De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.1:6.5.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.5.1
6.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363624:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.3.2 en 3.3.2.
Vgl. art. 2:25 BW en art. 2:344 BW.
Zie ook EHRM 8 oktober 2009, appl.nr. 37083/03 (Tebieti Mühafize Cemiyyeti And Israfilov) r.o. 72 en 73.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het enquêterecht – en de rol daarin van “corporate governance toezichthouder”1 de ondernemingskamer – is een vorm van overheidsbemoeienis die is ingebakken in de NV en de BV. Het is niet mogelijk deze rechtspersonen op te richten zonder deze vorm van overheidsbemoeienis en deze kan ook niet worden beperkt.2 Nu de vrijheid van vereniging in essentie het recht inhoudt om zich te organiseren zonder overheidsbemoeienis, zou betoogd kunnen worden dat het enkele bestaan van het enquêterecht een inmenging daarin vormt. Echter, zeker met het oog op de praktische aanpak van het EHRM, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat deze inmenging niet voldoet aan de door art. 11 EVRM gestelde vereisten.3 Daarvoor zal eerst dienen te worden bezien hoe de verschillende facetten van de vrijheid van vereniging de toepassing van het enquêterecht ondergaan.