Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.2.4.3:2.2.4.3 Toekomstige auteursrechten
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.2.4.3
2.2.4.3 Toekomstige auteursrechten
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471933:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 februari 1936, NJ 1936/443, m.nt. E.M. Meijers (Tuschinski/GEMA).
Zie de noot van Meijers onder HR 13 februari 1936, NJ 1936/443 (Tuschinski/GEMA).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
21. In 1936, niet lang na het arrest Fijn van Draat, diende de Hoge Raad zich te buigen over de levering van een toekomstig auteursrecht. Ook hier leken de wettelijke formaliteiten geen obstakel te vormen. De levering van een auteursrecht vereiste op grond van art. 2 Auteurswet 1912 (oud) slechts een authentieke of onderhandse akte. De formaliteiten waren daarmee gelijk aan die van art. 668 BW (oud) voor vorderingen op naam.
De Italiaanse filmcomponist Becce trad in 1919 toe tot de Duitse auteursrechtenorganisatie GEMA (Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte). In aanvulling op zijn toetreding heeft hij in 1929 bij notariële akte verklaard al zijn auteursrechten op zijn bestaande en toekomstige muzikale werken aan GEMA over te dragen. In 1932 aanvaardt Becce de opdracht van Sokal Film GmbH tot het componeren van de muziek voor de geluidsfilm “Das Blaue Licht”. Wanneer de film in 1933 in Rotterdam in het openbaar wordt vertoond door Tuschinki, vordert GEMA schadevergoeding van Tuschinki wegens het ontbreken van toestemming voor de uitvoering van de filmmuziek. In cassatie buigt de Hoge Raad zich mede over de geldigheid van de overdracht van het toekomstige auteursrecht door Becce aan GEMA.
De Hoge Raad oordeelde, in het spoor van het Fijn van Draat-arrest, dat het onmogelijk was om toekomstige auteursrechten over te dragen. Nu van het bestaan van een auteursrecht eerst sprake kan zijn, zodra en voor zover een werk gemaakt is, was overdracht van toekomstig auteursrecht op nog te vervaardigen werken niet mogelijk in het Nederlandse rechtssysteem, aldus de Hoge Raad.1 De principiële afwijzing van de cessie bij voorbaat werkte daarmee door in de levering van andersoortige toekomstige goederen die bij enkele akte geleverd konden worden. Hoewel het arrest een consequente voortzetting was van de eerder uitgezette koers, werd het arrest kritisch ontvangen. Meijers uitte in zijn noot onder het arrest in de NJ zijn zorg over de redenering en de principiële keuze van de Hoge Raad. Het oordeel zou tot onbillijke en onpraktische resultaten kunnen leiden. In plaats van een categorische afwijzing van de figuur zag Meijers liever een praktische beperking in de eis van voldoende bepaaldheid van het toekomstige goed.2 De discussie in de rechtsleer over de toelaatbaarheid van de ‘overdracht’ van toekomstige goederen zou, zoals hierna aan de orde komt, aanhouden.