Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/6.5.1
6.5.1 Rechtmatig verleende broeikasgasemissievergunning
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603357:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Onder meer HR 10 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1311, i.h.b r.o. 8, onder ‘O. ten aanzien van het zevende onderdeel’, HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2249, r.o. 3.3 en HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, r.o. 3.5.1-3.5.5. Voor een behandeling van deze arresten: Nijmeijer 2015.
Nijmeijer 2015, p. 540.
Nijmeijer 2015, p. 540 en 541.
Artikel 16.5 jo artikel 16.2 jo artikel 16.2a Wm.
Artikel 5.12 Bor.
Nijmeijer 2015, p. 542. Zie voor een korte beschouwing over de (verhouding tussen de) bestuursrechtelijke en civielrechtelijke relativiteitsleer: Schlössels 2014, p. 206-210.
Nijmeijer 2015, p. 542. Over het bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste: Stramrood 2015 en De Graaf & Van der Veen 2016.
MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32450, nr. 3, p. 18-22. Immers, het probleem dat de wetgever met het bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste heeft getracht te ondervangen - dat niet in ieder beroep een besluit op alle rechtsregels behoeft te worden getoetst - wordt dan slechts verplaatst naar de burgerlijke rechter, voor zover het civiele relativiteitsvereiste dit dan toestaat. Dit laatste zal overigens niet snel het geval zijn, nu juist de bestuursrechtelijke relativiteit vaak ruimer wordt uitgelegd. Het civielrechtelijke relativititeitsbeginsel van artikel 6:163 BW ziet op de vraag of een geschonden norm strekt tot bescherming van de door betrokkene geleden schade. Dat is een wezenlijk andere vraag dan de relativiteitsleer van artikel 8:69a Awb in het bestuursrecht, waarin de vraag centraal staat of het belang dat door een besluit wordt geraakt wordt beschermd door de geschonden norm waarop belanghebbende zich beroept. Een norm kan strekken tot het beschermen van een belang, zonder dat het bescherming biedt voor de door betrokkene geleden schade (Van der Veen 2015, p. 214-217, zie tevens Schlössels 2014, p. 206 en 207 en conclusie Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, i.h.b. overweging 3.21 onder b). De ruimere uitleg van de relativiteitseis van artikel 8: 69a Awb leidt ertoe dat in het kader van de civielrechtelijke aansprakelijkheid nog een aparte beoordeling zal moeten worden plaatsvinden of de geschonden rechtsnorm ook strekt tot bescherming van de schade die betrokkene heeft geleden. Het antwoord daarop kan, gezien de striktere toepassing van de civielrechtelijke relativiteitsleer, negatief uitpakken (Van der Veen 2015, p. 214-217).
Stramrood 2015, p. 829.
Conclusie Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680 en ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, i.h.b. r.o. 18.1.
De correctie-Langemijer en de correctie-Widdershoven hebben een andere werkingssfeer: De Graaf & Van der Veen 2016, p. 172. Vgl. tevens: conclusie Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, overweging 3.18 en 4.2. Zie over beide correcties ook: Van Boven 2016.
Zulks kan worden afgeleid uit de definitie van ‘gevolgen voor het milieu’, i.h.b. artikel 1.1 lid 2 onder a Wm.
Artikel 5.12 Bor.
Vgl. Stramrood 2015, p. 835-838.
Vgl. conclusie Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, overweging 3.9-3.12.
Zie daarvoor in het bijzonder de correctie in het kader van het gelijkheidsbeginsel: conclusie Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, overweging 4.11.
Artikel 10bis lid 7 Richtlijn 2003/87/EG. Zie over de toewijzingsregelgeving: hoofdstuk 4.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechtmatigheid van een besluit naar burgerlijk recht vaststaat, voor zover het de belangen betreft die in het kader van de besluitvorming moeten worden afgewogen.1 Nijmeijer overweegt hierover in het kader van de formele rechtskracht van een besluit:
‘Volgens mij kan de aanname in civilibus dat een besluit rechtmatig is, uit de aard der zaak namelijk alleen betrekking hebben op de belangen die bij de besluitvorming door het bestuursorgaan zijn afgewogen en behoren te zijn afgewogen.’2
Hij vervolgt met de conclusie dat belangen die dus niet mochten worden afgewogen niet aan de onrechtmatigheid, naar civiel recht, van het besluit in de weg kunnen staan.3 In het kader van de broeikasgasemissievergunning en de afstemming met de omgevingsvergunning is dit relevant. Immers, de broeikasgasemissievergunning ziet slechts op het in werking hebben van een inrichting met een broeikasgasinstallatie en CCS.4 Daarnaast mogen aan de omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo geen emissiegrenswaarden worden opgelegd, tenzij dit noodzakelijk is om te voorkomen dat er significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting zullen plaatsvinden.5 Voor zover de belangen van derden dus betrekking hebben op de (verontreiniging door de) broeikasgasuitstoot, moeten deze worden geacht reeds te zijn meegenomen in de beoordeling van de vergunningaanvraag. Dit neemt echter niet weg dat een dergelijke inrichting andere (milieu)gevolgen kan hebben die hinder voor derden kunnen veroorzaken. Voor zover deze gevolgen niet vallen binnen het belangenkader van de broeikasgasemissievergunning en omgevingsvergunning, kunnen die gevolgen nog steeds onrechtmatig worden geacht door de burgerlijke rechter.
Voor zover strijd met (on)geschreven rechtsregels of rechtsbeginselen niet tot vernietiging van een besluit kan leiden bij de bestuursrechter, omdat zij niet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, moet in zoverre volgens Nijmeijer het besluit ook voor rechtmatig worden geacht bij de civiele rechter.6 Het betreft hier het bestuursrechtelijke relativiteitsbeginsel.7 Met Nijmeijer ben ik van mening dat een verschil in behandeling in het bestuursrechtelijke en civielrechtelijke geding met betrekking tot het relativiteitsbeginsel, waar dit ziet op de door de rechtsregel beschermde belangen, onwenselijk is.8 Een dergelijke divergente toepassing zou bovendien het bestuursrechtelijke relativiteitsbeginsel deels van betekenis ontdoen. Immers, de door artikel 8:69a Awb ‘buitengesloten’ rechtsregels zouden dan via de achterdeur in een civiel proces alsnog met succes tegen een besluit kunnen worden aangevoerd, voor zover de civielrechtelijke relativiteitseis dit dan zou toelaten. Dit lijkt mij in strijd met de gedachte achter artikel 8:69a Awb.9
We kan de civielrechtelijke correctie-Langemeijer op het relativiteitsvereiste leiden tot het oordeel dat het handelen overeenkomstig een vergunning onrechtmatig is, ondanks dat de geschonden geschreven rechtsregel niet ziet op de bescherming van de belangen van de benadeelde. Immers, indien een geschreven rechtsregel is geschonden, dan kan deze schending een rol van betekenis hebben bij de vraag of er in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm is gehandeld die wel strekt tot bescherming van de belangen van de benadeelde.10 Wel moet er rekening mee worden gehouden dat in het bestuursrecht inmiddels de correctie-Widdershoven is aangenomen.11 De correctie-Langemeijer kan derhalve slechts een rol spelen voor zover het belang niet onder de correctie-Widdershoven nog aan de bestuursrechter had kunnen worden voorgelegd ter vernietiging van het besluit.12
Overigens moet in dit kader worden opgemerkt dat de Wet milieubeheer (mede) strekt tot de bescherming van het leefmilieu van de mens en daarmee dus ziet op het belang van een individu bij een gezond leefmilieu.13 In het kader van de broeikasgasemissievergunning en andere ETSb-esluiten moet echter worden opgemerkt dat deze zien op het voorkomen van gevaarlijke wereldwijde klimaatverandering. Deze regelgeving ziet niet op de lokale milieukwaliteit, waarvoor zo nodig nog steeds emissiegrenswaarden voor broeikasgasemissies kunnen worden opgelegd in de omgevingsvergunning.14 Aangezien de Afdeling over het algemeen de beschermingsreikwijdte per bepaling bekijkt en niet uitsluitend in het kader van de overkoepelende doelstelling van de wetgeving, zullen de belangen van individuele omwonenden mijns inziens niet worden beschermd door de reikwijdte van ETS besluiten.15 Immers, deze besluiten zien op het belang van het klimaat in het algemeen. Het goede leef- of woonklimaat van een belanghebbende hangt hier niet direct mee samen. Noch is het belang bij de goede kwaliteit van de leefomgeving van de belanghebbende hiermee verweven.16 Deze belangen worden mogelijk wel weer beschermd in het kader van de omgevingsvergunning en de Wabo, waar het lokale milieu een belangrijke rol speelt. Wel kunnen concurrenten mogelijk een beroep doen op de correctie-Widdershoven, wanneer bepaalde vergunningeisen - met name de monitoringseisen in het monitoringsplan - in strijd met de vigerende regelgeving niet aan een inrichting worden opgelegd.17
Uitzondering op het bovengenoemde zijn de toewijzingsbesluiten. Mijns inziens beschermt de regelgeving inzake de kosteloze toewijzing van emissierechten aan inrichtingen tevens de concurrenten. Immers, voor nieuwe en bestaande inrichtingen/installaties gelden van elkaar gescheiden totale hoeveelheden toe te wijzen emissierechten.18 Daarbij kan de toewijzing aan de inrichting invloed hebben op de toewijzing aan de concurrent.