De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.2.2:3.2.2 De en/of-bankrekening op naam van beide echtgenoten
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.2.2
3.2.2 De en/of-bankrekening op naam van beide echtgenoten
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948036:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.4.3 hiervóór.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 86-87.
Zie paragraaf 2.4.3 hiervóór.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 87-88. Zie anders C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 122-123.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
618. In de voorgaande paragraaf is ingegaan op de werking van boedelmenging in verhouding tot (de creditering van) een betaalrekening die op naam van één echtgenoot staat geregistreerd. Voor een en/of-rekening die op naam van beide echtgenoten staat geldt in belangrijke mate hetzelfde als voor de betaalrekening die op naam van een van de echtgenoten staat geregistreerd. Ook bij een en/of-rekening staat voorop dat door creditering van die rekening afzonderlijke vorderingen op de bank ontstaan, die als zodanig in het saldo blijven voortbestaan zolang zij niet door verrekening tenietgaan. Daarbij zegt de tenaamstelling van een en/of-betaalrekening nog niets over de gerechtigdheid van ieder van de rekeninghouder tot het saldo van deze rekening, en dus tot de afzonderlijke vorderingen die in dat saldo besloten kunnen liggen.1 Het saldo op de en/of-betaalbankrekening behoort dus niet reeds vanwege de tenaamstelling aan de beide echtgenoten gemeenschappelijk toe. Daardoor zal ook hier bij iedere vordering die door creditering van de bankrekening op de bank ontstaat beoordeeld moeten worden of deze krachtens boedelmenging aan de echtgenoten gemeenschappelijk gaat toebehoren of niet. Slechts wanneer het antwoord daarop bevestigend is, valt de vordering in de huwelijksgemeenschap en verkrijgen de echtgenoten op grond van artikel 6:15 lid 2 BW gezamenlijk één vorderingsrecht op de bank. Dit deel van het saldo (deze vordering) valt dan onder de regels van Titel 1.7 BW. Valt de betreffende vordering niet onder de werking van boedelmenging, dan behoort de vordering uitsluitend toe aan de echtgenoot ten gunste van wie de rekening is gecrediteerd. Van een gemeenschappelijk vorderingsrecht is in dat geval géén sprake. Gaat een dergelijke vordering niet direct door verrekening teniet, dan zal op dat moment een deel van het saldo van de en/of-rekening wél en een deel van het saldo van de en/of-rekening níét tot de huwelijksgemeenschap behoren.2 Ook hier geldt dus dat voor het antwoord op de vraag of het creditsaldo van een en/of-rekening tot de huwelijksgemeenschap behoort, dit creditsaldo niet als één ondeelbare vordering kan worden beschouwd. De en/of-tenaamstelling van de bankrekening doet daar niets aan af. Wel brengt deze en/of-tenaamstelling met zich mee dat ieder van de echtgenoten op grond van artikel 6:16 BW jegens de bank bevoegd is om over het gehele saldo van de bankrekening te ‘beschikken’, dus óók over dat deel van het saldo dat niet in de huwelijksgemeenschap is gevallen en uitsluitend aan de andere echtgenoot toebehoort.3
619. Uit die alles vloeit vervolgens ook hier voort dat wanneer de echtgenoten in de beperkte wettelijke huwelijksgemeenschap zijn gehuwd, en zij vóór het aangaan van het huwelijk een en/of-rekening aanhielden, het saldo van die rekening niet per definitie krachtens boedelmenging volledig tot de huwelijksgemeenschap zal gaan behoren (vgl. mijn opmerkingen over de bankrekening op naam van slechts een echtgenoot in paragraaf 3.2.1, randnummer 617, hiervóór). Omdat de tenaamstelling van de bankrekening niet doorslaggevend is voor de vraag aan wie het saldo toebehoort, is het niet per definitie zo dat het volledige saldo van de en/of-bankrekening bij het aangaan van het huwelijk aan de echtgenoten gemeenschappelijk toebehoorde en aldus op grond van artikel 1:94 lid 2 BW volledig tot de beperkte huwelijksgemeenschap gaat behoren. Alleen dat deel van het creditsaldo dat bij het aangaan van het huwelijk was gevormd uit vorderingen die zijn ontstaan door girale betaling van vorderingen die de echtgenoten gemeenschappelijk toebehoorden, behoorde hen bij het aangaan van het huwelijk gemeenschappelijk toe en zal door boedelmenging tot de beperkte huwelijksgemeenschap gaan behoren. Het andere deel blijft erbuiten en zal tot het privévermogen gaan behoren van de echtgenoot ten gunste waarvan de creditering van de rekening destijds heeft plaatsgevonden.4