Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.2.3.1
13.2.3.1 Trihotel 2007: keuze voor de onrechtmatige daad
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406911:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel).
De onttrekking bestond uit de verschaffing van zekerheden aan de moeder van X en de vroegtijdige beëindiging van de pachtovereenkomst.
Het BGH overwoog: “Schadensersatzansprüche aus Existenzvernichtungshaftung gemäß § 826 BGB sind gegenüber Erstattungsansprüchen aus §§ 31, 30 GmbHG nicht subsidiär; vielmehr besteht zwischen ihnen – soweit sie sich überschneiden – Anspruchsgrundlagenkonkurrenz.”
BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel), r.o. 16 en 17.
BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel), r.o. 50.
BGH 16 juli 2007, II ZR 3/04 (Trihotel), r.o. 54.
Slechts vijf jaar na de KBV-uitspraak, voorzag het BGH het leerstuk van de existenzvernichtenden Eingriffs nogmaals van een nieuwe dogmatische grondslag. In de Trihotel-uitspraak nam het afscheid van de ‘Durchgriffshaftung’ vanwege ongeoorloofde vermogensonttrekkingen.1 In deze zaak werd bestuurder X van de gefailleerde A-GmbH aangesproken door de curator. De aandelen in A-GmbH werden aanvankelijk gehouden door X en zijn echtgenoot, maar in 1999 had X zijn aandelen overgedragen aan J-GmbH; de aandelen in J-GmbH werden gehouden door de moeder van X. X was tevens bestuurder van J-GmbH en ook van een derde vennootschap: W-Hotel-GmbH. A-GmbH exploiteerde een hotel dat gebouwd was op grond die zij pachtte van X. Vijf maanden voordat de pachtovereenkomst afliep, zegde X deze op, om de grond vervolgens te gaan verpachten aan W-Hotel-GmbH. A-GmbH droeg daarna, op grond van een managementovereenkomst met W-Hotel- GmbH, zorg voor de uitbating van het hotel. Daarvoor ontving A-GmbH 40 procent van de omzet; later werd dit teruggebracht naar 28 procent. De moeder van X had daarnaast een lening aan A-GmbH verstrekt, waarvoor zij het eigendom van de inventaris van A-GmbH in zekerheid had gekregen.
Korte tijd na de herstructurering failleerde A-GmbH, een tekort van ruim 1,4 miljoen DM achterlatend. De curator sprak X aan voor het tekort in faillissement, aanvankelijk met succes. Zowel het Landgericht als het Oberlandesgericht oordeelden dat X zich schuldig had gemaakt aan een existenzvernichtenden Eingriff, door als (feitelijk) meerderheidsaandeelhouder vermogen aan A-GmbH te onttrekken en daarmee de mogelijkheid weg te nemen dat de GmbH liquiditeiten zou genereren waarmee ze haar schulden zou kunnen voldoen.2 Daarom diende X de beperkte aansprakelijkheid zoals vervat in § 13 lid 2 GmbHG ontnomen te worden zodat hij aansprakelijk was jegens de curator voor het gehele tekort in faillissement.
Het BGH vernietigde de uitspraak van het OLG en overwoog dat het weliswaar vasthield aan het leerstuk van de existenzvernichtenden Eingriffs, maar de gevolgen van dergelijke ongeoorloofde onttrekkingen wijzigde. Niet langer leidden zij tot het verlies van de beperkte aansprakelijkheid; in plaats daarvan werd de ongeoorloofde onttrekking ingebed in het leerstuk van de algemene onrechtmatige daad in de zin van § 826 BGB (unerlaubte Handlung). Het BGH overwoog tevens dat de aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege een existenzvernichtenden Eingriff niet (langer) subsidiair was aan de aansprakelijkheid op grond van de kapitaalbeschermingsregels.3
“An dem Erfordernis einer als “Existenzvernichtungshaftung” bezeichneten Haftung des Gesellschafters für missbräuchliche, zur Insolvenz der GmbH führende oder diese vertiefende kompensationslose Eingriffe in das der Zweckbindung zur vorrangigen Befriedigung der Gesellschaftsgläubiger dienende Gesellschaftsvermögen wird festgehalten. Der Senat gibt das bisherige Konzept einer eigenständigen Haftungsfigur, die an den Missbrauch der Rechtsform anknüpft und als Durchgriffs(außen)haftung des Gesellschafters gegenüber den Gesellschaftsgläubigern ausgestaltet, aber mit einer Subsidiaritätsklausel im Verhältnis zu den §§ 30, 31 BGB versehen ist, auf. Stattdessen knüpft er die Existenzvernichtungshaftung des Gesellschafters an die missbräuchliche Schädigung des im Gläubigerinteresse zweckgebundenen Gesellschaftsvermögens an und ordnet sie – in Gestalt einer schadensersatzrechtlichen Innenhaftung gegenüber der Gesellschaft – allein in § 826 BGB als eine besondere Fallgruppe der sittenwidrigen vorsätzlichen Schädigung ein.”4
Alleen als ten tijde van de herstructurering het faillissement van A-GmbH onvermijdelijk was geweest, zou volgens het BGH grond bestaan voor aansprakelijkheid van X jegens de vennootschap.5 Zonder het horen van een deskundige was het niet mogelijk om vast te stellen welke invloed de litigieuze transacties hadden gehad op het daarna ingetreden faillissement. De uitspraak van het OLG berustte kortom op ongefundeerde aannames en kwam daarom voor vernietiging in aanmerking. Ten overvloede merkte het BGH op dat voor zover geoordeeld zou worden dat X aansprakelijk was vanwege de onttrekkingen, deze aansprakelijkheid niet zonder meer gelijk was aan het tekort in faillissement.6 De schade bestond uit de door de onttrekkingen veroorzaakte Gewinnausfall.