Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/4.2.3
4.2.3 Geen oplegging enige verplichting anders dan tot storting nominale bedrag (2:81 BW)
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS371805:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Veen 2003, p. 143-144.
Er zijn overigens ook andere wijzen van onderscheid te maken. Zo wordt ook onderscheiden in werking van het artikel alleen ten aanzien van verplichtingen jegens de vennootschap of ook ten aanzien van verplichtingen tussen aandeelhouders onderling en/of tussen aandeelhouders en derden, zie bijvoorbeeld Dortmond 2003, p. 333, Van Solinge, Nieuwe Weme & Rensen 2001, p. 486. Zie ook Rensen 2005, p. 115 e.v. en Slagter/Assink 2013, § 32.
Wet van 2 juli 1928 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamloze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus (Stb. 1928, 216).
Zie Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:81 BW, aant. 1.1 (online, bijgewerkt 1 februari 2017) onder verwijzing naar Van der Heijden 1929, nr 172, waar staat vermeld: ‘Deze extra verplichtingen, welke vooral bij semi-coöperatieve nn. vv. plegen voor te komen, betreffen levering van producten, verrichting van diensten enz. De betekenis van het wetsvoorschrift ligt hierin dat dergelijke ver-plichtingen niet door vennootschappelijk besluit aan de aandeelhouders kunnen worden opgelegd.’
Bijvoorbeeld Rensen 2001, p. 486. Gezien de bewoordingen van het door de Flex BV wet gewijzigde artikel 2:192 BW ligt het voor de hand uit te gaan van de ruime leer, zie bijvoorbeeld Dortmond 2003, p. 333.
Bijvoorbeeld Van Veen 2003, p. 143-144.
Zie ook Dortmond 1989, p. 40 e.v. Zie de Wet van 2 juli 1928 (Stb. 1928, 216) en daarover Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/4 en 295, Dortmond 2003, p. 333 en Huizink,GS Rechtspersonen, artikel 2:81 BW, aant. 1.1 (online, bijgewerkt 1 februari 2017).
Zie ook Dortmond 2003, p. 333.
Rensen 2001.
Kist & Visser 1929 schrijven dat artikel 38b WvK zich niet uitlaat omtrent de aard van de verplichtingen en voorts dat de statuten de aandeelhouders ook andere verplichtingen kunnen opleggen dan die tot volstorting en dat ook denkbaar is dat die andere verplichtingen zodanig zijn dat daaruit een rechtsband tussen aandeelhouders voortvloeit.
Zo ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/106 en Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/172. Zie ook HR 17 mei 1991, NJ 1992/645 m.nt. J.M.M. Maeijer (Lampe/Tonnema).
Anders Oost 2017.
Zie in dit verband HR 17 mei 1991, NJ 1991/645 m.nt. J.M.M. Maeijer (Lampe/Tonnema), waarin de wijziging van een aanbiedingsregeling naar een goedkeuringsregeling tegen de wil van een minderheidsaandeelhouder centraal stond. De Hoge Raad oordeelde dat het door de meerderheidsaandeelhouder genomen besluit in dit geval niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid.
Zie bijvoorbeeld Wakkie 2002, p. 210-211.
Zo ook bijvoorbeeld Blanco Fernández 2010 en Van Veen 2003, p. 144-145.
Hieronder valt echter niet het geval dat door conversie het nominale bedrag van het aandeel wordt vergroot. Zie hierna onder 4.2.8.
Zie bijvoorbeeld ook Slagter/Assink 2013, § 32.
Zie Rensen 2005, p. 126. e.v. onder verwijzing naar Rb. ’s-Gravenhage 16 mei 1935, De NV 1935/8, p. 241-242.
Zie bijvoorbeeld ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/295 en Slagter/Assink 2013, § 32, beiden onder verwijzing naar Rb. Assen 28 juni 1949, NJ 1949/757 (Zuivelfabriek Coevorden).
Ingevolge artikel 2:81 BW kan aan een aandeelhouder niet, zelfs niet door wijziging van de statuten, tegen zijn wil enige verplichting boven de storting tot het nominale bedrag worden opgelegd. De vraag is welk soort verplichtingen onder de werking van artikel 2:81 BW vallen, met andere woorden wat is haar reikwijdte? Van Veen1 onderscheidt drie typen verplichtingen. De eerste betreft voorschriften waaraan een aandeelhouder dient te voldoen alvorens hij bepaalde rechten of bevoegdheden kan uitoefenen. Bijvoorbeeld voorschriften waaraan in het kader van een blokkeringsregeling moet zijn voldaan alvorens tot overdracht van de aandelen kan worden overgegaan. Als tweede type onderscheidt hij verplichtingen die nopen tot een inbreng boven de stortingsplicht in de ruime zin van het woord. Dit kan bijvoorbeeld een verplichting omvatten tot het bijdragen in een tekort van de vennootschap of een verplichting aansprakelijkheid te aanvaarden voor (bepaalde) verbintenissen. Het laatste type verplichtingen dat hij onderscheidt betreft de verplichting tot aanbieding en overdracht van aandelen die een aandeelhouder verplichten zijn aandeelhouderschap op te geven.2 Uit de wetshistorie, zo betoogt hij, valt op te maken dat de voorloper van artikel 2:81 BW, artikel 38b Wetboek van Koophandel (hierna: WvK), beoogde te voorkomen dat aan aandeelhouders aanvullende verplichtingen zouden kunnen worden opgelegd. De ratio van de bepaling, aldus Van Veen, is de aandeelhouder te beschermen tegen het opleggen van verplichtingen tot inbreng of andere prestatie ten behoeve van de vennootschap, boven de overeengekomen storting. Niet meer maar ook niet minder. Te denken valt aan de verplichting tot levering van producten of het verrichten van diensten.
Artikel 38b WvK werd ingevoerd bij wet van 2 juli 19283. In die tijd werd het in het leven roepen van een naamloze vennootschap gezien als het aangaan van een vennootschap of maatschap. Uit dat karakter vloeide voort dat de verhouding tussen de naamloze vennootschap en de aandeelhouders door de algemene voorschriften omtrent overeenkomsten werd beheerst. Voor de naamloze vennootschap vond de wetgever de regeling van artikel 5 lid 2 nr. 4 van de Wet op de Coöperatieve Verenigingen 1925, die voorzag in een verzwaring van de verplichtingen van de leden door statutenwijziging, kennelijk ongeschikt. De relatie tussen de naamloze vennootschap en haar aandeelhouders als kapitaalverschaffers, werd blijkbaar anders gezien dan die tussen de coöperatieve vereniging en haar leden.4
Het uitgangspunt van artikel 2:81 BW is dat een aandeelhouder tot niet meer kan worden verplicht dan tot de kapitaaldeelname waartoe hij zich aanvankelijk heeft verbonden, welke is gemaximeerd tot zijn nominale aandelenkapitaal. Verplichtingen tot aanvullende inbreng en tot het verrichten van andere prestaties kunnen niet worden opgelegd. Aldus bewaakt dit artikel de beperkte aansprakelijkheid en de beperkte draagplicht van aandeelhouders tot hun initiële kapitaaldeelname. Ik zou overigens een ander, mijns inziens iets voor de hand liggender onderscheid van verzwaring van verplichtingen willen hanteren: (i) verplichtingen tot aanvullende storting; (ii) andere aanvullende verplichtingen van een aandeelhouder jegens de vennootschap, zoals het voldoen aan kwaliteitseisen voor aandeelhouderschap; en (iii) andere aanvullende verplichtingen van een aandeelhouder jegens de andere aandeelhouders zoals een verplichte aanbieding van aandelen bij voorgenomen overdracht of een verplichte aanbieding in bepaalde gevallen, zoals faillissement of change of control binnen de aandeelhouder. Ik onderken overigens dat de grens tussen ‘andere aanvullende verplichtingen van een aandeelhouder jegens de vennootschap’ (categorie ii) en ‘andere aanvullende verplichtingen van een aandeelhouder jegens andere aandeelhouders’ (categorie iii) niet altijd scherp is te trekken. Zo behelst de regeling omtrent een aanbiedingsplicht jegens de andere aandeelhouders meestal ook een aantal verplichtingen jegens de vennootschap, zoals de melding van de verplichting tot aanbieding en brengt het verlies van een bepaalde kwaliteit in veel gevallen ook de verplichting tot aanbieding van aandelen met zich mee. Daarbij komt dat ook binnen deze categorieën gradaties van bezwaarlijkheid van verplichtingen denkbaar zijn. De vraag is of artikel 2:81 BW aandeelhouders voor oplegging van alle soorten (en maten) van aanvullende verplichtingen behoedt.
Sommigen5 menen dat alle drie voorgaande categorieën verplichtingen zoals door mij onderscheiden onder de reikwijdte van artikel 2:81 BW vallen (de ruime leer). Anderen6 scharen alleen verbintenissen die het karakter hebben van een extra- inbreng of het verrichten van andere prestaties jegens de vennootschap (het eerste en tweede type verplichting uit mijn indeling) onder de werking van artikel 2:81 BW (de enge leer).
Ik meen dat een ruime opvatting voortvloeit uit de wetsgeschiedenis, waar met deze regeling nadrukkelijke afwijking ten opzichte van de destijds bestaande regeling voor de coöperatieve vereniging lijkt te zijn beoogd7 welke voorzag in het opleggen van ook andere dan financiële verplichtingen. Maar ook als artikel 2:81 BW enkel geschreven zou zijn met het oog op de kapitaaldeelname zou naar ik meen de strekking van, en de gedachte achter dit artikel leiden tot dezelfde conclusie. De bescherming die dit artikel beoogt te bieden is dat een aandeelhouder niet tot meer gehouden kan worden dan tot volstorting van zijn aandelen, tot de overeengekomen kapitaalverschaffing dus. Een scherpe grens tussen verplichtingen van een aandeelhouder jegens de vennootschap en die jegens de andere aandeelhouders is, zoals betoogd, vaak moeilijk te trekken. Een aandeelhouder kan jegens de vennootschap, jegens zijn medeaandeelhouders of jegens derden aanvullende verplichtingen aanvaarden, maar deze verplichtingen kunnen hem niet worden opgelegd.8 De bescherming van artikel 2:81 BW raakt het wezen van de kapitaalvennootschap: de aandeelhouder verschaft kapitaal. De aansprakelijkheid van de aandeelhouder is daartoe beperkt en meer verplichtingen kunnen hem niet worden opgelegd.
Als de vraag of artikel 2:81 BW zich ook uitstrekt tot andere verplichtingen dan die tot storting van kapitaal bevestigend is beantwoord, rest de vraag tot hoever dat dan het geval is. Ik meen met Rensen9 dat voor de NV een zekere reflexwerking van de regeling voor de BV (2:192 BW) uitgaat in die zin, dat de aldaar opgesomde bepalingen die aan de aandeelhouder van de BV niet kunnen worden opgelegd, ook niet aan de aandeelhouder van de NV kunnen worden opgelegd. Daarbij ga ik ervan uit dat, hoewel de wettelijke regeling voor de NV niet voorziet in een met artikel 2:192 BW vergelijkbare bepaling, ook voor de aandeelhouder van de NV in beginsel op basis van de statuten, naast de verplichting tot aanbieding in bepaalde gevallen, verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard en kwaliteitseisen aan het aandeelhouderschap kunnen zijn verbonden.10 Verbintenisrechtelijke aan het aandeelhouderschap verbonden verplichtingen, kwaliteitseisen verbonden aan het aandeelhouderschap en verplichte aanbiedingsregelingen kunnen naar ik meen evenmin als aan de BV aandeelhouder aan de houder van aandelen in de NV worden opgelegd. De wijziging van statutaire bepalingen die andere wijziging van aan de aandelen verbonden rechten of verplichtingen tot gevolg hebben dan de laatstgenoemde, vallen naar ik meen buiten het bereik van artikel 2:81 BW. Deze lijn volgend zouden de wijziging van een blokkeringsregeling van een aanbiedingsregeling naar een goedkeuringsregeling, maar ook de invoering van een blokkeringsregeling, niet onder het bereik van artikel 2:81 BW vallen.11 Opneming in de statuten van een geschillenregeling valt, zo meen ik, evenmin onder het bereik van dit artikel, tenzij onderdeel daarvan is dat deze kan leiden tot de oplegging van verbintenissen of verplichte overdracht van aandelen.12 Ook wanneer een wijziging van verplichtingen niet onder de reikwijdte van artikel 2:81 BW valt is overigens mogelijk dat het besluit tot een zodanige statutenwijziging in bepaalde omstandigheden in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.13 Ik zou dit niet snel willen aannemen. Wie als minderheidsaandeelhouder participeert in een kapitaalvennootschap aanvaardt de mogelijkheid dat aan aandelen verbonden rechten en verplichtingen kunnen veranderen voor zover de wet of de statuten zijn minderheidsbelang niet beschermen.
Wat is het gevolg van de toepasselijkheid van artikel 2:81 BW? Denkbaar is dat het besluit tot oplegging van deze extra verplichtingen, al dan niet bij statutenwijziging, slechts unaniem kan worden genomen.14 In het licht van de reflexwerking die uitgaat van de regeling voor de BV, meen ik echter dat het betreffende besluit geen unanimiteit behoeft, maar geen werking heeft voor de aandeelhouder die hier niet mee instemt.15 Indien, bijvoorbeeld, bij statutenwijzing verplichtingen tot storting boven het nominale bedrag voor de aandeelhouders worden geïntroduceerd, dan is een aandeelhouder die daarmee niet instemt, daartoe niet gehouden.16 Het besluit tot statutenwijziging kan worden genomen op de wijze als in de statuten bepaald. Het besluit tot statutenwijziging is niet nietig en, tenzij het genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, ook niet vernietigbaar en daarmee de statutenwijziging evenmin. De in de statuten geïntroduceerde bezwarende bepalingen missen echter werking jegens de aandeelhouder die hier niet mee instemt. Wat moet worden verstaan onder ‘tegen zijn wil opleggen’?17 Niet noodzakelijk lijkt mij dat de aandeelhouder ter vergadering tegen stemt. Hij hoeft ook niet ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd te zijn. Hij kan aan de vennootschap kenbaar maken dat hij niet met de aldus ontstane verplichting instemt. Ik kan me overigens voorstellen dat indien de aandeelhouder vóór het voorstel heeft gestemd, en dit ook aan de vennootschap kenbaar is, het voor de aandeelhouder moeilijk wordt om daarna alsnog succesvol bezwaar te maken. De aandeelhouder heeft zijn recht verwerkt door vóór het voorstel te stemmen.18
Als een aandeelhouder die niet met een statutaire verzwaring van zijn verplichtingen heeft ingestemd zijn aandelen overdraagt, is de verkrijger dan evenzeer gevrijwaard van deze extra verplichtingen? Dat is niet het geval. De verkrijger aanvaardt met de aandelen alle verplichtingen die op dat moment aan het aandeelhouderschap zijn verbonden. Hij onderwerpt zich immers vrijwillig aan het statutaire regime.19
Niet ondenkbaar is dat een oplegging van verplichtingen in de zin van artikel 2:81 BW gevolgen kan hebben voor de waarde van een aandeel ook al is de aandeelhouder zelf daaraan niet gebonden. Dit zal, bijvoorbeeld, het geval kunnen zijn indien de vennootschap een laag eigen vermogen heeft. De verkoopbaarheid van een aandeel waaraan onder bepaalde omstandigheden een extra stortingsplicht is verbonden zal dan kunnen afnemen, hetgeen de prijs negatief zal beïnvloeden. De aandeelhouder is daarmee direct in zijn belang geschaad, al rust de extra stortingsplicht niet op hemzelf. Dit kan evenzeer het geval zijn als er andere verplichtingen aan het aandeel worden verbonden, zoals kwaliteitseisen voor het aandeelhouderschap. Analogie met de regeling voor de BV in artikel 2:192a BW lijkt mij hier overigens op grond van de redelijkheid en billijkheid denkbaar.