Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/5.3.0:6.0 Introductie
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/5.3.0
6.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590827:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals aangegeven in de inleiding van dit boek, heb ik er in dit onderzoek voor gekozen een drietal (in hoofdzaak) contractenrechtelijke leerstukken te onderzoeken, waarin de redelijkheid en billijkheid prominent naar voren treden, te weten: de problematiek van contractuele gebondenheid (hoofdstuk 2), de uitleg van (commerciële) contracten (hoofdstuk 3) en de problematiek van imprévision (hoofdstuk 4). Daarnaast en tot slot heb ik in hoofdstuk 5 de ambtshalve toepassing van de redelijkheid en billijkheid onderzocht. Opgemerkt werd in de inleiding van dit boek dat bestudering en behandeling van deze onderwerpen niet eerder een aanvang konden nemen dan nadat een prealabele vraag zou zijn beantwoord, te weten:
Hoe dient de norm van redelijkheid en billijkheid te worden verstaan — als een rechterlijke beslissingsnorm dan wel als een partijen bindende gedragsnorm?
Deze vraag werd door mij behandeld en beantwoord in hoofdstuk 1. Aldaar werd geconstateerd dat de door diverse auteurs aangehangen visie op redelijkheid en billijkheid als "volledig open" of "geheel vage" beslissingsnorm die de rechter ter hand neemt bij het beoefenen van rechtvaardige geschilbeslechting in het concrete geval, onhoudbaar is in het licht van de centrale, gedragsnormerende rol die de redelijkheid vervult in het maatschappelijk leven. Redelijkheid is niet exclusief aan de rechter voorbehouden, maar vormt bij uitstek een sociale praxis, die onmisbaar is voor het creëren en in stand houden van de gemeenschap. De gemeenschap kan niet zonder redelijkheid, kan evenmin zonder een in die gemeenschap geldend redelijkheidsgebod, op grond waarvan elk der subjecten in die gemeenschap is gehouden zich redelijk, oftewel zich behoorlijk en zorgvuldig te gedragen. Betoogd werd dat, omdat de samenleving steeds ook rechtsgemeenschap is, het aldus in de samenleving geldende redelijkheidsgebod ten volle doorwerkt in die rechtsgemeenschap. Dit komt hier te lande onder meer tot uitdrukking in de in art. 6:2 lid 1 BW verankerde (basis)regel dat iedere schuldeiser en iedere schuldenaar verplicht zijn "zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid."
Betoogd werd voorts dat de in art. 6:2 BW gehanteerde termen redelijkheid en billijkheid, in tegenstelling tot wat soms wordt aangenomen, geen tautologie vormen, maar een uit twee te onderscheiden termen opgebouwd begrippenpaar zijn met ieder een eigen, elkaar wederzijds aanvullende, gedragsnormerende dimensie. Gelet op deze gedragsnormerende dimensie werd vervolgens in antwoord op de hiervoor vermelde prealabele vraag het standpunt ingenomen dat redelijkheid en billijkheid primair zijn op te vatten als een tot partijen gerichte, dwingende gedragsnorm.
Het is deze gedragsnorm die ook steeds door de rechter wordt toegepast en uitsluitend voor zover het om die toepassing gaat, kunnen redelijkheid en billijkheid tevens als beslissingsnorm worden beschouwd. Toepassing van genoemde gedragsnorm houdt geen vrijbrief in voor "richterliches Ermessen", maar betekent steeds toepassing van (ongeschreven) objectief recht. Zo is het niet het persoonlijk oordeel van de rechter, maar de in het objectieve recht gewortelde dwingende verplichting van partijen tot redelijk en billijk gedrag over en weer die er in de gegeven omstandigheden toe kan leiden dat het contractueel overeengekomene van rechtswege — zonder enige rechterlijke interventie — wordt uitgebreid (art. 6:248 lid 1 BW) of beperkt (art. 6:248 lid 2 BW). De rechter vult derhalve niet zelf aan noch beperkt hij iets. Hij heeft in het hem voor te leggen geval slechts te constateren wat de eisen van het objectieve recht in het gegeven geval voor partijen met zich brengen.
Op basis van het aldus gevonden antwoord op de hiervoor geformuleerde eerste onderzoeksvraag werd de bestudering en behandeling van de hiervoor genoemde vier onderwerpen ter hand genomen. Leitmotiv bij de bestudering van deze onderwerpen was de vraag in hoeverre de in hoofdstuk 1 gemaakte keuze zou nopen tot het bijstellen van gangbare dogmatische inzichten en tot bijstelling van gangbare inzichten omtrent de rol die de rechter respectievelijk partijen in de betreffende leerstukken toekomt. Uit de voorgaande hoofdstukken volgt dat het antwoord op de hiervoor genoemde eerste onderzoeksvraag onvermijdelijk noopte tot bijstelling van bedoelde inzichten. Per hoofdstuk kan zulks als volgt worden toegelicht.