Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.8.2
2.8.2 Redelijkheid en billijkheid als grondslag voor opheffing van gebondenheid
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS583838:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijzonder, omdat het relatief zware soortelijk gewicht van het beginsel van trouw aan het gegeven woord met zich brengt dat redelijkheid en billijkheid niet licht tot opheffing van contractuele verplichtingen zullen nopen. Een en ander komt tot uitdrukking in de in art. 6:2 lid BW en 6:248 lid 2 BW gebruikte term 'onaanvaardbaar'. Vgl. voorts Larenz 1963, p. 3.
Zie Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 72 (Vriend), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1111* 2010, nrs. 414 en 446 en Van Brakel 1948, t.a.p. Zie in dezelfde zin Asser-Rutten 4-11 (C druk), p. 258 met verwijzing naar verdere literatuur. Vgl. voorts Larenz 1963, t.a.p. Vgl. voorts Scanlon 1998, p. 199-200.
Een contractuele uitsluiting van de redelijkheid en billijkheid zou immers neerkomen op een vrijbrief voor partijen om zich onredelijk te gedragen en is derhalve vanuit maatschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nrs. 380 en 392.
Zie Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 72 (Vriend), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nrs. 414 en 446 en Van Brakel 1948, t.a.p. Zie in dezelfde zin Asser-Rutten 4-II (6' druk), p. 258 met verwijzing naar verdere literatuur. Zie ook Rijken 1994, nr. 34 en Hijma 1989, p. 14 e.v.
Dat redelijkheid en billijkheid blijkens het voorgaande in het ene geval gebondenheid aan het eens gegeven woord kunnen eisen en deze in een ander geval weer kunnen opheffen, wordt begrijpelijk indien wordt ingezien dat de eis van trouw aan het gegeven woord via art. 3:12 BW als beginsel in de redelijkheid en billijkheid werkzaam is en daarmee binnen deze norm niet de alleenheerschappij toekomt, maar — niettegenstaande zijn grote soortelijk gewicht — zijn plaats moet delen met andere beginselen (zoals het vertrouwensbeginsel, het risicobeginsel, het toedoenbeginsel etc.), met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, die eveneens in de redelijkheid en billijkheid werkzaam zijn en met de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval betrokken zijn Afhankelijk van de omstandigheden van het voorliggende geval (waaronder met name het gedrag van partijen) kan de wisselwerking tussen beginselen, rechtsovertuigingen en de bij het geval betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen tot de (bijzondere)1 situatie leiden dat de band met het overeengekomene geheel of ten dele moet worden opgeheven.2 Alsdan kunnen redelijkheid en billijkheid op zeker moment met zich brengen dat een beroep door een partij op (een deel van) het overeengekomene onaanvaardbaar, d.w.z. strijdig met elementaire maatschappelijke opvattingen over fatsoen en behoren, is te achten. In zo'n geval dienen partijen op grond van de in art. 6:2 lid 1 BW verankerde eisen van redelijkheid en billijkheid de desbetreffende contractuele regel (geheel of ten dele) buiten toepassing te laten. Houdt één van hen niettemin aan (onverkorte) toepassing van de regel vast, dan voert de rechtsgemeenschap zelf bedoelde opheffing voor partijen door. Deze opheffing wordt gerealiseerd via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, als neergelegd in art. 6:248 lid 2 BW. Deze bepaling is, als in hoofdstuk 1 reeds opgemerkt, van dwingend recht3 en werkt steeds van rechtswege.4 Het is dus niet de rechter die in dit soort gevallen een beding in de overeenkomst van partijen buiten werking stelt, maar het is het objectieve recht zelf dat voor partijen doorvoert, wat zij hadden moeten doen, maar hebben nagelaten uit zichzelf te doen.