Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.4.2.2
7.4.2.2 De juridische en economische verkoop
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258640:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag houdende een Eenvormige Wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken, ’s Gravenhage, 1 juli 1964, Trb. 1964, 117.
Verdrag der Verenigde Naties inzake Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, Wenen, 11 april 1980, Trb. 1981, 184 met de Engelse en Franse tekst, 1986, 61 met de Nederlandse tekst.
Met het domestic conflict model wordt gedoeld op een model waarbij elk nationaal recht op eigen merites rechten creëert, definieert en reguleert, zonder aansluiting te zoeken bij elkaar.
Met het uniform substantive law model wordt gedoeld op een model waarbij recht op een universeel niveau worden gecreëerd, gedefinieerd en gereguleerd.
F.J.M. de Ly, Sources of international sales law: An eclectic mode, Journal of Law and Commerce 25(1), p. 1-12. De Ly wijt dit aan de wijze waarop het Haags Koopverdrag 1964 in relatie met het nationale recht is samengesteld. Het nationale recht zou namelijk geheel moeten wijken. Daarnaast zou het teveel op continentaal Europese civielrechtelijke leest zijn geschroeid.
Het intermediate model is een tussenvorm van het domestic conflict model en het uniform substantive law model. Het beoogt zoveel mogelijk aan te sluiten bij het uniform substantive model, maar tevens ruimte te laten voor nationaal recht en collisieregels.
S. Moss, Why the United Kingdom Has Not Ratified the CISG, Journal of Law and Commerce 25(483), p. 483-485. Moss besteedt in haar bijdrage aandacht aan de argumenten waarom het Verenigd Koninkrijk het Weens Koopverdrag 1980 niet heeft getekend en lijkt de indruk te wekken, dat er geen doorslaggevende redenen bestaat om het Weens Koopverdrag 1980 niet te tekenen.
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een gemeenschappelijk Europees kooprecht d.d. 11 oktober 2011, COM(2011)635 def.
Artikel 30 Weens Koopverdrag en zie ook IV.A. 2:101 DCFR.
Artikel 30 Weens Koopverdrag en zie ook IV.A. 2:101 DCFR.
Artikel 35 Weens Koopverdrag en zie ook IV.A. 2:101 DCFR. Anders dan de eigendomsoverdracht en afleveringsplicht is dit conformiteitvereiste niet te karakteriseren als normale prestatieverbintenis en daarmee als een pure resultaatverplichting. Immers, het conformiteitvereiste strekt niet tot enig geven, doen of nalaten. Het is er enkel op gericht dat de zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Het is zodoende aan te merken als ‘kale resultaatverplichting’. Zie J. Hijma, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Internationaal privaatrecht. Deel I*. Koop en ruil, Deventer: Kluwer 2013, onderdeel 328.
Artikel 68 Weens Koopverdrag en zie ook DCFR IV.A. 5:102.
Er is sprake van een voldoende bepaald aanbod indien zaken worden aangeduid en de hoeveelheid en de prijs uitdrukkelijk of stilzwijgend worden vastgesteld of bepaalbaar zijn.
Artikel 14-18 Weens Koopverdrag en II. 4:201 DCFR.
De vraag is wat in juridische en economische zin onder het begrip ‘verkoop’ moet worden verstaan. Sherman & Glashoff stellen vast dat voor de juridische definitie aansluiting moet worden gezocht bij de op internationaal niveau afgesloten verdragen.1 Op internationaal terrein zijn de bekendste verdragen het Haags Koopverdrag van 19642 en het Weens Koopverdrag van 19803. Beide geven op internationaal niveau invulling aan het begrip verkoop en stappen af van het domestic conflict model.4
Het Haags Koopverdrag 1964 is gebaseerd op een uniform substantive law model5, maar heeft internationaal niet de erkenning gekregen waarop de opstellers, landen verenigd in het International Institute for the Unification of Private Law (UNIDROIT), waarschijnlijk hadden gehoopt.6 Haar opvolger7, het Weens Koopverdrag 1980, berust op een zogenoemd intermediate model8 en kent een grotere erkenning. Dit blijkt uit het feit dat 85 landen als verdragspartij bij het Weens Koopverdrag zijn aangesloten, waarvan 24 van de 27 EU-lidstaten. Ierland, Malta en, Portugal hebben het Weens Koopverdrag niet ondertekend.9
Verder kan er voor het begrip ‘verkoop’ worden aangesloten bij zogenoemde ‘principles’; opstellen van gezaghebbende commissies en instituten die voorzien in inspiratie voor rechtsontwikkeling. Hiervoor kan bijvoorbeeld worden gewezen op de in 2009 verschenen Draft Common Frame of Reference (DCFR), die door de Studiegroep Europees Burgerlijk Wetboek is samengesteld.10 Verder wordt op EU-niveau gewerkt aan een verordening betreffende een gemeenschappelijk Europees kooprecht.11
In het Weens Koopverdrag 1980 en het DCFR wordt het begrip ‘verkoop’ niet gedefinieerd. In plaats daarvan omvatten zij regels voor de totstandkoming van koopovereenkomsten alsmede rechten en verplichtingen die aan de verkoper en koper toekomen indien zij een koopovereenkomst aangaan voor roerende zaken. Daaruit volgt dat een koopovereenkomst een drietal (hoofd)resultaatverplichtingen schept voor de verkoper:
De macht om als eigenaar over een goed te beschikken moet worden overgedragen (het is mogelijk dat de verkoper de eigendom moet overdragen aan een andere partij dan de wederpartij van de koopovereenkomst);12
De zaken moeten met toebehoren worden afgeleverd;13
De afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden.14
Uit de koopovereenkomst volgt tevens dat het risico van de goederen wordt overgedragen.15 Daarnaast moet de overeenkomst berusten op een voldoende bepaald aanbod16 van de verkoper dat door de koper wordt aanvaard.17
In juridische zin lijkt derhalve sprake van een verkoop indien twee partijen op basis van aanbod en aanvaarding met elkaar overeenkomen dat het risico en de macht om over een goed te beschikken overgaat en de goederen conform de overeenkomst met toebehoren wordt geleverd. De economische verkoopdefinitie lijkt daarbij aan te sluiten, alhoewel in bepaalde rechtssystemen onderscheid wordt gemaakt tussen de juridische en economische eigenaar van een goed. Iemand kan economisch eigenaar zijn, ondanks dat civielrechtelijk het eigendom aan iemand anders toekomt. Het is dan vereist dat hem, de economisch eigenaar, het economisch belang toekomt. Dat betekent dat het risico van de waardeveranderingen en het tenietgaan van de goederen bij hem is gelegen. Een dergelijk splitsing van het economisch en juridisch eigenaarschap doet zich bijvoorbeeld voor bij huur- en leasecontracten. Zoals in onderdeel 7.4.2.4.6 toegelicht is volgens de Technische commissie douanewaarde van de WDO in een dergelijk geval geen sprake van een verkoop voor uitvoer. Aangenomen lijkt derhalve te kunnen worden dat zowel het juridisch als economisch eigendom moet overgaan om te kunnen spreken van een verkoop voor uitvoer. Dit lijkt anders opgevat te worden door het Hof van Justitie zoals uit het hiernavolgende onderdeel volgt.