AB 2023/82
Digitaal platform zoals een groepschat op Telegram geen ‘openbare plaats’ in de zin van artikel 2:2 lid 1 onder g APV Utrecht. Een last onder dwangsom ter handhaving van een dergelijk verbod zou in strijd komen met artikel 7 lid 3 Grondwet.
Rb. Midden-Nederland 03-02-2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:375, m.nt. J.G. Brouwer & A.E. Schilder
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
3 februari 2023
- Magistraten
Mr. A.A.M. Elzakkers
- Zaaknummer
UTR 22/3528
- Noot
J.G. Brouwer & A.E. Schilder
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS689795:1
- Vakgebied(en)
Openbare orde en veiligheid / Algemene plaatselijke verordening
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Staatsrecht / Grondrechten
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBMNE:2023:375, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 03‑02‑2023
- Wetingang
Art. 2:2 lid 1 onder g APV Utrecht; art. 7 lid 3 Gw
Essentie
Digitaal platform zoals een groepschat op Telegram geen ‘openbare plaats’ in de zin van artikel 2:2 lid 1 onder g APV Utrecht. De APV-bepaling is voor de situatie dat er op de openbare plaats uitdagend gedrag wordt vertoond dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden. In een gemeentelijke verordening mag de inhoud van uitlatingen niet aan banden worden gelegd. Een last onder dwangsom ter handhaving van een dergelijk verbod zou in strijd komen met artikel 7 lid 3 Grondwet.
Partij(en)
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen:
Eiser (gem.: mr. J.H.A. van der Grinten),
en
De burgemeester van de gemeente Utrecht (de burgemeester) (gem.: mr. R. Wiersma en J. Baaijens).
Uitspraak
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom.
De burgemeester heeft op 26 november 2021 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij een leidende rol zou hebben gespeeld bij het oproepen tot een gewelddadige confrontatie met de politie en/of ordeverstoring in de Kanaalstraat in Utrecht. Dat heeft eiser volgens de burgemeester gedaan door in de Telegram groepschat ‘Telegram groepschat’ een pamflet te verspreiden met de tekst Utrecht in opstand, nee 2G & nee vuurwerkverbod! 26-11-21, 19.30, Kanaalstraat, Be there!!! Neem je matties & vuurwerk mee.”
De last die de burgemeester aan eiser heeft opgelegd houdt in dat hij zich dient te onthouden van online uitlatingen (op social media) die zijn te kwalificeren als het door uitdagend gedrag aanleiding geven tot wanordelijkheden. Hieronder wordt in ieder geval begrepen het oproepen tot of het delen van oproepen tot samenkomsten in Utrecht die tot doel hebben de openbare orde te verstoren. Bij niet naleving van de last verbeurt eiser een dwangsom van € 2.500,-, met een maximum van € 10.000,-.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze last onder dwangsom. De burgemeester heeft dit bezwaar op 14 juni 2022 ongegrond verklaard, omdat zij vindt dat er terecht een last onder dwangsom aan eiser is opgelegd. Wel trekt de burgemeester de last onder dwangsom in met ingang van de datum waarop het besluit op bezwaar is verzonden, omdat de burgemeester ervan uitgaat dat eiser zich bewust is van de gevolgen van zijn handelen, niet snel in herhaling zal vallen en omdat de landelijke situatie wat betreft coronamaatregelen en daarmee gepaard gaande onrust is gewijzigd.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de ouders van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
1.
De rechtbank stelt vast dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep, ondanks dat de last onder dwangsom in bezwaar niet is gehandhaafd. Eiser wenst namelijk aanspraak te maken op een proceskostenvergoeding in bezwaar en heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij door de last onder dwangsom in zijn eer en goede naam is geschaad.
Overtreding van de APV
Reikwijdte van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV
2.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn uitlatingen in de groepschat op Telegram artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (APV) heeft overtreden. Dit artikel houdt een verbod in om op een openbare plaats op enigerlei wijze door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. In de eerste plaats stelt de burgemeester dat de ‘openbare plaats’ de Kanaalstraat in Utrecht is, want eiser heeft opgeroepen daarheen te gaan. De wanordelijkheden dreigden dus daar — en daarmee op een openbare plaats — plaats te vinden. Niet vereist is dat het uitdagend gedrag dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden ook op die openbare plaats plaatsvindt. Niet de plaats waar het gedrag wordt geuit is volgens de burgemeester namelijk doorslaggevend, maar de plaats waar het gedrag zich op richt. Dat blijkt ook uit de term ‘op enigerlei wijze’ in artikel 2:2, eerste lid, van de APV, waaruit kan worden afgeleid dat het uitdagende gedrag op allerlei manieren en dus ook digitaal kan plaatsvinden. Steun voor deze uitleg vindt de burgemeester in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 20201. en de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 3 december 2020.2. In de tweede plaats wijst de burgemeester erop dat ook een groepschat op Telegram een ‘openbare plaats’ in de zin van de APV is. Het is immers een groepschat die voor iedereen toegankelijk is.
3.
Eiser ziet dat anders. Hij voert aan dat de burgemeester niet bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen, omdat hij met zijn handelen artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV niet heeft overtreden. De term ‘openbare plaats’ maakt duidelijk dat het moet gaan om gedrag dat in een fysieke ruimte in de openlucht plaatsvindt en niet om uitlatingen in een groepschat op Telegram. De toelichting op de APV bevestigt volgens eiser dat digitale uitlatingen niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen. Uit de bewoordingen ‘op enigerlei wijze’ kan bovendien niet worden afgeleid dat uitdagend gedrag ook op een digitaal platform kan plaatsvinden, zolang dit leidt tot wanordelijkheden op een openbare plaats. Dit volgt niet uit de tekst van het artikel en sluit ook niet aan bij de bedoeling van het artikel, zoals in de toelichting staat. Voor zover de burgemeester stelt dat een groepschat op Telegram een openbare plaats is in de zin van de APV, wijst eiser erop dat Telegram een communicatiemiddel is en daarom niet kan worden gelijkgesteld met een openbare plaats.
4.
De rechtbank geeft eiser gelijk. Artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV houdt (voor zover hier relevant) een verbod in om op een openbare plaats op enigerlei wijze door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. De rechtbank stelt voorop dat met een ‘openbare plaats’ een fysieke plaats is bedoeld. Volgens artikel 1:1, onder b, van de APV wordt onder ‘openbare plaats’ in de zin van de APV verstaan: een voor publiek toegankelijke plaats, waaronder de weg begrepen. In de toelichting op dat artikel staat dat met de term ‘openbare plaats’ is beoogd om die plaatsen aan te wijzen die eerst onder het in de APV te breed gebruikte begrip ‘weg’ vielen en nu niet meer. Het gaat volgens de toelichting dan om fysieke plekken, zoals pleinen, parken, voor publiek toegankelijke stoepen, et cetera.3. Uit de APV of de toelichting daarop kan niet worden opgemaakt dat is bedoeld om (ook) een digitaal platform zoals een groepschat op Telegram aan te merken als ‘openbare plaats’. Dit is ook logisch, want een (voor iedereen toegankelijke) groepschat op Telegram is weliswaar openbaar, maar het is geen plaats in de zin van de APV die binnen de bevoegdheden van de burgemeester valt. Ook verder zijn er geen aanknopingspunten door de burgemeester benoemd of te vinden, waaruit blijkt dat onder het begrip ‘openbare plaats’ in de zin van de APV ook een groepschat op social media zou kunnen vallen. De rechtbank volgt de burgemeester dan ook niet in de stelling dat een groepschat op Telegram een openbare plaats is in de zin van de APV.
5.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester een onjuiste uitleg geeft aan artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV door te zeggen dat alleen de wanordelijkheden die dreigen te gebeuren zich op een openbare plaats moeten afspelen, maar dat het gedrag dat daartoe aanleiding geeft ook op een niet-fysieke plek kan plaatsvinden. De APV-bepaling is duidelijk bedoeld voor de situatie dat er op de openbare plaats uitdagend gedrag wordt vertoond dat aanleiding geeft tot wanordelijkheden. Dit blijkt in de eerste plaats uit de tekst van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV zelf. Er staat namelijk dat het verboden is op of aan een openbare plaats op enigerlei wijze door gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
In de tweede plaats volgt uit de toelichting op het artikel ook niet dat het gedrag digitaal zou kunnen plaatsvinden. De bewoording ‘op enigerlei wijze’ in het artikel doet daar niet aan af, aangezien het gaat om gedrag op of aan een openbare plaats dat op enigerlei wijze kan worden geuit.
6.
De rechtbank ziet verder in de door de burgemeester aangehaalde rechtspraak geen bevestiging voor haar lezing van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV. De genoemde uitspraken gaan namelijk niet over een uitleg van dit — of een daarmee vergelijkbaar — artikel in de APV en gaan ook niet over het begrip ‘openbare plaats’. In de zaak waarover de uitspraak van de Afdeling gaat, gaat het om de exploitatie van een escortbedrijf zonder vergunning in Amsterdam. In die zaak oordeelde de Afdeling in de eerste plaats dat er sprake was van een onvergund escortbedrijf. Vervolgens oordeelde de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders (het college) in Amsterdam bevoegd was om daartegen handhavend op te treden, omdat de illegale activiteiten zich in Amsterdam afspeelden. Het ging dus in die zaak om de vraag of het college van Amsterdam — gelet op de territoriale bevoegdheidsverdeling — bevoegd was handhavend op te treden. Dat is een andere vraag dan de vraag of artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV betrekking kan hebben op digitale uitlatingen. De rechtbank vindt daarom niet dat uit die uitspraak kan worden afgeleid dat de verbodsbepaling van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV dus ‘digitaal’ kan worden overtreden. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland waarnaar de burgemeester verwijst. Die zaak ging evenmin over de uitleg van een APV-bepaling zoals hier speelt, maar ging over de vraag of er een op digitale berichten gebaseerde ernstige vrees voor de verstoring van de openbare orde bestond.
7.
Alleen hierom slaagt het beroep van eiser al.
Vrijheid van meningsuiting
8.
De rechtbank stelt echter bovendien vast dat als de burgemeester wél zou worden gevolgd in haar uitleg van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV, dit zou leiden tot een ontoelaatbare beperking van de in artikel 7, derde lid, van de Grondwet neergelegde vrijheid van meningsuiting.
9.
Volgens de burgemeester zijn uitlatingen die uitdagend zijn en aanleiding geven tot wanordelijkheden geen ‘uitingen van een mening’ en is er daarom al geen sprake van een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat standpunt is onjuist. Eiser voert terecht aan dat het uiten van een mening breed moet worden uitgelegd.4. Ook het uiten van een ‘ongewenste mening’ blijft een mening. Anders zou aan de hand van de inhoud van een uitlating een schifting kunnen worden gemaakt in welke uitlating al dan niet een mening is, waarmee in feite op voorhand al een beperking wordt aangebracht in wat iemand wel of niet mag zeggen. Uitlatingen die uitdagend zijn en aanleiding geven tot wanordelijkheden zijn dus ook uitingen van een mening.
10.
Als de uitleg van de burgemeester van artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV vervolgens zou worden gevolgd, is er dus sprake van een verbodsbepaling in de APV om op social media uitdagende uitlatingen te doen die aanleiding geven tot wanordelijkheden. Dit is niet toegestaan, want in een gemeentelijke verordening mag de inhoud van uitlatingen niet aan banden worden gelegd. Het is een lokale regelgever (in dit geval de gemeenteraad) namelijk niet toegestaan om grondrechten te beperken wanneer een dergelijke beperking niet kan worden teruggevoerd op een wet in formele zin. Of een wet in formele zin beperking van grondrechten kan inhouden en of die beperking vervolgens kan worden gedelegeerd aan een lagere wetgever hangt af van de formulering van het grondrecht in de Grondwet. In het geval van het grondrecht ‘vrijheid van meningsuiting’ kan inhoudelijke beperking daarvan enkel (onder bepaalde voorwaarden) door middel van een wet in formele zin en niet (mede) door delegatie aan een lagere regelgever.5. De APV, waarop de burgemeester haar besluit heeft gebaseerd, kán dus geen inhoudelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting bevatten.
11.
Dit neemt overigens niet weg dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting die niet de inhoud van uitingen betreffen, wél middels een wet in formele zin kunnen worden uitgeoefend door de burgemeester (zie bijvoorbeeld artikel 5 van de Wet openbare manifestaties). Evenmin neemt dat de mogelijkheid voor de formele wetgever weg om in een voorkomend geval een inhoudelijke beperking aan te brengen op de vrijheid van meningsuiting, zoals bijvoorbeeld is gedaan door de strafbaarstelling van opruiing in het Wetboek van Strafrecht.6.
Slotsom
12.
Kortom: de uitleg die de burgemeester aan artikel 2:2, eerste lid, onder g, van de APV geeft, volgt de rechtbank niet. Dat betekent dat eiser door zich op een bepaalde manier uit te laten in een groepschat op Telegram — wat daar verder ook van zij — het in dat artikel neergelegde verbod niet heeft overtreden. De burgemeester was daarom niet bevoegd om een last onder dwangsom aan eiser op te leggen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet meer toe.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar en voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wordt geacht niet te hebben bestaan.
Gelet daarop, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt in de bezwaar- en beroepsprocedure. De burgemeester moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4.0 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, beide met een waarde van € 597,- per punt; plus 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde van € 837,- per punt), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.868,-.
Ook bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- —
verklaart het beroep gegrond;
- —
vernietigt het besluit op bezwaar van 14 juni 2022;
- —
voorziet zelf in de zaak, herroept het primaire besluit van 26 november 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- —
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2868,-.
- —
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van eiser van € 184,- vergoedt.
Noot
Auteur: J.G. Brouwer & A.E. Schilder
1.
Het gebeurt niet zo vaak dat een uitspraak van de bestuursrechter op rechtbankniveau in het achtuurjournaal aandacht krijgt. Dit was er dan een. In gemeentehuizen keek men er met spanning naar uit. Zou de burgemeester met de last onder dwangsom daadwerkelijk een instrument in handen hebben om oproepen tot rellen ‘aan de voorkant’ in de kiem te smoren? De rechtbank Midden-Nederland maakt korte metten met deze methode. Voor in de problematiek geverseerde juristen bevat de uitspraak weinig ‘nieuws’, zij waarschuwden al dat burgemeesters zich niet rijk moesten rekenen (zie bijv.: https://www.binnenlandsbestuur.nl/juridisch/online-gebiedsverbod-blijft-juridisch-complex en: ‘Online oproep verstoring openbare orde: dwangsom onhoudbaar’, op: www. openbareorde.nl). Veel burgemeesters daarentegen zijn ernstig teleurgesteld en oefenen nu druk uit op de wetgever om dit gat te dichten. Het zal — denken wij — een vergeefse poging zijn.
2.
Wat speelde? Een 17-jarige jongen uit Zeist verspreidt in de Telegram groepschat een pamflet met daarin de tekst:
‘Utrecht in opstand, nee 2G & nee vuurwerkverbod! 26-11-21, 19.30, Kanaalstraat, Be there!!! Neem je matties & vuurwerk mee.’
Voor de burgemeester van Utrecht is dit reden om op basis van artikel 2:2 lid 1 onder g APV Utrecht in verbinding met artikel 125 Gemeentewet (Gemw) een last onder dwangsom aan de jongen op te leggen. Hij mag geen online uitlatingen doen die aanleiding kunnen geven tot wanordelijkheden in Utrecht. Als hij zich niet aan de last houdt, moet hij een dwangsom van € 2.500 betalen. Volgens dezelfde burgemeester kunnen we niet langer de ogen sluiten voor wat zich online afspeelt en de mogelijke gevolgen daarvan. Een oproep als die van de jongen raakt direct aan de openbare orde in Utrecht en daardoor zou er een legitieme basis zijn om op te treden.
3.
De tekst van artikel 2:2 lid 1 onder g APV Utrecht luidt als volgt:
- “1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze:
(…)
- g.
door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.”
Toepassing van deze bepaling in verbinding met artikel 125 Gemw roept een drietal vragen op: a. is Telegram groepschat te beschouwen als een openbare plaats als bedoeld in de verordening; b. kan de burgemeester van Utrecht een last onder dwangsom opleggen aan iemand die zich in een andere gemeente schuldig maakt aan overtreding van de verordening en c. is de burgemeester bevoegd om op basis van deze verordening beperkingen te stellen aan de vrijheid om gedachten en gevoelens te openbaren, zoals gewaarborgd in artikel 7 lid 3 Grondwet?
4.
De eerste vraag beantwoordt de rechtbank negatief. Met een ‘openbare plaats’ wordt een fysieke plaats bedoeld. Volgens de toelichting op de bepaling gaat het om fysieke plekken, zoals wegen pleinen, parken en dergelijke. Een digitaal platform als een groepschat op Telegram valt hier niet onder. En op deze redenering valt weinig of niets af te dingen.
5.
De tweede vraag beantwoordt de rechtbank eveneens ontkennend. De aangevoerde strafbare gedraging vindt weliswaar plaats in Zeist, maar de rechtbank is van mening dat de analogie die de burgemeester meent te ontwaren in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak niet aanwezig is (ECLI:NL:RVS:2020:1187). In die zaak runt een niet in Amsterdam woonachtige persoon in strijd met de Amsterdamse APV onvergund door middel van een website een escortbedrijf in de hoofdstad. De Afdeling oordeelt dat het college van Amsterdam bevoegd is een last onder dwangsom aan die persoon op te leggen, ondanks dat hij niet woonachtig is in Amsterdam, omdat de strafbare gedraging plaatsvindt in Amsterdam. Dit is een andere situatie dan die in de Utrechtse casus. Hierin vindt het strafbare gedrag in Zeist plaats, maar doet het effect van de gedraging zich gelden in Utrecht.
6.
Bij de derde — de meest wezenlijke — vraag komt de rechtbank al evenzeer tot een negatieve conclusie. Een APV-bepaling kan geen betrekking hebben op de inhoud van uitingen. De formele wetgever is slechts bevoegd dit soort van beperkingen aan te brengen op de vrijheid van meningsuiting. Voor de gemeenteraad is dit verboden terrein.
7.
Om dezelfde reden vernietigde de regering spontaan alweer wat langer geleden de ‘vloekverboden’ in de APV van een aantal Veluwse gemeenten (KB 05-06-1986, Stb. 1986, 337). De Eindhovense APV-bepaling die het verbood om in het openbaar ‘iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen (…) dan wel op andere wijze overlast aan te doen’ was een soortgelijk lot beschoren. De Hoge Raad verklaarde haar onverbindend: door schelden of najouwen worden gedachten of gevoelens uitgedrukt die vallen binnen het bereik van artikel 7 lid 3 Grondwet (ECLI:NL:HR:1992:ZC9136).
8.
Meer recent sneuvelde het Rotterdamse ‘sisverbod’ met hierin praktisch dezelfde inhoud als de Eindhovense regeling. Het Hof Den Haag oordeelde het verbod niet alleen in strijd met artikel 7 lid 3 Grondwet, maar ook met de voorzienbaarheidseis van artikel 10 lid 2 EVRM: burgers kunnen vanwege de vage bewoording niet of onvoldoende bepalen welke uitingen ze al dan niet moeten nalaten om aan strafbaarheid te ontsnappen (ECLI:NL:GHDHA:2019:3293).
9.
Een en ander maakt nog maar weer eens duidelijk dat een gemeentelijke verordening geen beperkingen kan stellen aan de inhoud van een boodschap. Derhalve kan een burgemeester ook nooit ter handhaving van wat voor soort bepaling in de APV dan ook, zich inlaten met het beoordelen van de toelaatbaarheid van de inhoud van een boodschap. Dat volgt overigens niet slechts uit artikel 7 Grondwet, maar bijvoorbeeld ook uit artikel 4 lid 3 Wet openbare manifestaties:
‘Over de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens worden geen gegevens verlangd.’
Des te verbazingwekkender is het dat in steeds meer gemeenten verordeningen vigeren die zelfs expliciet uitingen verbieden, zoals artikel 2:1b APV Almelo. Dat verbiedt ‘om via digitale middelen uitingen te doen die kunnen leiden tot een fysieke verstoring van de openbare orde binnen het grondgebied van de gemeente Almelo, dan wel tot het ontstaan van een ernstige vrees daarvoor’ (zie hierover https://blog.sbo.nl/veiligheid/drillverordening-almelo-onverbindend/).
10.
Dat het verbod van bestuurlijke toetsing op de inhoud een fundamenteel constitutioneel beginsel betreft, blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling inzake de intocht van Sinterklaas in Amsterdam (ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4117, JB 2014/245, afl. 15, m.nt. R.J.B. Schutgens, AB 2015/55, m.nt. J.G. Brouwer/A.E. Schilder). Tegenstanders van de intocht eisten dat de burgemeester geen vergunning zou mogen geven voor het evenement vanwege het discriminerende karakter van Zwarte Piet. De burgemeester stelde zich evenwel op het standpunt dat hij dit argument niet kon meewegen in zijn besluitvorming. De Afdeling was dat met hem eens. Zij overwoog dat de burgemeester bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden tot handhaving van de openbare orde niet de inhoud van de boodschap van een evenement mag betrekken, laat staan zijn oordeel mag geven over de toelaatbaarheid ervan. Deze begrenzing hangt volgens de Afdeling nauw samen met het constitutionele uitgangspunt ‘dat decentrale bestuursorganen bij het toepassen van dergelijke bevoegdheden niet dienen te treden in een beoordeling van de inhoudelijke toelaatbaarheid van publieke uitingen’. Omdat dit beginsel kennelijk in de gemeentelijke praktijk niet alom wordt onderkend, is het nuttig de Afdeling wat uitgebreider te citeren:
‘Dat uitgangspunt is onder meer neergelegd in de artikelen 6 tot en met 9 van de Grondwet, en wordt in vaste jurisprudentie al langer gehuldigd. Zo overwoog de Hoge Raad reeds in het arrest van 28 november 1950 (NJ 1951, 137; APV Tilburg) dat in het toenmalige artikel 7 van de Grondwet, naast een censuurverbod, besloten ligt dat uitsluitend de formele wetgever mag bepalen welke gedrukte uitingen vanwege hun inhoud ongeoorloofd zijn, en dat decentrale regulering slechts betrekking mag hebben op de ordening van de ruimtelijke sfeer, de openbare ruimte rakend. Bij de herziening van de Grondwet in 1983 is in artikel 7, tweede en derde lid, ditzelfde uitgangspunt met betrekking tot de overige meningsuitingsvormen neergelegd (zie hiertoe bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 8 april 1988 in zaak nr. R0.38.60316; AB 1989, 88). In lijn hiermee bepalen de artikelen 6 en 9 van de Grondwet dat de daarin beschermde manifestaties, onder meer betogingen, door bestuursorganen uitsluitend beperkt mogen worden op grond van niet-inhoudelijke overwegingen, namelijk ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding van wanordelijkheden. Dienovereenkomstig verbiedt de Wet openbare manifestaties (hierna: de Wom) de burgemeester om ten aanzien van betogingen met betrekking tot de inhoud van het daarbij te openbaren gedachtegoed voorschriften, beperkingen of verboden op te leggen. Ten slotte verbiedt artikel 7, tweede en derde lid, van de Grondwet iedere preventieve beperking door de overheid van meningsuitingen door radio, televisie en andere uitingsmiddelen op grond van de inhoud ervan (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 in zaak nr. 201304610/1/A2 alsmede het arrest van de Hoge Raad van 26 april 1996, zaak nr. 15940, ECLI:NL:HR:1996:ZC2051, NJ 1996, 728; Rasti Rostelli).’
Het citaat bevat geen woord Spaans, lijkt ons.
11.
Inmiddels blijkt de uitspraak van de rechtbank voor 41 burgemeesters reden om in NRC van 6 februari 2023 aan de wetgever te vragen een bevoegdheid in het leven te roepen met behulp waarvan zij preventief online uitlatingen kunnen verbieden als zij denken dat die aanzetten tot ongeregeldheden. Dat zou bijvoorbeeld ook rapmuziek kunnen zijn, schrijven zij in hun opiniestuk. Het verzoek lijkt ons — mede gelet op de bovenstaande jurisprudentie — gekarakteriseerd te moeten worden als een historische vergissing. Het valt niet in te zien hoe de wetgever de burgemeesters een dergelijke bevoegdheid zou kunnen toekennen zonder (a) het delegatieverbod van artikel 7 lid 3 Grondwet te doorkruisen, dan wel (b) zich schuldig te maken aan het verbod van preventieve beperking door de overheid van meningsuitingen op grond van de inhoud.
12.
Dat het sommige burgemeesters overigens ernst is, blijkt wel uit een brief van de burgemeester van Amsterdam. Deze schrijft in een brief aan de Amsterdamse gemeenteraad een proefproces te willen uitlokken om ‘meer juridische duidelijkheid’ te krijgen over een online gebiedsverbod. De burgemeester wil personen die online oproepen tot (mogelijke) ordeverstoringen verbieden de oproep te herhalen of hen een verbod op te leggen een of meer sociale media te gebruiken op basis van bevelsbevoegdheden in de Gemeentewet. Bevoegdheden waarvan onomstotelijk vaststaat dat hiermee geen grondwettelijk beschermde grondrechten kunnen worden ingeperkt, ook niet als een grondwetsbepaling delegatie mogelijk maakt (zie recent ABRvS 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2912, JB 2021/30, m.nt. M.A.D.W. de Jong, AB 2021/177, m.nt. J.G. Brouwer en A.E. Schilder). Op welk punt het aan juridische duidelijkheid ontbreekt, is voor ons een raadsel.
13.
Betekent dit alles dan dat machteloos moet worden toegezien hoe personen zich schuldig maken aan online opruiing? Zeker niet. De officier van justitie kan op grond van de bevoegdheid in artikel 125p Wetboek van Strafvordering in een zogenaamde Notice of Take Down-procedure aan een aanbieder van een communicatiedienst het bevel geven een strafbare uiting van het internet te verwijderen. Hiervoor heeft hij wel een machtiging van de rechter-commissaris nodig.
Voetnoten
Voetnoten
Zie de toelichting op het begrip ‘openbare plaats’ van artikel 1:1, onder b, van de APV.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 februari 2009, nr. 23806/03 (Długołęcki v. Poland), onder 34.
Zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946.
Zie artikel 131 e.v. van het Wetboek van Strafrecht.