Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.4.1
21.4.1 Minimale objectivering van het godsdienstbegrip
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452808:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Vermeulen 2008, p. 19, zie hierover ook 3.3.2.
Zie hierover uitgebreid 2.2.4.
Vermeulen spreekt in dit verband over de ‘mate van communiceerbaarheid’. Zie Vermeulen 2008, p. 19.
EHRM 18 maart 2008 (dec.), appl. no. 14618/03 (Blumberg v Germany); ECRM 10 maart 1981, nr. 8741/79 (X. v de Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty v the UK).
Venter 2015, p. 11; Witte 2006, p. 100-101; Sandberg 2011, p. 50.
Overigens is er wel een verschil tussen een godsdienst waarvan vaststaat dat die als grap is bedoeld en een godsdienst waarvan de waarheidsclaim door het brede publiek door zijn wijze van ontstaan onwaarschijnlijk of ridicuul wordt gevonden. Ondanks het ‘ongeloofwaardige’ karakter van het ontstaan van een dergelijke godsdienst kan de ‘oprichter’ (of ‘oprichters’) hierin wel oprecht zijn (geweest). Zo ver ik heb kunnen nagaan is bijvoorbeeld niet vast komen te staan dat de oprichter van de Scientology-kerk, L. Ron Hubbard, zijn ‘godsdienst’ niet serieus heeft bedoeld. Mocht echter uit geschriften ten tijde van het ontstaan van deze beweging onomstotelijk blijken dat hij een ordinaire oplichter was (bijvoorbeeld vanuit een winstoogmerk) die niet in zijn eigen verhaal geloofde, dan is er denk ik veel voor te zeggen dat de rechtsorde de Scientologykerk niet (meer) kwalificeert als een godsdienst.
Rb. Oost-Brabant 15 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:762, r.o. 5.5.
Finkers stelt in het programma Pauw & Witteman: ‘De paradox van het leven is dat als je goed nuchter om je heen kijkt, je er geen barst van snapt’. Zie Dijkstra 2015.
Zie ook Kierkegaard wanneer hij spreekt over de ironie. In zijn proefschrift ‘Het begrip ironie’ beschrijft Kierkegaard ironie als methode waarmee de mens zich bewust kan worden van de betrekkelijkheid van het bestaan. Volgens Kierkegaard breekt ironie af, relativeert en deconstrueert. Hij stelt: ‘Ironie is goddelijke waanzin die geen steen op de andere laat.’ Kierkegaard 1995 [1841], p. 59.
Een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst veronderstelt dat niet door derden wordt bepaald of iets godsdienst(ig) is maar door het rechtssubject zelf. Betekent dit dan dat elke opvatting of gedraging zou moeten kunnen gelden als godsdienst(ig)? Nee. Er moeten mijns inziens een aantal minimale eisen zijn waaraan het (juridische) godsdienstbegrip dient te voldoen.1 Deze eisen moet de rechtsorde aan het godsdienstbegrip stellen om dit begrip hanteerbaar te houden en te onderscheiden van de bescherming van andere rechtsobjecten. Deze eisen zijn in de jurisprudentie van het EHRM tot op zekere hoogte reeds uitgekristalliseerd, maar nog niet geëxpliciteerd. Het gaat om de eisen van begrijpelijkheid, samenhang, belangrijkheid en serieusheid.2 Laat ik deze eisen achtereenvolgens bespreken.
Ten eerste begrijpelijkheid.3 Een rechter moet voordat hij een claim toewijst kunnen begrijpen wat de inhoud van deze claim is. Het zou onwenselijk zijn wanneer hij religieuze claims toewijst waar hij geen touw aan kan vastknopen. Een religieuze claim moet een bepaalde mate van ‘dialoogeerbaarheid’ hebben. Met name in de sfeer van het publiekrecht heeft de rechter de taak om de materiële waarheid te onderzoeken. Hij moet dus tot op zekere hoogte inzicht kunnen krijgen in de gedachtegang van het rechtssubject.
Ten tweede de eis van samenhang. Samenhang kan men voor een deel zien in het kader van begrijpelijkheid. Claims die onsamenhangend of vaag zijn, zijn moeilijk te begrijpen. De eis van samenhang heeft echter niet alleen de functie om vage en onduidelijke godsdiensten uit te sluiten maar ook om een onderscheid te maken tussen het rechtsobject van verschillende grondrechten. Het EHRM richt het aspect van samenhang namelijk op een fundamentele kwestie of vraagstuk.4 Wat het precies verstaat onder ‘fundamentele kwestie’ is niet duidelijk. In de literatuur komt men de opvatting tegen dat het daarbij moet gaan om de oorsprong, zin en doel van het bestaan.5 Een godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging zou dan een samenhangende visie op de oorsprong, zin en doel van het bestaan veronderstellen. Een dergelijke duiding maakt zich schuldig aan een minimale mate van objectivering die is terug te voeren op de bekende grote religieuze tradities waarin altijd een visie bestaat op existentiële vragen als: hoe is het leven ontstaan, wat is de zin ervan en hoe moeten we leven? Een dergelijke objectivering is echter niet exclusief. Het is een zeer ruime definitie waardoor ook exotische of minderheids-, of zelfs individuele opvattingen als godsdienstig of levensbeschouwelijk kunnen worden gekwalificeerd. Deze objectivering lijkt zinvol omdat ze het verschil tussen ‘gewone’ en godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen afbakent. Gewone opvattingen, dus opvattingen zonder existentieel karakter, worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Ook gedragingen die als doel hebben om die opvattingen uit te dragen worden tot op zekere hoogte beschermd door de vrijheid van meningsuiting. Daarnaast worden gewone, niet-religieuze of levensbeschouwelijke bijeenkomsten beschermd door de vrijheid van vergadering. Als demarcatiecriterium voor het onderscheid tussen het rechtsobject van de godsdienstvrijheid en de overige fundamentele rechten zou de eis uit de EHRM-jurisprudentie dat een godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting een samenhangende visie op een fundamenteel probleem veronderstelt daarom in wetgeving of jurisprudentie moeten worden geëxpliciteerd als een samenhangende visie op de oorsprong, zin en doel van het bestaan.
Ten derde de eis van belangrijkheid. Men kan niet van een rechter verlangen dat hij rechten toekent aan een opvatting of gedraging waarvan hij de indruk krijgt dat het rechtssubject deze eigenlijk niet zo belangrijk vindt. Een algemeen uitgangspunt in het recht is dat men zonder belang geen rechtsvordering heeft.
Ten vierde de eis van serieusheid. Deze eis hangt samen met de vorige eis. Een rechter kan geen rechten toekennen aan een opvatting waarvan vaststaat dat die als grap is bedoeld.6 Wat dat betreft is de benadering van de Rechtbank Oost-Brabant in de zaak van het vliegend spaghettimonster goed te verdedigen. Zij analyseerde de ontstaansgeschiedenis van het pastafarisme en kwam vervolgens tot de conclusie dat het hier om een parodie van godsdienst ging. Daarmee impliceerde ze dat de oprichter(s) van het pastafarisme onoprecht zijn. Overigens ging de rechter niet in op de vraag of betreffende aanhangers in deze zaak oprecht geloofden in een vliegend spaghettimonster. Dat valt niet uit te sluiten. Men kan oprecht een godsdienst of levensbeschouwing aanhangen die niet serieus is bedoeld. Wat dat betreft zou de rechtsorde in die gevallen de justitiabele nog wel eens het voordeel van de twijfel kunnen geven, al lijkt het op voorhand weinig waarschijnlijk dat iemand een godsdienst aanhangt waarvan evident is dat hij oorspronkelijk als grap is bedoeld. Het is in algemene zin goed te rechtvaardigen dat de rechtsorde geen rechten verbindt aan godsdiensten of levensbeschouwingen waarvan vaststaat dat ze oorspronkelijk niet serieus zijn bedoeld. Als ze dit wel zouden doen zou dit een aanzwengelend effect kunnen hebben met als gevaar dat fantasierijke figuren in de verleiding worden gebracht om de rechtsorde te ‘foppen’. Onoprecht gedrag zou daarmee worden beloond. Deze eis beoogt misbruik van recht te voorkomen.
Overigens overwoog de Rechtbank Oost-Brabant dat satire niet zonder meer uitsluit dat er sprake is van godsdienst of levensovertuiging.7 Deze overweging is mijns inziens terecht mits de satire of de humor hetzelfde doel nastreeft als religie. Dus als het gaat om een grap die als doel heeft het aansnijden van een fundamentele kwestie over de oorsprong, zin en doel van het bestaan. Het betreft dan een grap die serieus is bedoeld. Gewezen kan worden op de katholieke cabaretier Herman Finkers. Hij stelt dat humor, kunst en religie een heilige drie-eenheid zijn omdat ze zich alle drie bezig houden met de paradox van het bestaan.8 Humor heeft bij Finkers dus net als religie de functie om het mysterie te duiden of beter te verstaan.9 Uit de ontstaansgeschiedenis van het spaghettimonster-geloof kunnen we daarentegen opmaken dat het doel van de satire niet is gelegen in het wezen van het mysterie van het bestaan maar in het problematiseren van het juridische begrip van godsdienst (Waarom hebben aanhangers van bepaalde godsdiensten recht om hun kinderen te onderwijzen in ID?, etc.). We kunnen concluderen dat het spaghettimonster-geloof ten aanzien van het religieuze aspect als grap is bedoeld omdat haar eigenlijke doel geen religieuze maar een juridische strekking heeft.
De hierboven genoemde eisen vormen een minimale objectivering van het godsdienstbegrip die nodig is om een subjectiverende uitleg van rechten met een religieus object hanteerbaar te houden. Het rechtssubject mag binnen deze grenzen zijn godsdienst definiëren. Andere objectieve eisen aan het godsdienstbegrip sluit ik uit. Zoals de EVRM-eis dat er van godsdienstige of levensbeschouwelijke uitingen slechts sprake kan zijn indien het uitingen en gedragingen ‘… in a generally accepted form’ betreft. Deze eis lijkt mij teveel de bestaande en gevestigde godsdiensten te bevoordelen terwijl ook atypische uitingen en gedragingen godsdienstig kunnen zijn. Ook de eis dat een opvatting of gedraging ‘… must be intimately linked to a religion or belief’ is problematisch. Deze eist geeft teveel ruimte aan de rechter om al dan niet aan de hand van een meerderheidsopvatting te bepalen wat telt als godsdienstig. Als de rechter heeft vastgesteld dat de leer achter de uiting of gedraging voldoet aan de bovengenoemde minimale eisen dan is dat voldoende om de volgens het rechtssubject daaruit voort vloeiende uiting of handeling als godsdienstig te kwalificeren. Anders gaat de rechter teveel voor theoloog spelen.