Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.3.3
VII.3.3 De feitelijke samenloop
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379795:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Cools/Kroeze (2009); een (verkort) verslag van het onderzoek met enkele weergegeven uitkomsten geeft Kroeze (2010), p. 165-188; zie ook Schouten (2009), p. 529. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat 'de OK in staat is snel te werken', zie Cools/Kroeze (2009), p. 45. Zie voor een summiere vergelijking met de doorlooptijd van andere procedures p. 42-43, waarbij de conclusie is dat de duur van de enquêteprocedure 'in elk geval niet ongunstig' afsteekt bij deze andere procedure.
Cools/Kroeze (2009), p. 51-53. Voor zover uit de beschikking bleek, ging het bij deze besloten verhoudingen in 113 gevallen om een familievennootschap. De onderzoekers dachten dat het aantal in werkelijkheid hoger lag.
Cools/Kroeze (2009), p. 61-62. In bijna de helft van de gevallen waarin aandeelhouders verzoeken, is het een van de twee 50%-aandeelhouders die de procedure start.
Hermans (2003) p. 116; en Geerts (2004), p. 14. Zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 729, waarin werd aangegeven dat bij curatieve enquêtes niet zelden wordt aangestuurd op een minnelijke regeling, 'bijvoorbeeld met een aandelenoverdracht als resultaat'.
De gedragingen van aandeelhouders kan aanleiding geven tot gegronde reden voor twijfel, oordeelde de Hoge Raad in Sluis (HR 9 juli 1990, NJ 1991, 51, ro. 3.3): 'Daargelaten of zich het geval voordoet bedoeld in art. 2.343 lid 1 BW, kan van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen — een en ander in de zin van art. 2:350 lid 1 BW — onder omstandigheden niet alleen sprake zijn indien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het belang van de vennootschap zulks rechtvaardigt, geen of een in verhouding tot de winst slechts gering dividend uitkeert, doch tevens indien de vennootschap op grond van een statutaire bepaling gedurende een reeks van jaren de door haar gemaakte winsten niet of slechts in geringe mate bij wege van dividend aan de aandeelhouders uitkeert zonder dat zulks (nog langer) door het vennootschappelijke belang gerechtvaardigd wordt, en zij niet aan wijziging van die statutaire bepaling wenst mede te werken.'
Leijten (1997), p. 81-82. Zie OK 20 oktober 1994, NJ 1995, 485 (Sintelmolen).
`(...) zulks alleen al omdat aard en doelstelling van eerstgenoemde regeling (geschillenregeling, CB) verschillen van die van het enquêterecht' stelde de OK 28 februari 2005, JOR 2005/120 (Dodo), ro. 3.6. Zij wees vervolgens het verzoek toe en gelastte een onderzoek, omdat sprake was van een ernstig verstoorde verhoudingen tussen de aandeelhouders, waarbij de vennootschapsrechtelijke verplichtingen jegens de minderheidsaandeelhouder met voeten werden getreden.
OK 22 maart 1990, NJ 1992, 182 (Vertimart), ro. 4.2.5.
Losbl. Rp. (Roest) § 3, aant. 3; en Joosten (1991), p. 52.
OK 21 november 1991, NJ 1992, 254 (111'). Zie ook OK 15 september 1994, NJ 1995, 540 (Kerstens). Twee ex-echtelieden zetten hun ruzies (over geld) voort als aandeelhouders in de BV. Als houdster van de helft van de aandelen vond de vrouw dat het jarenlang niet uitkeren van de winst gegronde reden was voor twijfel aan een juist beleid. De OK deelde haar mening en gelastte een onderzoek. Usselmuiden stelde in zijn commentaar, TVVS 1995, p. 51, dat de enige echte oplossing de uittreding van art. 2:343 BW is.
Zie OK 26 oktober 1995, NJ 1996, 188 (Holu/Bohen), ro. 3.5. Een onderzoek zou geen nieuwe feiten aan het licht brengen, oordeelde de OK, waarbij bovendien de enquêteprocedure enkel werd gebruikt om de onderhandelingen over een aandelenovemame te beïnvloeden. Omdat de aandeelhouders (vader en zoon) tevens elkaars concurrent waren en beiden niet de vereiste zorgvuldigheid in acht namen, zou toewijzing van het verzoek de balans tussen hen eenzijdig belasten. De OK besloot dat de geschillenregeling de aangewezen weg was.
OK 28 februari 2005, JOR 2005/120 (Dodo), ro. 3.6.
OK 28 februari 2005, JOR 2005/120 (Dodo), ro. 3.4. Een eerdere poging de geschillen in een enquêteprocedure in der minne te regelen met een aandelenovername was dus mislukt, zie OK 30 oktober 2003, JOR 2004/39 (Dodo).
Zie ook Losbl. Rp. (Roest) § 3, aant. 3. Zie in het algemeen over de onmiddellijke voorzieningen van art. 2:349a lid 1 BW: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 765-773.
Cools/Kroeze (2009), p. 71.
Cools/Kroeze (2009), p. 76. Zie in dit verband ook de oratie van Van Solinge (1998).
Cools/Kroeze (2009), p. 67-68.
Dit kwam neer op 38% van de zaken in de periode 1994-1999 waarin definitieve voorzieningen werden getroffen en 29% voor de periode 2000-2007. Zie Cools/Kroeze (2009), p. 67-69. Ook als onmiddellijke voorziening ex art. 2:349a lid 2 BW werd zij gehanteerd, zie p. 71.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 795 sub d.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 808. Het vonnis met het bevel constitueert de overdracht zelf, aldus OK 22 december 2000, JOR 2001/29 m.nt. Bartman (Navemar). Annotator Bartman had kritiek op deze rechtstreekse goederenrechtelijke werking van de voorziening van art. 2:356 sub e BW, de OK toverde volgens hem als Harry Potter de aandelen van de een naar de ander. De heersende mening in de literatuur sluit zich echter aan bij de zienswijze van de OK, zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 808 en de aldaar genoemde schrijvers. Zie over deze voorziening ook Geerts (2004), p. 305-312; en Veenstra (2010), p. 198-199.
Zie bijv. OK 26 juni 1986, kenbaar uit NJ 1988, 578 (Van den Berg).
Zie OK 30 mei 2000, n.g. (Noro/Morepa) ro. 3.2: 'Gelet daarop is de Ondernemingskamer met de vennootschap van oordeel dat handhaving van de bij beschikking van 29 april 1999 ter beëindiging van het wanbeleid van de vennootschap getroffen (tijdelijke) voorzieningen niet langer noodzakelijk is, nu immers ten gevolge van voormelde overdracht van de aandelen geen impasse meer (in de algemene vergadering van aandeelhouder of in enig ander orgaan van de vennootschap of in het beleid van de vennootschap) zal kunnen ontstaan en de vennootschap niet meer dientengevolge schade zal kunnen leiden (lees: lijden; red.). Het verzoek van de vennootschap is dan ook in zoverre voor toewijzing vatbaar.'
De tijdelijkheid geldt ook voor de door de OK benoemde commissaris of bestuurder, zie de tekst van art. 2:356 sub c BW.
Zie bijv. OK 3 november 2008, ARO 2008/175 (ICTrack), het bestaan van een impasse raakte de bedrijfsvoering van de vennootschap in de kern. In Muller/Muts werd Muller aangewezen als de kwade genius en ontslagen als bestuurder. De overdracht ten titel van beheer van zijn aandelen beval de OK niet, omdat de door haar benoemde commissaris een doorslaggevende stem kreeg in de aandeelhoudersvergadering bij het staken der stemmen, OK 8 oktober 1992, TVVS 1994, p. 47-49 m.comm. Slagter (Muller/Muts).
Deze verlenging is niet in strijd met de in art. 6 lid 1 EVRM (redelijke termijn) of art. 1 lid 1 Eerste Protocol EVRM (bezit) neergelegde bescherming, aldus de HR 17 mei 1989, NJ 1993, 206 (Van den Berg). De OK had de voorziening verlengd, uitdrukkelijk met het oog op de gestarte uitstotingsprocedure; OK 30 juni 1988, NJ 1989, 443. Zij verlengde vervolgens nog driemaal; OK 28 juni 1990, NJ 1991, 532; OK 7 mei 1992, TVVS 1992, p. 270-271 m.comm Slagter; en OK 23 juni 1994, TVVS, p. 277 (Van den Berg). Een door de andere aandeelhouders (Joop en Arjen) gevraagd onderzoek werd niet toegewezen, omdat er nog voorzieningen in het kader van de eerdere enquêteprocedure van kracht waren, zie OK 16 mei 1991, NJ 1992, 203 en HR 11 maart 1992, NJ 1992, 459 (Van den Berg). De permanente conflictsituatie tussen de familieleden leidde ook nog tot HR 12 december 1991, NJ 1991, 279 m.nt. Ma (Van den Berg) over art. 2:240 lid 3 (oud) BW (dochtervennootschap is derde in zin van deze bepaling) en vereenzelviging (waarvan in casu geen sprake was).
Zie achtereenvolgens OK 8 oktober 1998, JOR 1998/166 en Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001/110 (Hoffmann).
OK 27 april 2000, JOR 2000/126 (Van der Wegen), ro. 4.4. De OK leek in eerste instantie, net na de inwerkingtreding van de geschillenregeling, een andere mening toegedaan. In OK 20 april 1989, NJ 1991, 205; AA 1989, p. 850-833 m.nt. Raaijmakers (Best Golf & Country), wees zij het enquêteverzoek af omdat de geschillenregeling een uitweg uit de impasse kon bieden. In casu was slechts sprake van een 'enkele patstelling' (ro. 4.1) en bleek de vennootschap niet onbestuurbaar. Van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid was derhalve — los van het prille bestaan van de geschillenregeling — geen sprake. Annotator Raaijmakers gaf aan dat slechts een 'gekwalificeerde impasse' een onderzoek rechtvaardigde. Het wilsvormingsproces van de rechtspersoon moest worden verlamd. De enkele suggestie van een impasse, zoals in casu, deed zulks niet.
OK 14 januari 2010, JOR 2010/95 m.nt. Josephus Jitta (De Boer), ro. 3.2. Josephus Jitta constateerde (sub 1) dat de aandeelhouder 'met lege handen naar huis' werd gestuurd. Hij vroeg zich af of de uitkomst te maken heeft met de nieuwe samenstelling van de OK.
Cools/Kroeze (2009), p. 46-49. Zie Leijten (1999/2), p. 237, voor een bespreking van twee voorbeelden van een dading ter zitting waarbij de overdracht van de aandelen plaatsvond.
Zie bijv. OK 4 oktober 2001, JOR 2001/253 (Tuip); OK 15 april 2004, JOR 2004/162 (Maruna); OK 22 april 2010, JOR 2010/67 (Plus Equipment); en OK 22 april 2010, JOR 2010/69 (Jacobi).
Zie bijv.: OK 19 november 1998, NJ 1998, 389 (Heprofor); OK 10 mei 2004, JOR 2004/194 (Willem III); OK 20 juni 2005, JOR 2005/206 (Firma 't Hart); OK 1 oktober 2009, ARO 2009/156 (PB Holding); en OK 4 februari 2010, ARO 2010/34 (VP Taxatie).
Josephus Jitta (2004), p. 30, verwoordde het aldus: 'Indien een van de partijen de onder leiding van de Ondememingskamer overeengekomen regeling niet nakomt, staat de andere bij de Ondememingskamer met lege handen en de Ondememingskamer zelf met de mond vol tanden'.
Zie OK 7 december 1995, JOR 1996/3 (Peeters). De aandeelhouders hadden zich gecommitteerd aan de door de adviseur bindend vast te stellen prijs. Deze adviseur werd door de OK aangewezen. Nadien werd de bindende status van dit advies nog betwist, maar de OK bleek ongevoelig voor de argumenten.
Uit het empirische onderzoek waarin alle enquêtebeschikkingen van de OK in de periode 1971-2007 zijn onderzocht, blijkt inderdaad dat de enquêteprocedure vaak wordt gebruikt waarvoor de geschillenregeling geschreven is.1 Van de in totaal 510 enquêteverzoeken betrof het in 472 gevallen BV's en niet-beursgenoteerde NV's, dit is 93%. De onderzoekers merkten de laatste categorie aan als een de facto besloten rechtsvorm en zij stelden deze NV op één lijn met de BV. De conclusie was dat het enquêterecht primair een middel is om geschillen te beslechten in besloten verhoudingen.2 Ook al speelden in veel procedures meer conflicten die tot het enquêteverzoek aanleiding gaven, uit de gegevens bleek dat meestal sprake was van een impasse in de besluitvorming. Daarbij ging het vaak om een fiftyfifty-verhouding. In ruim driekwart van de impassezaken werd het verzoek tot enquête vervolgens toegewezen.3 Dit soort procedures wordt in de literatuur wel de curatieve enquête genoemd.4 Het onderzoek is primair gericht op de sanering en het herstel van de gezonde verhouding.
Het instellen van een vordering van de geschillenregeling heeft geen reflexwerking voor de ontvankelijkheid in de enquêteprocedure. De oplossing van het conflict tussen aandeelhouders — bijvoorbeeld in een fiftyfifty-verhouding — kan dus met beide procedures worden gezocht. Van zuivere samenloop is overigens geen sprake.
De aandeelhouder stelt de uittreding- of uitstotingsvordering in tegen zijn medeaandeelhouder, terwijl het enquêteverzoek op grond van art. 2:345 BW gericht is tegen de vennootschap. Er is sprake van 'feitelijke samenloop'. Het conflict — in de fiftyfifty-verhouding veelal een impasse — leidt tot het oordeel dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid (art. 2:350 lid 1 BW) of zelfs wanbeleid (art. 2:355 lid 1 BW), en geeft tegelijkertijd ook reden tot uitstoting of uittreding.5
De enquêteprocedure en de geschillenregeling kunnen gelijktijdig plaatsvinden. Een aanhangige geschillenregelingprocedure doet niet af aan de bevoegdheid een enquête te verzoeken.6 De ontvankelijkheid ex art. 2:346 BW van een eisende of gedagvaarde aandeelhouder eindigt niet met een al gestarte uitstotings- of uittredingsprocedure.7 Wanneer een aandeelhouder gedagvaard wordt in een uitstotingsprocedure, staat dit dus aan toewijzing van zijn enquêteverzoek niet in de weg.8 Andersom geldt natuurlijk hetzelfde: de reeds lopende enquêteprocedure staat niet in de weg aan het instellen van een vordering ex art. 2:336 of 2:343 BW. De in een geschillenregelingprocedure gedagvaarde aandeelhouder kan dus een enquêteverzoek indienen. In de literatuur wordt wel aangenomen dat de rechter van de geschillenregeling zijn beslissing met toepassing van art. 2:336 lid 4 (jo. 2:343 lid 1) BW dan mag aanhouden.9 Voor een duidelijk beeld van de feiten is het wachten op het enquêterapport eveneens mogelijk. Kortom, de twee procedures sluiten elkaar niet uit. Het beslechten van geschillen tussen aandeelhouders is volgens de OK ook in een enquêteprocedure mogelijk.10 Slechts eenmaal week zij af van haar algemeen gevolgde gedragslijn over het tegelijkertijd voeren van beide procedures, maar dit was mede een gevolg van de bijzondere omstandigheden van de desbetreffende casus.11
De toewijzing van een uittredingsvordering heeft in beginsel geen invloed op de bevoegdheid een enquêteverzoek in te dienen. De aandeelhouder die zijn aandelen te zijner tijd mag overdragen tegen een nog te bepalen prijs, is nog steeds aandeelhouder en in die hoedanigheid (art. 2:346 sub b BW) mag hij een onderzoek vragen.12
De geschillenregeling en de enquêteprocedure kunnen elkaar ook anderszins beïnvloeden. De aandeelhouder die een verzoek tot het doen van een onderzoek indient, moet tevoren schriftelijk zijn bezwaren tegen het beleid van de vennootschap kenbaar maken, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zijn deze bezwaren al uitvoerig aan de orde gekomen tijdens de al aanhangige geschillenregelingprocedure, dan is aan de voorwaarde van art. 2:349 lid 1 BW voldaan.13
De grote populariteit van het enquêterecht in vergelijking met die van de geschillen-regeling is mede te verklaren door de in art. 2:349a lid 2 BW opgenomen mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Het bevelen van maatregelen in een vroeg stadium om zo de nadelige gevolgen van de ruzieachtige situatie in de vennootschap alvast een halt toe te roepen, is pas in 1994 in de enquêteprocedure opgenomen. Dit verklaart wellicht de optimistische gedachte die ten tijde van de invoering van de geschillenregeling nog leefde: de geschillenregeling zou tot een sneller en goedkoper resultaat leiden dan de enquêteprocedure.14 Op de (nog niet bestaande) onmiddellijke voorziening was men nog niet bedacht.
Bij een impasse is het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a lid 2 BW) niet ongebruikelijk.15 De verstoorde verhouding kan dan in ieder geval geen verdere schade aanrichten en het begin van het herstel van de gezonde verhoudingen is gemaakt. De onmiddellijke voorziening leidde zelfs in een aanzienlijk aantal gevallen tot een definitieve oplossing, nog voordat de enquête daadwerkelijk plaatsvond. Zo zijn voor de impasse in de besluitvorming de onmiddellijke voorziening en het enquêterecht een relatieve snelle en eenvoudige wijze van geschilbeslechting.16
Slechts in enkele gevallen werd doorgeprocedeerd tot het oordeel dat sprake was van wanbeleid. De definitieve voorziening tot het tijdelijk aanstellen van een bestuurder of commissaris (art. 2:356 sub c BW) was daarbij populait 17 De onderzoekers Cools c.s. achtten dit niet verrassend, omdat zo een impasse werd doorbroken en de geschillen werden beslecht met de komst van een 'neutrale buitenstaander'. De relatief nieuwe voorziening van art. 2:356 sub e BW, op 1 januari 1989 ingevoerd en als 'smokkelwaar' opgenomen in het wetsvoorstel van de geschillenregeling, voorziet blijkens de cijfers in een 'duidelijke behoefte'. De tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer is twaalf keer bevolen.18
In een enquêteprocedure verkrijgt de verstoorde verhouding tussen de aandeelhouders, die vaak eveneens samen het bestuur vormen, het predicaat wanbeleid indien de vennootschap onbestuurbaar blijkt en geen besluiten meer worden genomen. Van behoorlijk functioneren als rechtspersoon is geen sprake meer.19 In zulke gevallen beveelt de OK vaak de voorziening van art. 2:356 sub e BW. De aandeelhouder aan wie het wanbeleid in grote mate te verwijten valt, ziet zijn aandelen ten titel van beheer overgedragen aan een door de OK benoemde beheerder, of aan zijn medeaandeelhouder.20
Vóór de toevoeging van deze voorziening aan het palet van art. 2:356 BW bewerkstelligde de OK veelal een sanering en herstel door de (tijdelijke) benoeming van een commissaris, aan wie een doorslaggevende stem in de aandeelhoudersvergadering toekwam of wiens goedkeuring was vereist voor diverse besluiten.21 Zijn de aandelen uiteindelijk definitief overgedragen krachtens een uitspraak van de geschillenregelingrechter, dan kunnen de enquêteprocedure en de daarin getroffen voorzieningen worden beëindigd.22
Aan de impasse wordt dus met de getroffen voorziening in ieder geval een einde gemaakt, de verstoorde verhouding werkt niet langer door in de vennootschappelijke besluitvorming. Het is, gezien de tekst van de wet, de bedoeling de overdracht van tijdelijke aard te laten zijn.23 Een mogelijkheid tot het definitief uiteengaan van de ruziënde aandeelhouders biedt de enquêteprocedure niet. Hiervoor moeten zij terugvallen op de geschillenregeling. De definitieve aandelenoverdracht wordt slechts met de uitstotingsvordering van art. 2:336 BW bewerkstelligd. In een aantal zaken werd daarom na de enquêteprocedure de geschillenregeling geëntameerd.24 De OK verlengde daarbij soms de door haar getroffen voorzieningen, in afwachting van de uitkomst van de uitstotingsprocedure.25 Het wekt overigens geen verbazing dat indien de impasse als 'wanbeleid' gekwalificeerd was, zij uiteindelijk tot definitieve overdracht van de aandelen leidde.
Zo werd in de zaak Hoffmann de duurzame verstoorde verhouding tussen vader en zoon aangemerkt als wanbeleid. Vader werd hier in grote mate verantwoordelijk voor gehouden. De OK ontsloeg hem als bestuurder en beval de tijdelijke overdracht van zijn aandelen ten titel van beheer. De voorzieningen zorgden voor 'rust bij de vennootschap' en de zaken floreerden weer. De OK verlengde de tijdelijke overdracht, waarna in 2001 de Rechtbank Amsterdam deze definitief maakte door de gevorderde uitstoting van vader toe te wijzen26
Gebruikt de aandeelhouder de enquêteprocedure in plaats van de geschillenregeling, dan is hij volgens de OK een wijs man. Misbruik van recht levert dit niet op. Integendeel:
`En overigens geldt dat de keuze van verzoeker voor de onderhavige procedure veeleer blijk geeft van een voorkeur voor een (...) efficiënte en in verhouding weinig tijd en geld vergende aanpak van de beslechting van een geschil als het onderhavige dan dat zij als misbruik van recht zou zijn aan te merken.'27
Overigens kan de verwachting (of de wens) van een aandeelhouder om voor de overname van haar aandelen een uittredingsprocedure te moeten voeren, geen gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid opleveren.28
De actieve houding van de OK om in een enquêteprocedure het conflict te beëindigen met een minnelijke regeling leidde veelvuldig tot een resultaat. Vanaf 2000 (tot 2007) werd in ruim een derde van de gevallen het geschil op zo'n wijze beslecht, al dan niet na bemiddeling door de onderzoeker. Veelal komt de minnelijke regeling tot stand in de eerste fase van de enquêteprocedure.29 In een procesverbaal van de zitting worden de afspraken van de aandeelhouders vastgelegd.30
De schikking bestaat meestal uit de overdracht van de aandelen van een van de aandeelhouders. Vaak benoemt de OK op verzoek van partijen een deskundige die de aandelen (bindend) zal waarderen. Op grond waarvan de OK deze benoemingsbevoegdheid heeft, is mij niet duidelijk. Soms benadrukt de OK de factoren waaraan de deskundige bij de aandelenwaardering aandacht moet besteden.31
De minnelijke regeling kent een zwakke kant. De OK kan niet de nakoming van de afgesproken aandelenoverdracht afdwingen.32 Slechts eenmaal is in de ge-schillenregeling een schikking met overdracht van de aandelen bereikt, op instigatie van de OK.33
De voorspelling van de wetgever dat de geschillenregeling uitkomst bood en aan de enquêteprocedure geen behoefte meer bestond, is niet uitgekomen. Integendeel, met het enquêterecht wordt een uitweg uit de vennootschapsrechtelijke impasse gezocht en veelal verkregen. Het nadeel is dat de OK slechts tijdelijke maatregelen kan treffen. Definitieve overdracht van de aandelen is in de enquêteprocedure nu nog niet mogelijk. Hier is wel behoefte aan. Het is dus wenselijk te onderzoeken of zo'n voorziening alsnog in art. 2:356 BW thuishoort, en onder welke nadere voorwaarden.