Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.1.1
3.1.1 Bronnen
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS298938:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vaak worden in literatuur en jurisprudentie ook de begrippen 'fair trial' en 'procès équitable' gehanteerd.
Zie Van Boneval Faure (1893), p. 116; Hugenholtz/Heemskerk (2006), nr. 5, onder 1; Stein/Rueb (2002), p. 21; Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 32; Wesseling-van Gent (1987), p. 110; Asser (1992). De Waard (1987), p. 245-246, spreekt van het verdedigingsbeginsel, maar beschouwt dit beginsel en het beginsel van hoor en wederhoor als onderling uitwisselbare begrippen. Dat is niet geheel terecht, want - zoals Snijders, Ynzonides en Meijer, t.a.p., terecht opmerken - daarmee wordt het recht op een processueel debat benadrukt maar niet het recht op een rechterlijk gehoor zelf.
In dat verband wordt daarom ook wel van het gelijkheidsbeginsel gesproken; Snijders, Ynzonides en Meijer, t.a.p., wijzen erop dat dat niet onjuist is maar wel eenzijdig.
Snijders, Ynzonides en Meijer, t.a.p.
Stein/Rueb (2002), p. 21.
Zo door Hugenholtz/Heemskerk (2006), nr. 5 onder 4; Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr.40; Wesseling-van Gent (1987), p. 117.
Hl Snijders e.a. (1995), p. 76-77, 119, 178 en 251-253. Wel bepaalt bijvoorbeeld de Duitse wet met zoveel woorden in § 313 ZPO dat het rechterlijk vonnis de 'EntscheidungsgrUnde' moet bevatten. Onderbouwing van het vonnis is dus ook naar Duits recht vereist - hetgeen niet mag verbazen.
Hl Snijders e.a., t.a.p. en Asser (1992), p. 12-13.
Volgens art. 6 EVRM heeft eenieder bij de vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. De Engelse verdragstekst spreekt van een 'fair hearing', terwijl de Franse verdragstekst gewag maakt van een ieders 'droit à ce que sa cause soit entendue équitablement'.1
In andere internationale regelingen betreffende mensenrechten treft men gelijkluidende of aanverwante passages aan. Het minst afwijkend van het EVRM is in dit verband art. 14 IVBPR, dat eveneens van een 'fair hearing' spreekt. Volgens de oudere Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is eenieder 'entitled in full equality to a fair (and public) hearing'. Dat de Universele Verklaring in afwijking van het EVRM en het IVBPR nog de nadruk legt op de volledige gelijkheid van iedere rechtzoekende, heeft volgens mij geen meerwaarde. Die gelijkheid ligt immers opgesloten in de fairness' van de hearing. Afwijkende uitdrukkingen komen we tegen in de Amerikaanse Mensenrechtenconventie (waar gesproken wordt van een 'hearing with due guarantees') en in het African Charter on Human Rights and Peoples' Rights; in de laatste regeling wordt aangegeven dat eenieder recht heeft op een hearing die onder meer inhoudt 'the right to defence'.
Alle vermelde uitdrukkingen roepen associaties op met het eerlijk of op evenwichtige wijze horen van partijen, met wat naar Nederlands burgerlijk procesrecht algemeen wordt aangeduid als het beginsel van hoor en wederhoor.2 Deze associatie is zeker juist, doch - wat art. 6 EVRM betreft - niet volledig. De Straatsburgse jurisprudentie aangaande het recht op een eerlijke behandeling is gevarieerd en uitgebreid en ziet op meer dan alleen de toetsing aan elementen die uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeien. Zo impliceert het recht op een eerlijke behandeling ook dat rechterlijke uitspraken (voldoende) gemotiveerd moeten zijn (par. 3.5 ), dat de gerechtelijke taal voor de rechtzoekende - binnen de grenzen van het redelijke - begrijpelijk is (par. 3.4.2) en dat voor de rechtzoekende onder omstandigheden het recht bestaat om ten processe aanwezig te zijn (par. 3.4.1).
Het recht op een eerlijke behandeling is dus een recht met een eigen lading en betekenis; het heeft een zelfstandig bestaansrecht naast de andere processuele garanties uit art. 6 EVRM.3
Het recht op een eerlijke behandeling valt ook uit het nationale recht af te leiden. De veelzijdigheid van dit recht maakt dat de bronnen in de nationale wetgeving op verschillende plaatsen gezocht moeten worden. Voor zover het recht ziet op de 'hoor en wederhoor-zijde', valt in de eerste plaats te wijzen op art. 19 Rv welke bepaling luidt:
'De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.'
Art. 19 Rv is enerzijds gelieerd aan art. 1 Gw (bepalende dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld worden), immers uit art. 19 vloeit voort dat partijen in de procedure een gelijkwaardige positie innemen.4 Anderzijds is het gelieerd aan art. 149 Rv waarin de keerzijde van het beginsel van hoor en wederhoor naar voren komt: stelt een partij bepaalde rechten of feiten welke door de andere partij niet of niet in voldoende mate betwist worden, dan moet de rechter deze feiten in beginsel als vaststaand aannemen.
Het hoor en wederhoor-beginsel komt ook tot uitdrukking in de wettelijke bepalingen die duiden op een mondelinge behandeling van de zaak, zoals art. 131 Rv (met betrekking tot de comparitie na antwoord) en art. 134 Rv (met betrekking tot het - niet geheel ongeclausuleerde - recht op pleidooi); laatstgenoemd recht bestaat ingevolge art. 353 Rv ook in hoger beroep. Voorts kan gewezen worden op het kort geding en de verzoekschriftprocedure waar de mondelinge behandeling regel is (art. 254 respectievelijk art. 279 Rv).
Snijders, Ynzonides en Meijer brengen ook de diverse oproepingsbepalingen in de wet onder het beginsel van hoor en wederhoor, want 'dat het beginsel van hoor en wederhoor tevens behoorlijke oproeping van partijen vergt, ligt voor de hand'.5 Men zou deze bepalingen evenwel ook in de sleutel van het recht op toegang tot de rechter kunnen plaatsen. Rueb wijst nog op de bewijsartikelen, in het bijzonder art. 168 Rv, waarin het contradictoire karakter van getuigenverhoren naar voren komt.6
Voor zover het recht op een eerlijke behandeling ziet op de motivering van rechterlijke uitspraken, is een expliciete grondslag voorhanden in art. 121 Gw en art. 30 Rv ('Vonnissen, arresten en beschikkingen houden de gronden in waarop zij rusten, tenzij uit de wet anders voortvloeit'), dat nader uitgewerkt wordt in art. 230 lid 1 onder e (voor vonnissen), art. 287 lid 1 Rv (voor beschikkingen), en voorts in art. 5 en 7980 RO. Opmerkelijk mag overigens heten dat de motivering van rechterlijke uitspraken hier te lande als een apart beginsel van (burgerlijk) procesrecht wordt aangemerkt,7 doch niet met zoveel woorden is terug te vinden in art. 6 EVRM, maar onderdeel uitmaakt van het daarin neergelegde recht op een eerlijke behandeling. Misschien heeft het er mee te maken dat in de ons omringende landen alleen België het motiveringsbeginsel als zodanig kent, maar het in de overige grote rechtsstelsels slechts wordt erkend als 'une garantie de bonne justice' (Frankrijk) of als beginsel geheel ontbreekt (Duitsland en Engeland).8 Het beginsel van hoor en wederhoor daarentegen is weer wel in genoemde landen onder enige benaming terug te vinden.9