Vgl. HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, rechtsoverweging 3.2.
HR, 17-04-2026, nr. 25/00089
ECLI:NL:HR:2026:677
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-04-2026
- Zaaknummer
25/00089
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:677, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑04‑2026; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑04‑2026
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/613
Viditax (FutD) 2026041714
FutD 2026-0664
NTFR 2026/698 met annotatie van mr. J. Hollander
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/529
V-N 2026/18.12 met annotatie van Redactie
BNB 2026/77 met annotatie van A.O. Lubbers
Uitspraak 17‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; artt. 3:41, 6:8 en 6:9 Awb; aanvang bezwaartermijn; stelplicht en bewijslast bij betwisting van de datum van terpostbezorging van het aanslagbiljet.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00089
Datum 17 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 3 december 2024, nr. SGR 23/8208 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 12 april 2024. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen met dagtekening 13 april 2023 opgelegd. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van belanghebbende is op 20 juni 2023 door de Inspecteur ontvangen. Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de Inspecteur dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
2.2.1
Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de Rechtbank met toepassing van artikel 8:54 Awb het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
2.2.2
Volgens de Rechtbank bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van de naheffingsaanslag later dan 13 april 2023, de dagtekening ervan, heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 25 mei 2023. Aangezien het bezwaarschrift door de Inspecteur is ontvangen op 20 juni 2023, is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend.
2.2.3
Niet is in geschil, aldus de Rechtbank, dat belanghebbende ten tijde van de dagtekening van de naheffingsaanslag woonde op het adres waar de naheffingsaanslag naartoe is gestuurd. Belanghebbende heeft het aanslagbiljet ontvangen maar hij stelt met vertraging kennis te hebben genomen van de naheffingsaanslag of van het feit dat een naheffingsaanslag is opgelegd, waardoor hij pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift heeft kunnen indienen. Onder deze omstandigheden kan het bezwaar slechts ontvankelijk zijn als blijkt dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, aldus de Rechtbank.
2.2.4
De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar maken.
2.3
Bij de in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het tegen de hiervoor in 2.2.1 vermelde uitspraak gedane verzet ongegrond verklaard. Die beslissing berust op onder meer de volgende oordelen:
"4. Uit wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, volgt niet dat de rechtbank in de buitenzittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. De rechtbank was niet genoodzaakt om onderzoek te doen naar de (tijdige) verzending van de naheffingsaanslag. Immers, [belanghebbende] betwist niet dat de naheffingsaanslag door [de Inspecteur] is verzonden. [Belanghebbende] heeft gesteld dat hij de naheffingsaanslag heeft gekregen van een buurman, nadat hij navraag had gedaan bij die buurman. [Belanghebbende] heeft daarbij gesteld dat de naheffingsaanslag door de postbode in de brievenbus van de buurman is bezorgd, dat de buren de aanslag niet direct aan hem hebben gegeven (…). De rechtbank acht het aannemelijk dat [de Inspecteur] de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 heeft verzonden. De enkele stelling van [belanghebbende] dat de naheffingsaanslag mogelijk later is verzonden, maakt voorgaande niet anders, over de datum waarop de naheffingsaanslag zou zijn bezorgd heeft [belanghebbende] niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt."
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Middel I bestrijdt onder meer het oordeel van de Rechtbank dat aannemelijk is dat de Inspecteur de naheffingsaanslag per post heeft verzonden voor of op 13 april 2023.
3.2
Middel I slaagt in zoverre. In het geval dat de belanghebbende stelt dat hij een door verzending per post bekendgemaakte naheffingsaanslag pas na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen en met het oog op het vaststellen van de aanvang van de bezwaartermijn (artikelen 6:8 en 6:9 Awb) betwist dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ervan ter post is bezorgd, rust op de inspecteur de last aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden en wanneer.1.Door zonder hierover iets vast te stellen te oordelen dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 is verzonden, heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.3
Middel II faalt. In rechtsoverwegingen 2.5.3 en 2.5.4 van het arrest van 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat en waarom geen redelijke twijfel kan bestaan over de verenigbaarheid van het bepaalde in de artikelen 8:54 en 8:55 Awb met het Unierecht. In hetgeen middel II aanvoert, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen.
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Met het oog op de behandeling van het verzet is het volgende van belang.
3.4.2
Tijdens de beroepsprocedure heeft belanghebbende de Inspecteur gevraagd om een verzendbewijs van de naheffingsaanslag. In zijn verweerschrift bij de Rechtbank heeft de Inspecteur in antwoord daarop vermeld dat hij niet een verzendbewijs over kan leggen omdat van de verzending van naheffingsaanslagen geen registratie wordt bijgehouden. De Inspecteur heeft ook geen ander bewijs van het moment van verzending overgelegd. Dit betekent dat de Inspecteur niet is geslaagd in het van hem verlangde bewijs wanneer en aan welk postbedrijf de naheffingsaanslag ter verzending is aangeboden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn van zes weken vangt dan pas aan op de dag waarop belanghebbende de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen.2.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Met betrekking tot de hoogte van deze vergoeding overweegt de Hoge Raad hierna in onderdeel 5.Over de kosten van het verzet bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen, bij voorkeur bij de uitspraak op het verzet3..
5. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van de Rechtbank op het verzet is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,4.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staat zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑04‑2026
Vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, rechtsoverweging 2.7.2.
Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363, rechtsoverwegingen 2.3.2 en 2.3.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 17‑04‑2026
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij stuur ik Uw Raad de gronden van het cassatieberoep.
Feiten.
Belanghebbende is — buiten de nationale bezwaartermijn — in bezwaar en beroep gekomen tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag registratiebelasting BPM.
Belanghebbende — die de hoogte betwist van de registratiebelasting BPM — kan om die reden reeds a priori een succesvol beroep kan doen op de rechtstreekse werking van artikel 110 VWEU (Hof van Justitie, 29 juli 2024, Protectus, EU:C:2024: 567, dictum).
Het geschil wordt aldus beheerst door het recht van de Unie.
De Belastingdienst en de rechtbank hebben het bezwaar en beroep van belanghebbende afgewezen. Tegen deze afwijzing komt belanghebbende in cassatie bij Uw Raad.
De rechtbank heeft uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zulks met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99, r.o. 52 en 72).
Ten gronde.
Middel I.
Als eerste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat de rechtbank uitlegt dat zij de zaak zonder zitting kon afdoen omdat de rechtbank niet genoodzaakt was om onderzoek te doen naar de (tijdige) verzending van de naheffingsaanslag (registratiebelasting BPM, red. JV).
De rechtbank legt daaraan mede ten grondslag dat opposant niet betwist dat de aanslag door verweerder is verzonden. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant treft geen doel, aldus de rechtbank den Haag.
De onjuiste bezorging komt voor rekening van belanghebbende, aldus de rechtbank.
Toelichting.
Uw Raad oordeelde dat bij betwisting (van meet af aan) door belanghebbende gesteld en ter zitting herhaald, af dat hij de bekendmaking van de naheffingsaanslagen betwist.
Gelet hierop dient de inspecteur aannemelijk te maken dat het besluit op juiste wijze bekend is gemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verzending van de naheffingsaanslag — eender op welke dag — aannemelijk gemaakt, ondanks de stelling van belanghebbende dat hij niet eerder bekend is geraakt met de aanslag en deze heeft uitgereikt gekregen van een buurman waar deze bezorgd was. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de naheffingsaanslagen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt op de datum van dagtekening. Dit brengt mee dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de inspecteur.
Door verzending per reguliere post aanvaard verweerder tevens het risico op zaken zoals in casu, die dan maar — zo begrijp ik de rechtbank — voor rekening van belanghebbende moeten blijven en hij — zonder enig daadwerkelijk effectief proces — gewoon de naheffingsaanslag moet betalen.
Dat kan niet waar zijn. Belanghebbende moet de gevolgen dragen volgens de rechtbank van de eenvoud van verzending per reguliere post door verweerder. Andersom wordt dat niet aanvaard.
Middel I slaagt. Verweerder heeft bij betwisting door belanghebbende van de tijdige ontvangst op het juiste adres van de naheffingsaanslag registratiebelasting BPM de verplichting om tijdige en juiste verzending aan te tonen. De rechtbank heeft hem rugdekking door de zaak zonder Inhoudelijke behandeling af te doen.
Middel II.
Als tweede middel stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat de rechtbank heeft uitgelegd — zonder nadere motivering die ontbreekt — dat hetgeen belanghebbende over het Unierecht heeft aangevoerd niet volgt dat de rechtbank in de bulten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen.
Toelichting.
De rechtbank geeft — zonder enige motivering — uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en stelt eenvoudigweg — dat het beroep op bepalingen van het Unierecht door belanghebbende niet tot een andere uitkomst kunnen leiden en zouden moeten hebben leiden tot een inhoudelijke behandeling.
Daarmee geeft de rechtbank uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, waartoe hij kennelijk niet bevoegd is, nu het Hof van Justitie exclusief en bij uitsluiting bevoegd Is het Unierecht bindend en rechtsgeldig uit te leggen (Hof van Justitie, 22 februari 2022, RS, EU:C:2022:99., r.o. 52 en 72).
Aldus is het oordeel van de rechtbank a priori in strijd met het recht van de Unie. Vgl. in gelijke zin, Uitgeverij Intersentia, baron prof. dr. mr. Koenraad Lenaerts en prof. mr. Plet van Nuffel, Intersentia, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
‘85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid Is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit In dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd Is met het Verdrag.’
Daarmee reeds is het cassatieberoep kennelijk gegrond, buiten elke mogelijke twijfel verheven.
Maar de rechtbank miskend ook de uitlegging van het Hof van Justitie aangaande het zoeken van een juist evenwicht tussen het Unierechtelijk legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Het rechtszekerheidsbeginsel heeft In deze kwestie onaantastbare werking gekregen van de rechtbank, zonder ook maar op enig moment te onderzoeken of de aanslag rechtmatig was opgelegd door de heffende autoriteit, waartoe een inhoudelijke behandeling benodigd was.
Ik verwijs Uw Raad naar de rechtspraak van het Hof van 2 december 2021, Hongarije/EP, EU:C:2021:974;
‘271.
Om te beginnen wil Ik eraan herinneren dat volgens het Hof:
- —
het rechtszekerheidsbeginsel ‘vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, In het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. Inzonderheid vereist dat beginsel dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen’(140);
- —
dat beginsel ‘In het bijzonder een dwingend vereiste is in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben’( 41);
- —
‘[n]u de betekenis of de draagwijdte van een rechtsregel evenwel steeds uit zichzelf in bepaalde mate onzeker is, […] alleen [mag] worden onderzocht of de betrokken rechtshandeling zo dubbelzinnig Is, dat die lidstaat eventuele twijfels over de draagwijdte of de betekenis van de bestreden verordening niet met voldoende zekerheid kan wegwerken’(142);
- —
de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel ‘niet aldus [kunnen] worden begrepen dat in een norm waarin een abstract juridisch begrip wordt gebruikt, de verschillende concrete gevallen moeten worden genoemd waarin die norm kan worden toegepast, voor zover niet al deze gevallen van tevoren door de wetgever kunnen worden vastgesteld.(143);
- —
de eerbiediging van het dwingend vereiste van rechtszekerheid moet worden afgewogen tegen andere openbare belangen(144).
276.
De definitie In artikel 2, onder a), van verordening 2020/2092 bevat drie elementen:
- —
De rechtsstaat Is een in artikel 2 VEU verankerde waarde van de Unie.
- —
Het begrip ‘rechtsstaat’ omvat zeven rechtsbeginselen: het legaliteitsbeginsel, dat een transparant, controleerbaar, democratisch en pluralistisch wetgevingsproces Impliceert; het rechtszekerheidsbeginsel; het beginsel van het verbod op willekeur van de uitvoerende macht; het beginsel van effectieve rechtsbescherming, met inbegrip van toegang tot de rechter, door onafhankelijke en onpartijdige gerechten, ook ten aanzien van de grondrechten; het beginsel van de scheiding der 4 machten; het beginsel van non-discriminatie, en het beginsel van gelijkheid voor de wet.
- —
Deze beginselen moeten worden begrepen ‘met Inachtneming van de andere waarden en beginselen van de Unie die zijn verankerd in artikel 2 VEU’.’
Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in herinnering gebracht in het arrest van 12 oktober 1992, Boddaert tegen België (CE:ECHR:1992:1012JUO001291987, § 39), bevestigt artikel 6 EVRM, hoewel deze bepaling Inderdaad de snelheid van gerechtelijke procedures voorschrijft, eveneens het meer algemene beginsel van de goede rechtsbedeling. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet derhalve worden gezorgd voor een juist evenwicht tussen de verschillende aspecten van dat fundamentele vereiste.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (en het EHRM) is dus noodzakelijk een goed evenwicht wordt gezocht tussen het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank heeft ten onrechte een absolute werking toegekend aan het rechtszekerheidsbeginsel, boven het legaliteitsbeginsel en andere belangrijke beginselen.
Daartoe ontstaat een definitieve heffing na afloop van de bezwaartermijn, die — zoals In lidstaat Nederland niet in uitgesloten in strijd met het recht is opgelegd — onaantastbaar is bij de fiscale rechter.
De rechtbank had de zaak inhoudelijk moeten behandelen. Moet alsnog. Middel II is kennelijk gegrond.
Ik merk nog op dat aangaande artikel 47 van het Handvest volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling op zich volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulleren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626, punt 56).
Artikel 8:54 Awb en artikel 8:55 Awb doen geen zelfstandige rechten ontstaan.
Het cassatieberoep is kennelijk gegrond.
Met behoud van rechten en weren,