Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/7.3.2
7.3.2 De onmogelijkheid van ‘interpersonal utility comparisons’
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301680:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeeld ontleend aan Friedman 2000, p. 44; Gold & Smith 2019, p. [10].
Een eigenaar van een stuk grond heeft dus een ‘no-right’ om harde geluiden te maken en is onder een ‘duty’ om géén harde geluiden te maken. Tegelijkertijd heeft hij een ‘privilege’ om van zijn grond te genieten zonder gestoord te worden door harde geluiden en een ‘claim’ om het maken van harde geluiden te stoppen.
Ik ga er hierbij van uit dat het mogelijk is om daadwerkelijk te observeren welke transacties partijen aangaan. Dat dit in het echt zeker niet altijd eenvoudig zal zijn is geen onoverkomelijk bezwaar. wederpartij, die een ‘liability’ heeft om te worden aangesproken.
Een garantie is een ‘power’ die de subjectief gerechtigde in kan roepen jegens zijn wederpartij, die een ‘liability’ heeft om te worden aangesproken.
268. In hoofdstuk 4 gaf ik aan dat economen vaak aanraden de maatschappelijke welvaart te maximaliseren, maar moeite hebben te bepalen hoe dat zou moeten. Dit geldt bovenal in gevallen waarin subjectieve rechten moeten worden herverdeeld tussen mensen. De reden daarvoor is dat het niet mogelijk is om ‘interpersonal utility comparisons’ te maken. We kunnen niet zeker weten of het voordeel van een maatregel voor de één opweegt tegen het nadeel van dezelfde maatregel voor de ander. We kun nen namelijk niet in de hoofden van deze mensen kijken om te zien wat de maatregel met ze doet. Ook al zouden we dat wel kunnen, dan hebben we geen manier om te vergelijken tussen de gevolgen voor de één en de ander.
269. Het opbouwen en aanvullen van rechtsobjecten en subjectieve rechten is een schoolvoorbeeld van het gedwongen herverdelen van subjectieve rechten. Schaarse middelen die onderdeel worden gemaakt van het ene rechtsobject, kunnen niet langer onderdeel zijn van een ander rechtsobject. Juridische posities die worden toegekend aan de één, kunnen niet langer toekomen aan de ander. Daarom is er bijna per definitie iemand die erop achteruitgaat wanneer schaarse middelen gedwongen worden toegevoegd aan rechtsobjecten, of juridische posities gedwongen worden toegevoegd aan subjectieve rechten.
270. Dit betekent dat de abstracte maatstaf die ik in paragraaf 7.2 omschreef, geen honderd procent zekerheid kan bieden dat een maatregel die eraan lijkt te voldoen ook daadwerkelijk tot hogere welvaart leidt. Ik laat dat in de volgende twee randnummers zien aan de hand van de twee elementen die de maatstaf combineert. In het eerste randnummer bespreek ik dat schaarse middelen (of juridische posities) dienen te worden samengevoegd als deze méér waard zijn dan apart (zie randnummer 260). In het tweede randnummer bespreek ik dat schaarse middelen (of juridische posities) dienen te worden samengevoegd als dat ervoor zorgt dat er minder transacties nodig zijn (zie randnummer 261).
271. De abstracte maatstaf gaat ervan uit dat schaarse middelen (of juridische posities) bij elkaar moeten worden gevoegd indien ze samen meer waard zijn dan apart. Indien er meerdere mensen zijn die aanspraak maken op bepaalde schaarse middelen (of juridische posities), dan dienen deze schaarse middelen (of juridische posities) toegedeeld te worden aan degene die er het meeste nut aan zou ontlenen. De ‘winst’ van de één gaat in zulke gevallen ten koste van de ander. Het toepassen van de abstracte maatstaf komt dus neer op het zoeken naar Kaldor-Hicks-efficiëntie: het is toegestaan de belangen van de één ten koste van de belangen van de ander te laten gaan, als de maatschappelijke welvaart er maar op vooruitgaat (zie paragraaf 4.4.3). Het probleem is echter dat we niet zeker weten of de maat schappelijke welvaart erop vooruitgaat als we de belangen van twee partijen uitwisselen. Maatschappelijke welvaart is de optelsom van de individuele welvaart van de mensen in een maatschappij. Als we niet zeker weten hoe zwaar de belangen van individuen ten opzichte van elkaar wegen, dan weten we ook niet zeker of de maatschappelijke welvaart door een maatregel wordt verhoogd. Het is dus niet mogelijk om de abstracte maatstaf direct toe te passen op concrete gevallen. Dat blijkt ook uit het navolgende voorbeeld.1
A en B zijn buren. A houdt erg van het spelen van harde muziek. B houdt erg van stilte. Een nieuwe wettelijke regel houdt in dat het verboden wordt dat men sen harde geluiden maken die zich verspreiden over grond die in eigendom is van een ander.2 Dit heeft als gevolg dat het nut dat A aan zijn grond ontleent ver mindert, terwijl het nut dat B aan zijn grond ontleent omhooggaat. Een wettelijke regel die juist zou toestaan dat mensen harde geluiden maken die zich verspreiden over de grond van een ander heeft het tegenovergestelde effect. Het is niet met zekerheid te zeggen welke van deze twee regels leidt tot een hogere maatschappelijke welvaart, omdat het niet mogelijk is de gevolgen van een regel voor A en B met elkaar te vergelijken.
272. De abstracte maatstaf impliceert dat schaarse middelen (of juridische posities) door wettelijke regels bij elkaar moeten worden gevoegd als dat ervoor zorgt dat transacties worden voorkomen die partijen anders hoe dan ook waren aangegaan. Daarmee worden de kosten van deze extra transacties vermeden. Men zou zich de vraag kunnen stellen of het moge lijk zou zijn om langs deze route te achterhalen welk nut mensen aan schaarse middelen (of juridische posities) toekennen in combinatie met andere schaarse middelen (of juridische posities). Als bepaalde fysieke schaarse middelen steeds gecombineerd worden, of bepaalde juridische posities steeds in combinatie met elkaar worden afgesproken, dan is dat een aanwijzing dat mensen deze combinaties meer waard vinden dan andere mogelijke combinaties. Dat zou suggereren dat het zinvol is om wettelijke regels op te stellen die deze combinaties automatisch opleggen. Ik denk dat het zeker zinvol is om te kijken naar hoe partijen in de markt besluiten om schaarse middelen (of juridische posities) te combineren. Het is echter niet mogelijk om hieruit met honderd procent zekerheid conclusies te trek ken over welke combinaties efficiënt zijn om maatschappelijke welvaart te verhogen en welke niet.3 Daar zijn drie redenen voor. De eerste reden hangt samen met het feit dat mensen er verschillende opvattingen op na houden, hetgeen ik hierboven al besprak. Als de één een bepaalde combinatie van schaarse middelen (of juridische posities) nuttig vindt en transacties aangaat om ze bij elkaar te brengen, dan wil dat nog niet zeggen dat de ander dat ook vindt. Het observeren van deze twee personen geeft dan geen doorslaggevende informatie over welke combinatie efficiënt is. De tweede reden is dat het observeren van de transacties die mensen aangaan alleen informatie oplevert over de transacties die daadwerkelijk tot stand komen. Transacties die niét tot stand komen omdat de transactiekosten hoger zijn dan het extra nut dat eraan ontleend zou worden, blijven onzicht baar. De derde reden is dat het observeren van transacties slechts informatie oplevert die relevant is in het systeem zoals dat bestaat. Dit betekent dat mensen wellicht keuzes maken om schaarse middelen (of juridische posities) te combineren die gebaseerd zijn op andere onderdelen van het bestaande systeem (zoals wettelijke regels of gewoonten). Het is niet met zekerheid te zeggen of dezelfde keuzes in een ander systeem eveneens (het meest) efficiënt waren geweest.
273. Ook het concreter maken van de abstracte maatstaf leidt er niet toe dat met zekerheid kan worden gezegd dat een maatregel tot maximale maatschappelijke welvaart leidt.
De abstracte maatstaf luidt: “schaarse middelen (of juridische posities) dienen zodanig te worden samengevoegd dat het totale maatschappelijke nut dat aan alle rechtsobjecten (of subjectieve rechten) ontleend wordt, maximaal is.” Een veel concretere variant daarvan is – bijvoorbeeld – een maatstaf die luidt: “de koop van een auto dient vergezeld te gaan van een garantieperiode van zeven jaar indien het maatschappelijke nut die aan auto’s (of zelfs: “deze auto”) ontleend wordt, daardoor wordt verhoogd.”4 Ook deze variant loopt tegen de onmogelijkheid van ‘interpersonal utility comparisons’ aan. Sommige mensen zullen meer nut ontlenen aan een duurdere auto met zeven jaar garantie, terwijl andere mensen meer nut zullen ontlenen aan een goedkopere auto zonder garantie. Welke van de twee zwaarder weegt, is niet met zekerheid te zeggen. Ook is uit het feit dat sommige mensen een extra lange garantieperiode afspreken niet af te leiden of het maatschappelijke nut over de gehele linie omhoog zou gaan als de verkoop van een auto standaard vergezeld zou gaan van een extra lange garantieperiode.