Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.11:6.6.11 Geen toetsing van de rechtsmacht; art. 24 Vo-BIIbis
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.11
6.6.11 Geen toetsing van de rechtsmacht; art. 24 Vo-BIIbis
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434194:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin D. Solomon, FamRZ 2004, p. 1418; M.T. Rauscher, The European Legal Forum 2005, p. 45.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in een lidstaat gegeven rechterlijke beslissing wordt in de andere lidstaten van de Europese Unie erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is (art. 21 lid 1 Vo-BI:Ibis). Dat geldt zowel voor echtscheidingsbeslissingen als beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Art. 24 Vo-BI:Ibis bepaalt dat de rechtsmacht van het gerecht van de lidstaat van herkomst in de fase van erkenning in een andere lidstaat niet wordt getoetst. De weigeringsgrond van de openbare orde 'wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14', aldus art. 23 sub a Vo-BI:Ibis. Opmerkelijk is dat hierin niet het forum non conveniens van art. 15 Vo-BI:Ibis wordt genoemd. Betekent dit dat tegen de erkenning in een lidstaat van een beslissing die is gewezen door een op basis van art. 15 bevoegde rechter van een andere lidstaat, de weigeringsgrond van de openbare orde kan worden ingeroepen? Hoewel een strikte lezing van art. 24 Vo-BIIbis in die richting wijst, lijkt het mij dat zulks niet de bedoeling van de verordeningsopstellers kan zijn geweest. Er bestaat geen enkele rechtvaardiging voor een aparte behandeling voor de erkenning van beslissingen gewezen door een krachtens art. 3-14 bevoegde rechter en beslissingen door een krachtens art. 15 bevoegde rechter. Art. 15 van de verordening is een even volwaardige bevoegdheidsgrond — weliswaar een indirecte — als die genoemd in art. 3-14, zodat het verbod van art. 24 Vo-BIIbis ook moet gelden voor de rechtsmacht die volgt uit art. 15 Vo-BIIbis.1