De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.3.2.5:4.3.2.5 De or en het concernbelang
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.3.2.5
4.3.2.5 De or en het concernbelang
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383666:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ondernemingskamer 21 januari 1982, NJ 1983, 31 (HIG) m.nt. Ma. Zie ook S.M. Bartman, A.F.M Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013, p. 201.
Ondernemingskamer 10 maart 1994, ROR 1994/18 (Nering Bögel).
L.G. Verburg, ‘Nedlin, de WOR en het SER-besluit Fusiegedragsregels’, ArbeidsRecht 1998, 23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat de bestuurder van de onderneming het concernbelang in belangrijke mate mag laten meewegen in de besluitvorming en het daaraan gekoppelde adviestraject. Een daarmee samenhangende vraag is wat de rol van de or is ten aanzien van het concernbelang. Moet de or zich ook rekenschap geven van de omstandigheid dat een onderneming onderdeel is van een groter geheel van vennootschappen? Voor de or gelden weliswaar geen procedurevoorschriften, maar de wijze waarop hij zich opstelt kan een rol spelen bij de vraag of een beroep ex art. 26 WOR wordt gehonoreerd. In hoofdstuk 4 wees ik er verder op dat het gedrag van de or (weliswaar terughoudend) kan worden getoetst in een enquêteprocedure of een procedure ex art. 2:14-16 BW. De hierboven gestelde vraag is in dit kader dus relevant.
De or heeft op grond van art. 2 WOR een dubbele taakstelling. Hij behartigt enerzijds het belang van het personeel, maar richt zich anderzijds op het belang van de onderneming. Voor de vraag wat de reikwijdte is van medezeggenschap in concernverhoudingen is van belang of die tweede taak zo moet worden uitgelegd dat dit alleen gaat alleen gaat om de onderneming waaraan hij is verbonden of ook om andere ondernemingen binnen het concern. Uit de jurisprudentie lijkt het laatste te volgen. In de HIG-beschikking oordeelde de Ondernemingskamer dat het voor de hand ligt dat de or de strategische concernbelangen in zijn advies meeneemt. Nu de ondernemer in zijn adviesaanvraag had aangegeven dat het (voorgenomen) besluit vooral samenhing met strategische (concernrechtelijke) overwegingen, had de or dit in zijn advies moeten betrekken.1 De or zal in zijn advies moeten ingaan op de motivering van de ondernemer en daarbij dus ook het concernbelang moeten betrekken. Doet hij dat niet, dan loopt hij het risico dat zijn beroep bij de Ondernemingskamer strandt. In de zaak-Nering Bögel overweegt de Ondernemingskamer het volgende: “Uiteraard brengt het feit dat wordt meegewogen dat het gaat om concernbeleid mee, dat de argumenten van de or om een besluit niet te nemen wel het nodige gewicht moeten hebben.”2 Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de or met zwaarder geschut moet komen als sprake is van een voorgenomen besluit binnen concernverhoudingen, dan als het gaat om een enkelvoudige vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van een concern.3 Het enkele argument dat het besluit niet in het belang is van de onderneming waaraan de or is verbonden, zal in het algemeen niet genoeg zijn. De vraag is of van een lokale or wel strategische concernoverwegingen verwacht mogen worden. Naar mijn mening is dit in het huidige tijdsbestek inderdaad van een or te verwachten. De or is een steeds grotere rol gaan spelen binnen de strategische en vennootschapsrechtelijke verhoudingen en daarbij past een ruimere taakstelling.