Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.1
8.1 Inleiding
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264551:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1204 OBW: “Indien eene inschuld in pand gegeven is, en dee inschuld interessen opbrengt, verrekent de schuldeischer die interessen met degene welke hem mogten verschuldigd zijn. Indien de schuld, tot welker zekerheid eene inschuld in pand gegeven is, geene interessen opbrengt; worden de interessen, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort.”
Zie hierover art. 1203 OBW: “De schuldeischer is verantwoordelijk voor het verlies of de vermindering van het pand, voor zoo verre zulks door zijne nalatigheid mogt hebben plaats gehad. De schuldenaar is van zijne zijde verpligt aan den schuldeischer te vergoeden de nuttige en noodzakelijke onkosten die de laatstgemelde tot het behoud van het pand gemaakt heeft.” Zie over dit wetsartikel Opzoomer 1879, p. 597-598; Diephuis 1886, p. 559-560; Land 1902, p. 341; Suijling 1940, nr. 552. Deze auteurs legden geen verband tussen art. 1203 OBW en het recht van pandgebruik.
De literatuur concentreerde zich op de verplichting tot rekening en verantwoording over de wijze waarop de zekerheidsgerechtigde het onderpand had geëxecuteerd. Zie art. 771 e.v. Rv. Zie voorts Asser/Scholten 1933, p. 412-413 en 417; Van Nierop 1937, p. 340-345; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 95, 99 en 232; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 126 en 393.
In dit hoofdstuk behandel ik het recht van pandgebruik ten tijde van het Oud Burgerlijk Wetboek (OBW). Dit recht had slechts een beperkte grondslag in het OBW (zie art. 1204 OBW).1 Zij kwamen in de rechtspraak niet of nauwelijks aan de orde. Ik behandel daarom vooral de vermeldingen van het recht van pandgebruik in de literatuur. Eerst ga ik in op de mogelijkheden volgens rechtsgeleerde auteurs om een recht van pandgebruik te vestigen (§8.2). Aan de orde komen de vestiging van het recht van pandgebruik in combinatie met het pandrecht, het hypotheekrecht, een zekerheidsoverdracht en de vestiging van een zelfstandige antichrese. In §8.3 ga ik in op de toepassing van de bevoegdheden die uit het recht van pandgebruik voortvloeien. Vervolgens bespreek ik in §8.4 de aflossingsfunctie van het recht van pandgebruik. Alleen deze functie kreeg aandacht in de literatuur. In §8.5 bespreek ik enkele behoeften van de financieringspraktijk waarin een goederenrechtelijk recht van pandgebruik had kunnen voorzien. De rechtspraktijk kwam niet aan deze behoeften tegemoet met de vestiging van een recht van pandgebruik, maar wel met oplossingen die veel gemeenschappelijk hadden met het recht van pandgebruik.
In dit hoofdstuk beperk ik mij tot aspecten van het recht van pandgebruik die zijn besproken in de literatuur over het OBW. Op onderwerpen die in de literatuur geen aandacht kregen, ga ik in dit hoofdstuk niet in. Dit betekent dat ik geen aandacht besteed aan de werking van de verschillende rechten van pandgebruik in situaties van verzuim, beslag en faillissement, de mogelijkheden voor de pandgebruiker om de kosten die hij heeft gemaakt in de uitoefening van zijn recht van pandgebruik te verhalen op de schuldenaar,2 een dogmatische verklaring voor de eigendomsverkrijging van burgerlijke en natuurlijke vruchten door de pandgebruiker, de rentefunctie van het recht van pandgebruik, de gebruiksplicht van de pandgebruiker en de plicht van de pandgebruiker om rekening en verantwoording af te leggen.3