Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.7.1
16.7.1 1971: introductie van de Besloten Vennootschap
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402387:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een helder overzicht van de Europese inspanningen op het gebied van het vennootschapsrecht, alsmede een analyse van de wenselijkheid van die inspanningen, Lennarts & Roest 2012.
Wet van 3 mei 1971, Stb. 1971, 286.
Van Schilfgaarde 1976, p. 31.
Kamerstukken II 1969/70, 10 689, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 1970/71, 10 689, nr. 6 (Voorlopig Verslag), p. 2.
Art. 57r WvK, dat zag op het vermogen van de BV, verklaarde simpelweg een vijftiental artikelen uit de NV-regeling van toepassing.
Wel verwees de minister in de toelichting naar een onderzoek dat op dat moment werd uitgevoerd door de Commissie Vennootschapsrecht dat mogelijk aanpassing van de kapitaalregels tot gevolg zou hebben.
Kamerstukken II 1969/70, 10 689, nr. 3 (MvT), p. 11.
Na de herziening van het Wetboek van Koophandel was het vennootschapsrecht een aantal decennia een relatief rustig bezit. Vanaf de jaren zestig begon de Europese bemoeienis met het vennootschapsrecht echter toe te nemen.1 De Eerste EG-Richtlijn, vastgesteld in 1968, leidde in 1971 tot de invoering van de Besloten Vennootschap.2 Tot die tijd maakte men in het spraakgebruik onderscheid tussen twee typen NV: de open NVen de besloten NV. Onder ‘besloten’ verstond men “de NV die ter dekking van haar kapitaalbehoefte geen beroep deed op beleggend publiek”.3 Omdat de Eerste Richtlijn voorzag in een publicatieplicht voor iedere NV, besloot de Nederlandse wetgever de toepassing van deze en volgende richtlijnen zelf in de hand te nemen door de invoering van een rechtsvorm vergelijkbaar met de Duitse GmbH en de Franse S.a.r.L. Nederland was tot die tijd het enige land van de zes lidstaten, dat geen afzonderlijke rechtsvorm voor besloten verhoudingen kende. Toenmalig minister van Justitie Polak legde daarom aan de Commissie Vennootschapsrecht, destijds onder voorzitterschap van Van der Grinten, de vraag voor of een afzonderlijke rechtsvorm voor een BV wenselijk was en, zo ja, of de Commissie daarvoor dan een voorstel wilde doen.4 Het wetsvoorstel ter invoering van de BV is in belangrijke mate beïnvloed door het advies van deze Commissie.
Behalve op het gebied van de publicatieplicht week het wettelijk regime van de BV niet ver af van wat al gold voor de NV. De structuur en inhoud van de regeling van de BV en de NV waren vrijwel gelijk. Het belangrijkste verschil tussen beide rechtsvormen was gelegen in de regeling over de overdracht van aandelen. In de statuten van een BV moest een blokkeringsregeling zijn opgenomen, die tot gevolg had dat aandeelhouders de aandelen niet zomaar konden vervreemden en deze aandelen dus niet op de beurs verhandeld konden worden. Volgens het wetsontwerp kon de overdracht van aandelen in een BV slechts geschieden met goedkeuring van de AVA of een ander orgaan.
In het wetsvoorstel van de minister werden de bepalingen van het NV-recht die ook voor de BV geschikt waren in een nieuwe (vierde) afdeling van het eerste boek van het WvK van overeenkomstige toepassing verklaard op de BV. De minister meende dat hierdoor een wettelijke regeling tot stand zou komen waaruit duidelijk de verschillen tussen de rechtsvorm van de NV en de BV zouden blijken. Deze manier van wetgeven stuitte echter op de nodige kritiek:
“Die logica is bedriegelijk. Welke bepalingen gelijk zijn kan de wetenschap interesseren, maar niet de man, die een BV heeft. Wie met een BV te maken heeft, wil lezen wat voor de BV is geschreven. En dan kan hij naarstig heen en weer bladeren, want de BV bestaat voor 80 procent uit verwijzingen.”5
Aan de oprichting van een BV werden geen wettelijke “toelatingseisen” gesteld, zoals bijvoorbeeld een minimumkapitaal. Ten aanzien van het vermogen van de vennootschap zag de minister weinig aanleiding om af te wijken van de regeling van de NV.6 Zijns inziens lagen de verhoudingen op dat punt bij de BV niet wezenlijk anders dan bij de NV.7 Alleen de onder het NV-recht gecreëerde mogelijkheid tot het bedingen van bouwrenten werd voor de BV niet wenselijk geacht, “omdat de figuur van de bouwrente haar rechtvaardiging [vond] in het beroep op het publiek om deel te nemen in een nieuwe vennootschap”.8 Vanwege haar besloten karakter kon van een dergelijk beroep op het publiek door een BV geen sprake zijn.