De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/5.2.3:5.2.3 Hornsby t. Griekenland
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/5.2.3
5.2.3 Hornsby t. Griekenland
Documentgegevens:
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS384003:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Betreft de weigering van plaatselijke autoriteiten om uitvoering te geven aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak een schending van art. 6 lid 1 EVRM? In de zaak Hornsby t. Griekenland beantwoordde het EHRM deze vraag bevestigend.1 David en Ada Hornsby waren geboren in het Verenigd Koninkrijk en woonachtig op het Griekse eiland Rhodos. Daar willen zij een school oprichten om Engelse les te geven. De toestemming van de autoriteiten die voor het oprichten van een school nodig is, wordt geweigerd omdat zij geen Griekse staatsburgers zijn.
Daarop wendt het echtpaar Hornsby zich tot Hof van Justitie met de klacht dat het voorschrift dat een vergunning alleen aan Griekse staatsburgers kan worden verleend, in strijd is met het vrije verkeer van personen. Het Hof van Justitie verklaart de klacht gegrond.
Na de uitspraak van het Hof van Justitie dienden – inmiddels vier jaar en vier maanden later – de Hornsby’s een nieuwe aanvraag in. De aanvraag werd evenwel op dezelfde gronden wederom afgewezen. Het beroep van het echtpaar Hornsby tegen deze afwijzing wordt uiteindelijk door de hoogste administratieve rechter gegrond geoordeeld.
Ook de gunstige beschikkingen van de administratieve rechter leiden niet tot het afgeven van een vergunning. Wanneer opnieuw om een vergunning wordt gevraagd weigert het bevoegde orgaan om te antwoorden op herhaalde verzoeken. Een reeks van nieuwe rechtsgedingen volgt. Onderwijl worden nieuwe voorschriften uitgevaardigd op grond waarvan de gevraagde vergunning ook aan buitenlanders kan worden verleend, met dien verstande dat degenen die geen Grieks middelbare school diploma bezaten, eerst een examen in Griekse taal en cultuur dienden af te leggen.
Hornsby c.s. klagen vervolgens in Straatsburg dat art. 6 EVRM is geschonden, omdat zij na vele keren in het gelijk te zijn gesteld in rechterlijke procedures, van de autoriteiten geen vergunning hebben ontvangen. Griekenland verweert zich in de eerste plaats op niet-ontvankelijkheid van de klacht – onder meer met de stelling dat de nationale rechtsmiddelen niet zouden zijn uitgeput – en voerde als inhoudelijk verweer aan dat art. 6 EVRM geen betrekking had op de executie van rechtelijke uitspraken. Het EHRM verwierp deze verweren en oordeelde dat:
“the “right to a court” (…) would be illusory if a Contracting State’s domestic legal system allowed a final, binding judicial decision to remain inoperative to the detriment of one party. It would be inconceivable that Article 6 para. 1 (art. 6-1) should describe in detail procedural guarantees afforded to litigants – proceedings that are fair, public and expeditious – without protecting the implementation of judicial decisions; to construe article 6 (art. 6) as being concerned exclusively with access to a court and the conduct of proceedings would be likely to lead to situations incompatible with the principle of the rule of law which the Contracting States undertook to respect when they ratified the Convention.”2
Waar enerzijds art. 6 EVRM ook ziet op het beschermen van het recht op toegang tot de rechter (zoals overwogen in Golder t. Verenigd Koninkrijk), zou dat recht illusoir worden indien anderzijds zou worden toegestaan dat in een verdragsstaat een onherroepelijk uitspraak niet geëffectueerd zou kunnen worden. Een redelijke uitleg van het EVRM brengt daarom mee dat art. 6 EVRM niet alleen het recht op rechtsbescherming omvat, maar ook op een effectieve rechtsbescherming, zo parafraseer ik het EHRM.