25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/46.7:46.7 Afronding
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/46.7
46.7 Afronding
Documentgegevens:
mr. dr. A. Drahmann, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 1975, p. 51-52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In november 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat een bestuursorgaan bij de verlening van een schaarse vergunning het gelijkheidsbeginsel en de uit dit beginsel voorvloeiende transparantieverplichting in acht moet nemen. In deze bijdrage heb ik willen verkennen of in het kielzog van deze transparantieverplichting een klachtplicht voor de (potentiële) inschrijvers geldt dan wel zou moeten gelden. Mijn voorzichtige antwoord hierop luidt bevestigend.
Op grond van de huidige regeling in de Awb kan geen sprake zijn van rechtsverwerking die leidt tot een niet-ontvankelijkheid van een bezwaar- of beroepschrift. Het is wel mogelijk om beroepsgronden die zien op de verdeelregels, maar waarover niet is geklaagd, buiten beschouwing te laten (de concessie-uitspraak) dan wel het niet klagen als relevant aspect bij de beoordeling van de beroepsgrond (de Emmen-uitspraak) te betrekken. Hiermee is dan sprake van een verbreding van de regels van de goede procesorde naar de bestuurlijke voorfase. Zeker bij de verdeling van schaarse vergunningen is het vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming van belang dat potentiële aanvragers hun klachten over de verdeelregels in een vroeg stadium (al voor de vergunningverlening) kenbaar maken. Het zou daarbij wel mijn voorkeur hebben als een dergelijke klachtplicht in de vorm van een meldplicht in de verdeelregeling zou worden opgenomen. Hierdoor wordt immers expliciet gemaakt dat ook de potentiële aanvragers een rol hebben bij een snelle en doeltreffende verdeelprocedure. Deze explicitering draagt ook bij aan de transparantie van de procedure.
In deze bijdrage heb ik mij beperkt tot de verdeling van schaarse vergunningen, nu de door de Afdeling geformuleerde transparantieverplichting hierop ziet. Ik sluit echter niet uit dat het leerstuk van rechtsverwerking ook daarbuiten een rol zou kunnen spelen. Scheltema schreef al in 1975 dat het van groot nut zou zijn wanneer deze materie verder zou worden onderzocht.1 Nu, bijna 45 jaar later, kom ik tot dezelfde conclusie. Wellicht dat in een volgende jubileumbundel over de Awb zal blijken dat deze handschoen is opgepakt?