Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.6.2
2.6.2 Het vennootschapsaandeel als vermogensrecht
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590411:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een vorderingsrecht is de actiefzijde van een verbintenis. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/6; Wibier 2009, nr. 6.
Hartkamp 2005, nr. 40.
Aldus art. 7A:1655 BW. In dezelfde zin: Ontwerp-Maeijer, art. 800 lid 1.
Zie bijvoorbeeld HR 10 januari 1968, NJ 1968/134(Union II), waarin een beleggingsfonds werd aangemerkt als maatschap op aandelen. De kwalificatie was van belang voor een destijds bestaande regeling inzake registratierecht. In de praktijk komt de maatschap op aandelen en de VOF op aandelen sporadisch voor. Het is interessant en weinig ontgonnen gebied, aldus reeds Sasse 1965, p. 89. Zie ook – nog ouder – HR 6 februari 1935, NJ 1935/ 1513 (Nachtveiligheidsdienst E), besproken in Van der Velden 2008, p. 313.
Zie ook art. 6:130 BW (over verrekening na overdracht) en art. 6:145 BW (over verweermidelen na overdracht).
Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 42. Ontwerp-Maeijer, art. 823 lid 4 was van dwingend recht (art. 823 lid 5).
Ontwerp-Maeijer, art. 806 lid 1. In eenpersoons situaties is de term ‘vennootschappelijke gemeenschap’ wat ongemakkelijk. Zie art. 827 lid 3 van het Ontwerp-Maeijer, dat gaat over het geval waarin de ‘vennootschappelijke gemeenschap’ door verkrijging onder algemene titel nog slechts toekomt aan één rechthebbende.
Aangenomen wordt dat de art. 806 en 807 van dwingend recht waren. Kamerstukken II 2003-2004, 28 746, nr. 5, p. 13; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/163 en 172.
Van Megchelen 2006, p. 163; zie ook 2.5.2.2.
Volgens Tervoort 2016c, p. 303 wordt met deze verschillende bewoordingen hetzelfde bedoeld.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 20, 21 en 27, en concept-MvT, p. 99, 100, 101 en 115.
Met ‘vennootschapsaandeel’ doel ik op een combinatie van twee componenten: het onverdeelde aandeel van de vennoot in de beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen als geheel (de financiële positie), en de rechten en verplichtingen die op grond van de maatschapsovereenkomst aan de hoedanigheid van vennoot zijn verbonden (de lidmaatschapspositie). De beneficiaire aanspraak is een contractueel vorderingsrecht,1 dat voortvloeit uit de maatschapsovereenkomst. Tot de lidmaatschapspositie reken ik de verplichting tot samenwerking, de rechten en verplichtingen op het vlak van de interne besluitvorming (stemrecht en instemmingsrechten) en de afspraken over doel, bestuur en vertegenwoordiging van de maatschap. Ook een concurrentiebeding kan hiervan deel uitmaken. Ook deze rechten en verplichtingen vloeien voort uit de maatschapsovereenkomst. De vennootschappelijke verhouding tussen de vennoten brengt mee dat de lidmaatschapspositie en het aandeel in de beneficiaire aanspraak zijn samengevoegd en één vermogensrecht vormen. Het aandeel in de beneficiaire aanspraak heeft daarbinnen een onzelfstandig karakter.
Alleen vermogensrechten zijn vatbaar voor verpanding (art. 3:228 BW). Artikel 3:6 BW omschrijft het begrip ‘vermogensrecht’ met drie alternatieve, niet als limitatief bedoelde criteria.2 Het ‘vennootschapsaandeel’ zoals hiervoor omschreven voldoet m.i. aan alle drie. De aard van het aandeel verzet zich niet tegen overdracht. Wel maakt zij dat voor overdracht de instemming van alle medevennoten is vereist (tenzij anders overeengekomen), maar dit maakt het aandeel niet onoverdraagbaar. Het vennootschapsaandeel strekt er voorts toe aan de vennoot stoffelijk voordeel te verschaffen.3 Bovendien wordt het verkregen in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld voordeel, namelijk in ruil voor de inbreng van de vennoot. Dat een vennootschapsaandeel onder omstandigheden een negatieve waarde kan hebben, staat aan de kwalificatie vermogensrecht niet in de weg. Dit vermogensrecht kent enkele niet-obligatoire elementen (stemrecht), en enkele verplichtingen (inbrengplicht, bijdrageplicht), maar het aandeel in de beneficiaire aanspraak weegt zo zwaar dat het vennootschapsaandeel als geheel m.i. als contractueel vorderingsrecht kan worden aangemerkt.
Desgewenst kunnen de gezamenlijke vennootschapsaandelen van de vennoten (beneficiaire aanspraak plus lidmaatschapsposities) in kleine, zelfstandige mootjes van al dan niet gelijke omvang worden gehakt (verdeeld). Dit volgt uit de contractsvrijheid. Het resultaat van een dergelijke verdeling in mootjes komt overeen met de constructie van obligaties en participaties in een beleggingsfonds. Dat zijn verzelfstandigde contractuele vorderingsrechten waarin zowel de financiële component (geldlening, economische eigendom in fondswaarden) als de lidmaatschapspositie (stemrecht in vergadering van obligatiehouders of participanten) is begrepen. De constructie van aandelen in een kapitaalvennootschap komt in essentie op hetzelfde neer. Een voorbeeld binnen de sfeer van de personenvennootschappen betreft de maatschap op aandelen.4
Als vorderingsrecht is het vennootschapsaandeel een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht. Levering geschiedt door akte en mededeling daarvan aan de persoon tegen wie het recht kan worden uitgeoefend (art. 3:94 BW). In dit geval gaat het om een recht dat tegenover verschillende personen kan worden uitgeoefend: de maatschap (lees: de gezamenlijke vennoten als zodanig), de medevennoten persoonlijk en eventuele andere partijen bij de maatschapsovereenkomst (zoals een aparte beheerder of bewaarder). In de maatschapsovereenkomst kan een domiciliekeuze worden opgenomen en een persoon worden aangewezen die de mededelingen namens allen mag ontvangen.5 Is het vennootschapsaandeel verpandbaar, dan geschiedt openbare verpanding conform de voor levering geldende vereisten.6 Stille verpanding kan dan ook.
Dat in het vennootschapsaandeel verplichtingen voor de vennoot besloten liggen, levert bij cessie een bijzonder aandachtspunt op. Volgens artikel 6:144 BW blijft de vervreemder van een vordering na overdracht jegens de schuldenaar instaan voor de nakoming van bepaalde schuldeisersverplichtingen.7 De bepaling is van belang in het geval van een vennoot die nog een verplichting tot kapitaalinbreng heeft openstaan. Als die vennoot zijn aandeel overdraagt aan een ander, dan gaat de inbrengverplichting op die ander over, maar blijft de vervreemder zelf mede aansprakelijk. Artikel 6:144 BW is van regelend recht, dus in de maatschapsovereenkomst kan anders worden bepaald. Voor niet-volgestorte aandelen in een kapitaalvennootschap is het dwingend recht.8
Ter vergelijking meld ik nog dat het Ontwerp-Maeijer een verbod op samenvoeging van de hoedanigheid van vennoot met het ‘aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap’ of het ‘aandeel in de vennootschap die rechtspersoon is’ gaf. De hoedanigheid van vennoot kon slechts door (originaire) toetreding worden verkregen.9 Een vennoot kon over zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap slechts beschikken in geval van overdracht bij zijn opvolging als vennoot of in geval van overdracht aan een toetredende vennoot.10 Verpanding was daardoor uitgesloten.11 Verdedigd is dat de in het Ontwerp- Maeijer bedoelde ‘economische deelgerechtigdheid’ verpandbaar was, maar wat deze deelgerechtigdheid precies omvatte, is onduidelijk.12
Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen kent geen eenduidig begrip, zoals het door mij gehanteerde ‘vennootschapsaandeel’, dat het mogelijk maakt om voor overdracht en de vestiging van beperkte rechten eenvoudigweg aan te sluiten bij het commune recht. In plaats daarvan geeft het voorstel van de werkgroep een aantal eigen regels. Opvolging kan volgens de werkgroep plaatsvinden door contractsoverneming (niet: cessie van een contractueel vermogensrecht), voor welke contractsoverneming een levering (als betrof het een vermogensrecht) wordt voorgeschreven. Deze contractsoverneming betreft de ‘positie van een vennoot’. Een vruchtgebruik kan volgens de werkgroep worden gevestigd op ‘de rechten van een vennoot op uitkeringen’ en een pandrecht op ‘rechten van een vennoot voortvloeiend uit de overeenkomst van vennootschap’.13 Ook voor de vestiging van een dergelijk vruchtgebruik of pandrecht geeft de werkgroep eigen regels.14 Het voorstel om voor personenvennootschappen deze ‘eigen’ regels te introduceren, afwijkend van het algemene vermogensrecht, draagt niet bij aan conceptuele eenvoud en maakt het vennootschapsrecht m.i. nodeloos ingewikkeld. Ik neem dit niet over en houd vast aan mijn begrip ‘vennootschapsaandeel’.