Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.8
5.8 Wettelijke indicaties over externe werking van onmiddellijke voorzieningen ontbreken
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196992:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo’n bepaling zou een aanwijzing zijn dat de voorziening voorrang zou hebben boven de contractuele verplichting. Zie onderzoeksvraag f. Zo’n aanknopingspunt ontbreekt.
Opgemerkt zij dat de advocaat-generaal en de Hoge Raad in de zaak ABN Amro nadruk hebben gelegd op de in het handelsverkeer vereiste rechtszekerheid (concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA7972, bij HR 13 juli 2007, ARO 2007/120, ad R07/102 HR, nr. 3.49-3.53; HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, ARO 2007/120 (ABN Amro), r.o. 4.4). Dat houdt verband met de situatie waarin art. 2:107a lid 2 BW van toepassing is en met de strekking van die bepaling. Ik meen dat er niet uit kan worden afgeleid, dat het vereiste van rechtszekerheid in het handelsverkeer in het algemeen in de weg staat aan een onmiddellijke voorziening die inbreuk maakt op een contract. Anders: Eikelboom, die de veronderstelling noteert, dat de overweging van de Hoge Raad over de zekerheid in het handelsverkeer een meer algemene strekking heeft, almede de alternatieve veronderstelling dat die overweging beïnvloed is doordat de contractuele wederpartij niet behoorde tot de kring van art. 2:8 BW (Eikelboom 2017, p. 11.2.2). Ik betwijfel ook of de rechtszekerheid in het handelsverkeer te allen tijde zwaarder weegt dan – en dus voorrang moet krijgen boven – het belang van de rechtspersoon, dat met een onmiddellijke voorziening gediend is. De wetgever heeft met de onmiddellijke voorziening in het belang van de rechtspersoon een bijzondere procedure en een bijzonder instrument in het leven geroepen. De wetgever heeft daarbij de rechtszekerheid in het handelsverkeer niet een uitzonderingspositie gegeven.
Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb. 2012, 274), in werking getreden 1 januari 2013.
Voor die voorzieningen zie 2.9.
Josephus Jitta vermeldt jurisprudentie van die strekking (Josephus Jitta, in: T&C Burgerlijk Wetboek, 2019, art. 2:357 BW, aant. 1 b. (bijgewerkt t/m 1 juli 2019)).
Leijten verstaat onder ‘derden’: anderen dan degenen die betrokken zijn bij de interne rechtsverhoudingen (Leijten 2002, p. 71-72). Hij citeert de MvT op een voorganger van art. 2:357 lid 2 BW, die ook bij mij de indruk wekt dat de wetgever vooral dacht aan gevolgen die voor derden te goeder trouw onaanvaardbaar zouden zijn.
Zie 1.7 over het gebruik van het begrip derde.
Zie ook nr. 176. Het ontbreken van werking jegens derden van een rechterlijke beslissing moet worden onderscheiden van (het ontbreken van) externe werking van onbevoegde of gebrekkige besluitvorming. Een voorbeeld van dat laatste biedt art. 2:107a lid 2 BW. Die bepaling speelde een rol in de zaak ABN Amro.
Ook deze bepaling biedt meer bescherming dan art. 2:357 lid 2 BW en 2:451 lid 4 BW. Op de vraag welke buitenstaanders in het kader van art. 26 lid 5 WOR als ‘derden’ kunnen worden aangemerkt, wordt hier niet ingegaan. Zie daarover Sikkink en Zaal, TAO 2018, 3. Zij zetten ook uiteen dat de derde in deze bepaling niet te goeder trouw hoeft te zijn en zij bepleiten de bescherming te beperken tot derden te goeder trouw.
Vgl. Leijten 2002, p. 71.
[181] In 5.6 zijn rechterlijke beslissingen genoemd, waarvoor de wet afzonderlijk bepaalt hoever ze doorwerken. In deze paragraaf wordt nagegaan of er zulke bijzondere bepalingen zijn voor onmiddellijke voorzieningen. De aandacht gaat uit naar doorwerking van beslissingen tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in externe (contractuele) verhoudingen. Ook wordt gezocht naar impliciete vingerwijzingen van de wetgever over de invloed van die beslissingen op die externe rechtsverhoudingen.
[182] Voor rechterlijke uitspraken op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW, waarmee een onmiddellijke voorziening wordt getroffen, is niet expliciet bepaald dat ze iedereen binden.1 De wetgever heeft doorwerking van onmiddellijke voorzieningen in externe verhoudingen van de rechtspersoon ook niet expliciet uitgesloten.2 Er zijn in de wet geen soorten externe rechtsverhoudingen en geen (categorieën) rechten aangewezen die bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen buiten schot moeten blijven. Anderzijds blijkt uit de wetgeschiedenis, waaronder die van de op 1 januari 2013 ingevoerde Wet aanpassing enquêterecht, evenmin expliciet dat de wetgever onbeperkte externe werking heeft ingecalculeerd.3
Directe aanwijzingen van de wetgever over de invloed van onmiddellijke voorzieningen op externe verhoudingen ontbreken.
[183] In dit kader verdient opmerking dat de wetgever aandacht heeft besteed aan gevolgen van de voorzieningen die op de voet van de artikelen 2:355 en 2:356 BW kunnen worden getroffen nadat wanbeleid is vastgesteld.4 In artikel 2:357 lid 2 BW is bepaald dat de Ondernemingskamer zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen regelt. Ik ben geneigd om de bewoordingen “regelt zo nodig de gevolgen” in die bepaling op te vatten als een bevoegdheid om aanvullende maatregelen te nemen of aanwijzingen te geven voor de (praktische) uitwerking van de getroffen voorzieningen.5 Leijten leest in de bepaling een voorschrift om de gevolgen voor derden te betrekken in de aan de beslissing voorafgaande belangenafweging.6 Hij acht dat voorschrift ook toepasselijk op onmiddellijke voorzieningen. Daar leidt hij uit af, dat de wetgever consequenties voor derden van voorzieningen – zowel onmiddellijke voorzieningen als voorzieningen na wanbeleid – mogelijk acht. Daarmee bestaat over de precieze aard van die consequenties nog geen duidelijkheid.
De wetgever heeft de wetswijziging van 1 januari 2013 niet aangegrepen om, vergelijkbaar met artikel 2:357 lid 2 BW, te bepalen dat de rechter zo nodig de gevolgen van getroffen onmiddellijke voorzieningen regelt. In dat licht meen ik dat aan artikel 2:357 lid 2 BW geen vergaande conclusies kunnen worden verbonden over de invloed van onmiddellijke voorzieningen op de externe rechtsverhoudingen van de rechtspersoon. Daarbij maakt het niet uit of de bepaling moet worden begrepen als een voorschrift voor belangenafweging dan wel als een bevoegdheid met betrekking tot de praktische uitwerking van voorzieningen. Ik merk op dat de bepaling, zowel in de ene, als in de andere interpretatie, buitenstaanders slechts tot op zekere hoogte bescherming biedt tegen de invloed van (onmiddellijke) voorzieningen.
[184] De enquêteprocedure is niet de enige procedure waar de Ondernemingskamer kennis van neemt. Ook procedures inzake jaarrekeningen behoren tot haar bevoegdheid.7 De jaarrekeningprocedure kent een bepaling die enigszins lijkt op die van artikel 2:357 lid 2 BW. Als de Ondernemingskamer het besluit tot vaststelling van een jaarrekening vernietigt, kan zij “de gevolgen van de vernietiging beperken” (artikel 2:451 lid 4 BW).
Buiten de jurisdictie van de Ondernemingskamer worden derden in Boek 2 BW soms uitdrukkelijk beschermd tegen de gevolgen van een rechterlijke beslissing.8 Een voorbeeld daarvan is de bepaling in artikel 2:16 lid 2 BW dat vernietiging (door de rechter) van bepaalde besluiten van de rechtspersoon niet aan in die bepaling bedoelde wederpartijen van die rechtspersoon kan worden tegengeworpen.9 Zo’n bepaling biedt de buitenstaander aanmerkelijk meer bescherming dan de regeling van artikel 2:357 lid 2 BW en die van artikel 2:451 lid 4 BW.
Buiten Boek 2 BW, maar binnen de sfeer van de rechtspraak van de Ondernemingskamer, springt artikel 26 lid 5 Wet op de ondernemingsraden (WOR) in het oog. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat de Ondernemingskamer op verzoek van een ondernemingsraad voorzieningen kan treffen in een beroepsprocedure tegen een besluit van de ondernemer. De voorziening is gericht tot de ondernemer. Ze kan bestaan uit een verbod om handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit. De voorziening kan ook een verplichting behel-zen om het besluit in te trekken en de gevolgen van het besluit ongedaan te maken. De bepaling houdt bovendien in dat zo’n voorziening door derden verworven rechten niet kan aantasten.10
Er kan op dit punt een verschil worden geconstateerd tussen het enquêterecht en de WOR. Dat verschil acht ik niet toereikend voor de conclusie dat aan onmiddellijke voorzieningen in het enquêterecht externe werking toekomt, in de zin dat partijen met een contractuele verhouding tot de rechtspersoon, zich de gevolgen van de onmiddellijke voorziening moeten laten welgevallen. Voor de tegenovergestelde conclusie biedt het verschil evenmin voldoende aanknopingspunten.11
Ook de omstandigheid dat derden elders in Boek 2 BW uitdrukkelijk beschermd worden tegen de gevolgen van rechterlijke beslissingen is mijns inziens voor elk van beide conclusies onvoldoende.