Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.3.3:9.3.6.3.3 Uitoefening van een wilsrecht door een pandhouder
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.3.3
9.3.6.3.3 Uitoefening van een wilsrecht door een pandhouder
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648860:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.8.
Verdaas 2008, nr. 393.
Verdaas 2008, nr. 395.
Rongen 2012, par. X.4.2.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362.
Wibier 2008, par. 3.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast de vraag of een wilsrecht kan worden verpand, bestaat de vraag of een wilsrecht door een pandhouder kan worden uitgeoefend. Ten aanzien van de vraag of de pandhouder van de vordering op de vrijgestelde rechtspersoon tevens een beroep kan doen op de 403-verklaring door de consoliderende rechtspersoon aan te spreken – in welk geval de pandhouder het wilsrecht uitoefent – is in hoofdstuk 6 reeds uitvoering ingegaan.1 In zijn algemeenheid geldt dat wilsrechten niet door een pandhouder kunnen worden uitgeoefend tenzij de wet of de aard van het recht anders bepaalt.2
Verdaas stelt dat de pandhouder in beginsel niet de mogelijkheid heeft om nevenrechten bij een verpande vordering te kunnen uitoefenen omdat de pandhouder geen rechthebbende van de vordering wordt.3 Op dit beginsel zijn volgens Verdaas wel uitzonderingen mogelijk. In het kader van de mogelijkheid van de pandhouder om bij een vorderingsrecht behorende nevenrechten uit te oefenen, merkt Verdaas op:4
“Is een met een vordering samenhangend (neven)recht niet vatbaar voor verpanding, in de meeste gevallen omdat het geen voor overdracht vatbaar recht is, dan wil dat niet zeggen dat dit niet door de openbaar pandhouder kan worden uitgeoefend. Omgekeerd geldt dat niet uitsluitend nevenrechten door de pandhouder kunnen worden uitgeoefend. Of en zo ja op grond waarvan de pandhouder een aantal andere rechten van de crediteur van de verpande vordering dan de aan hem verpande rechten geldend kan maken, is c.q. wordt elders in dit hoofdstuk besproken. Waar dat zinvol leek is daarbij de vraag of het recht een nevenrecht is onder ogen gezien.”
Rongen meent dat er een algemene regel bestaat op basis waarvan de inningsbevoegde partij alle rechten kan inroepen die de oorspronkelijke schuldeiser heeft om zijn vordering te innen:5
“Als algemene regel kan namelijk worden aanvaard dat degene die bevoegd is een vordering te innen, in het kader van zijn inningsbevoegdheid alle rechten en bevoegdheden ten dienste staan die de schuldeiser ter zake van de inning van de vordering heeft.
(...)
Het is doelmatig om aan te nemen dat alle rechten en bevoegdheden die gericht zijn op, of anderszins nauw verband houden met, de inning van de vordering kunnen worden uitgeoefend door een derde aan wie (al dan niet naast de schuldeiser) de inningsbevoegdheid toekomt.
In deze zienswijze vindt er dus geen overgang van de zekerheidsrechten op de pandhouder plaats, maar komt de pandhouder enkel de bevoegdheid toe om van de zekerheidsrechten gebruik te maken of daarop een beroep te doen (denk aan de voorrang). Hetzelfde geldt voor andere nevenrechten die nauw verband houden met de inning van de verpande vordering. Voor zover men meent voor de hier beschreven zienswijze een wettelijke grondslag nodig te hebben, dan zou deze, zoals vermeld, gevonden kunnen worden in art. 3:246 lid 1 BW.”
Voorts kan in de jurisprudentie nog een argument worden gevonden op basis waarvan een pandhouder het wilsrecht kan uitoefenen door een beroep te doen op de 403-verklaring. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een beslaglegger op een vordering het aan die vordering verbonden hypotheekrecht kan uitoefenen.6 Dat is in overeenstemming met het wettelijke systeem van de artikelen 477 en 477a Rv. Analoog aan verpanding, is het daarom ook in overeenstemming met het wettelijk systeem, waarbij de pandhouder na mededeling bevoegd is de rechten, die de pandgever aan de vordering ontleent, uit te oefenen, om aan te nemen dat de inningsbevoegde pandhouder tevens de bevoegdheid heeft de rechten uit hoofde van de 403-verklaring uit te oefenen.7