikte getuigenissen zijn vermeld, deze zijn onleesbaar gemaakt!!
En konden dus niet als bewijs worden aangemerkt. De vele verwijzingen naar bijvoorbeeld puntn1 van de dagvaarding wekt sterk de indruk dat het hier gaat om dezelfde feiten als heling en of valsheid e art .225 Sr. wat ontoelaatbaar is volgens Sv.
De wet bepaald dat er de art. moeten worden vermeld volgens welk het bewezen geachte berust ook dit vond niet plaats in het vonnis door dat er in het vonnis niet werd vermeld of de aangehaalde artt. uit Sv. of Sr. stamde fouten welke aanvangende rechters kunnen maken, maken maar zeker onbehoorlijk voor de 3 rechters welke het vonnis ondertekende namens Hare Majesteit onze Koningin!!
'k twijfel er aan of ik Uw arrest naar aanleiding van het eerder ingediende verzoek ex art.457 Sv. al indienen of toch maar om herziening van het rechtbank vonnis zal vragen nu mij gebleken is dat dit laatste nog immer niet in kracht van gewijsde is gegaan, heden ruim 30 jaar na het in het openbaaar uit gesproken vonnis te Amsterdam, namens onze koningin3.
Edelachtbare president der Hoge Raad 'k kijk met meer dan grote belangstelling uit naan Uw beslissing, temeer door een eerdere beslissing van 29 maart jongst leden.
Nog de beste wensen voor Uw en Uw mede Raadsleden in 2012 hier van uit [woonplaats] [aanvrager] per adres [adres]
[postcode] [woonplaats] tel.[telefoonnummer]
Beroepschrift 26‑09‑2011
Geachte griffier der Hoge Raad (strafkamer)
Geachte president der Hoge Raad der Nederlanden,
'K zend U tesamen met dit verzoek ex art.457 Sv. een uittreksel van het justitieel register, en hoop dat U hiermee kunt zien dat het arrest uit 1980 dit herzienings verzoek inmiddels in kracht van geweisde is gegaan zoals art. 457 Sv. vereist.
OP2 juli 79 ving het O.M. een vervolging tegen mij aan onder parket no.013085 welke vervolging werd voortgezet voor het 'sGravenhaagsche gerechtshof, welk gerechtshof een bestraffing oplegde van 2 jaar onvoorwaardelijk op 17-01-1980 of 15-09-1980 onder welk rolno. dit arrest werd gewezen is mij onbekent en staat ook niet vermeld in dit uittreksel uit een officieel register van justitie
Wat wel in dit uittreksel werd vermeld dat het O.M. verzuimde te handelen volgens de bepalingen van de artt. 15 en 15 Sr. al dan niet opzettelijk.
'K wil met dit verzoek eveneens verzoeken Uw Raad haar aandacht te richten op het in dit onder 09.013.223.-090 vermelde gedateerd 12-02-1981 omreden dat een dergelijke strafvervolging (ook al werd hier een sepot voorgesteld met het exuus van een resente bestraffing de in het uittreksel vermelde feiten onder no09.013.223.-0 zouden volgens deze opgave gepleegd zijn tijdens de detentie periode gelegen tussen 28-07-1980 en 12-02 81, dus nog voordat het 'sGravenhaagsche Hof arrest gewezen had en er dus op dat moment nog geen spraken kon zijn van een recente bestraffing welke nog moest plaats vinden in 1981
Tevens verzoek ik [aanvrager] ook Uw aandacht te wijden aan het vermelde onder hetgeen werd vermeld als arrest van het 'sGravenhaagsche gerechtshof gedateerd als aangevangen op 21-09-1981 geen rolno. werd vermeld! Ook hier werd geen V.I. verleend maar wel een voorwaardelijke veroordeling van 4 mnd.
Het bijzondere van dit arrest blijkt o/a uit het feit dat hier in dit uittreksel (onder ambtseed opgemaakt) dat de daden wel is waar als bewezen werd verklaart geen schade heeft veroorzaakt zoals in 261 Sv. bepaalt De 3 veroordelingen no.013085 + het sepot 09.013.223-0 en 09.008633.3 leverde een detentie periode op, gelegen tussen aanvang 28-07-1079 en 04-04-06 19190 leverde een V.I.recht ex art 15 Sr. op van meer dan 4 jaar gevoegd hierbij een detentie periode van 1 jr en 4 mnd.([nummer]
De vervolging met het parket no.09.008633.3 heeft kennelijk geen bestraffing opgeleverd dit staat niet als zodanig in dit uittreksel vermeld, maar werd door het O.M. wel als argument ter zitting gebruikt om een maximale straf eis te stellen van 6 jaar.
Een vervolging no.09.008634.3 zou zijn gevoegd bij een kwestie welke op 11-03-1983 begon, zou zijn gevoegd, ter berechting onder 8633.3 hoewel deze vervolging nergens in dit uittreksel is terug te vinden???
Een onder Ambtseed opgemaakte acte kan niet en mag niet zoveel onjuistheden bevatten .
De in dit uittreksel genoemde feiten zijn alle van voor 1986 en dus in kracht van geweisde gegaan zoals 457 Sv vereist. De wet vereist geen ontvangst bevestiging van een herzieningsverzoek ex art 457 Sv. maar toch wil ik Uw griffier hier om verzoeken a.u.b.
Beroepschrift 09‑08‑2011
Herzieningsverzoek ex artikel 457 Sv. lid 1
van [aanvrager]
herziening wordt gevraagt van het arrest de dato 12-12-1983 van de penetiaire kamer Hof Arnhem
Edel achtbare Raadsleden van de strafkamer der Hoge Raad,
Dit arrest welk in kracht van geweisde is gegaan om reden dat hier tegen geen enkel rechtsmiddel meer openstaat en er dus een is zoals vermeld in artikel 457 Sv. lid 1, en dus een eind oordeel is in de zin der wet.
Blijkens een P.V. der terrechtzitting van 12-12-1983 werd mij niet de gelegenheid ter verdediging geboden, en evenmin het laatste woord gegund. De voorzitter Schootstra ontnam mij bij de aanvang der terrechtzitting het woord en liet mij uit de zittingszaal verweideren.
Alleen mocht ik hier terugkeren om de beslissing aanhoren van deze kamer. Mij bleeek dat deze kamer geen acht had geslagen op de inhoud van het aanwezige dossier.
De reden tot mijn bezwaar waarvoor ik voor dit Arnhemse hof verscheen was dat mij geen V.I. was verleend tot op het moment van verscheinen voor dit Hof op 12-12-1083
Tot behandeling van dit bezwaar kwam het niet door dat de voorzittende Schootstra mij het woord ontnam bij de aanvang der zitting.
Het is als juist aante merken dat ik op 03-01 1983 door het 'sGravenhaagsche gerechtshof werd veroordeeld tot 12 maanden, het is ook juist dat ik mij toen in voorarrest bevond voor feiten begaan in september 1981 'K werd voor deze feiten gearresteerd en dezelfde dag en datum gedetineerd.
Op dag van behandeling van m'n bezwaar tegen de beschikking van de staatsecretaresse bevond ik mij nog steeds in detentie maar toen van een vervolging welke zou uitmonden in een bestraffing tot 2 jaar, ook zonder V.I. verlening. Door het geen verlenen van V.I. in de periode september 1981 en september 1982 moet het voor de penentiaire kamer en haar juristen duidelijk zijn geweest dat er geen V.I. werd verleend over de straf ter grote van 12 maanden werd verleend en er geen invrijheidstelling had plaats gevonden tussen tijds!!!
Het arrest van de penetiaire kamer d.d. 12-12-1983 no1.71.1983 was derhalve als onwettig aan te merken. Edelachtbare raadsleden van de strafkamer derHoge Raad,
'K vraag Uw aandacht voor dit in strijd met het Nederlandsrecht gewezen arrest en dit alsnog te herzien.
Gegroet van uit [woonplaats] door [aanvrager] adres [adres] [postcode]
telefoon [telefoonnummer]
Beroepschrift 16‑05‑2011
Geachte Raadsleden (strafkamer) der Hoge Raad,
Kort geleden ontving ik van de griffier van de arr.rechtbank het P.V. der t.r.z. van enige tijd terug te weten 19-08-1994 met de zaak no.09-018002 in goede orde.
Op blad 1 van dit P.V. staat vermeld dat het O.M. in de persoon van mr. v. Gelder punt 4 van de dagvaarding voor de aanvang der ter rechtziting op 18 juli 1994 introk. Op blad 2 van dit verslag vorderde alinea 12/13 dat zij een vordering ex art.313 had ingediend als ook dat de rechtbank deze vordering toewees bij monde van de voorzitter.
Deze vordering (1 malig) hield een naams weiziging in van [naam 1] in [naam 1] en het aantal geschriften welke onder punt 2 van de dagvaarding van een 2 tal in een 3 tal geschriften werd veranderd, welke te Kleve zouden zijn verzilverd door mij, als strafbare feiten. Deze arr.rechtbank merkte op dat het onder punt 1 en 2 vermelde feiten volgens het Duitse Straf Gesetzbuch strafbaar zijn in Duitsland echter niet punt 3 der dagvaarding. Deze aanmerkingen bevonden zich niet in het dossier.
Hoewel de arr.rechtbank onder voorzitterschap mr. Verheij.door de dagvaarding gedwongen. zich niet uitliet over wat wel en wat niet bewezen werd geacht en in de dagvaarding werd vermelde, meende deze arr.rechtbank (hoewel niet in de dagvaarding vermeld) dat er sprake was van het falselijk opmaken van een circa 900,- geschriften en het verzilveren hiervan. Onder punt 1 van de dagvaarding stonden aanvankelijk een 52 tal geschriften te verminderen middels de geweizigde dagvaarding met 18 stuks tot van 34 stuks ten name van [naam 1] derhalve geen 900 stuks te verzilveren en of valselijk opgemaakte geschriften.
Uit de aangehaalde bewijsmiddelen kon geen conclusie volgen (Tewe) dat er meer dan een 2 tal geschriften te Kleve (Duitsland) werden verzilverd en of deze aldaar valselijk waren opgemaakt (directe getuigennis)
Uitsluitend het verzilveren van deze 2 cheqeus konden uit deze getuigenis worden opgemaakt.
De arr.rechtbank als ook in hoger beroep het gerechtshof en ook Uw Hoge Raad, meende dat het verzilveren van deze 2 cheqeus een schade had veroorzaakt van fl,350.000,- voorwaar een huzaren stukje van de bovenste plank. en ongevenaard
Dit zover het ontbroken bewijs welk ook door Uw Hoge Raad tot de mogelijkheden werd geacht en bewezen werd geacht op 02-08-1994 een 900 tal geschriften en waar er ten hoogste een schade kon zijn ontstaan van fl.800,- en geen fl.350.000,.
Feiten van algemene bekentheid behoeven geen nader bewijs immers?
dit herzienings verzoek richt zich tegen het arrest van Uw Raad nr.08/03840 H SM En derhalve ook tegen het arrest van het gerechtshof te 'sGravenhage,
Uw Raad heeft eerder bij arrest vasgesteld dat tegen een vrijspraak geen cassatie oponstaat mag ik [aanvrager] nog opmerken dat punt 4 van de dagvaarding geen aandacht meer nodig had, immers voor de zitting in eerste aanleg werd punt 4 van deze bewuste dagvaarding reeds ingetrokken door het O.M. en derhalve niet meer bestond op 13-01-2009 ?
De vraag moet en kan worden gesteld of een vernietigd vonnis nog wel een beroeps grond kan zijn, immers met het vernietigen van het vonnis werden eveneens de hieraan vooraf gegane beslissing (door de wetgever op straffe van nietigheid voorgeschreven) gegrond op de waarneming van de eerste rechter. Vernietiging van vonnis is tevens vernietiging van het p.v. art.326 Sv.
Waar geen vrijspraak mogelijk was is de betreffende rechter onbevoegd.
Het is derhalve onjuist dat er door de Hoge Raad in haar arrest van 27-02-1996 werd gesteld dat ik door het gerechtshof werd vrijgesproken te 'sGravenhage.
Zoals bekent betekent Op de grondslag der t.l.l. feiten welke in de t.l.l. zijn vermeld, niet werd vermeld als ook feiten welke niet steunen op bewijsmiddelen.
Het is onverdedigbaar dat een 34 tal geschriften in de dagvaarding vermeld door rechtbank en gerechtshof als ook door de Hooge Raad zijn gegroeit tot een 900 tal welke zonder in de dagvaarding te zijn vermeld mede de bestraffing bepalen, en mede tot stafvermindering aanleiding konden vormen 900 of 34 stuks ??
Beroepschrift 27‑04‑2011
Edelachtbare voorzitter der Hoge Raad der Nederlanden (27-04-2011)
Herhaaldelijk heb ik de griffier van de Haagsche arr.rechtbank verzocht mij [aanvrager] copyen van het P.V. der terechtzitting aan mij toe te zenden, helaas zonder sucses!
Hieruit denk ik er van uit te mogen gaan dat de betreffende griffier hierover niet of niet meer beschikt.
Copyen van het vonnis beschik ik in meerdere aantallen; 'K ga er van uit dat P.V. niet meer bestaat waardoor controle op de samenstelling van deze rechtbank onmogelijk is, en of er beslist werd over de toelaatbaarheid van de vordering ex art 313 Sv. plaats heeft gevonden (art 340 Sv.) Niet beslissen over een vordering hefft nietigheid tot gevolg zoals uit staande jurisprudentie tot gevolg zoals Uw college weet.
De vraag of het rechtbank vonnis als een eind beslissing moet worden op gevat wordt door het niet beslissen over de vordering ex art 313 Sv.beantwoordt, mijns inziens.
Dit omdat mede het door het O.M. gevorderde 3 tal cheqeus ten name van onmogelijk is geworden gezien de onderzoeks resultaten te Kleve ( Duitsland) en het niet beslissen op de vordering ex art.313 Sv.
Hierdoor wordt de beoordeling van de onder 1 en 2 vermelde feiten niet meer aan bod
Op eenlater tijdstip in deze vervolging meende Uw college zich te mogen uitlaten over mogelijke strafbare feiten in Zwitserland (mogelijk begaan) de wet bepaald echter dat er tegen vrijspraak geen cassatie open staat maakt Uw oordeel t.a.v. punt 4 van deze dagvaarding ietwat overbodig.
De dagvaarding (A.1) verschilt kwa feeiten van die onder (B.1) gebruikt) A.1 bestaat uit een 12 bladen die onder B vermelde echter slechts 3 bladen!?
Ook het aantal en soorten doorhalingen is als opmerkelijk aan te merken.
Het verschil in de aantallen gegevens was niet van invloed op het oordeel van deze rechtbank te 'sGravenhagen en heeft mij mede doen bsluiten tot dit herzienings verzoek.
Edelachtbare Raadsleden der Hoge Raad mag ik hopen dat U tijd en aandacht kunt vinden deze uitzonderlijke feiten Uw aandacht te schenken.m'n dank hiervoor.