Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.4.3.2.1
7.4.3.2.1 Dulden raakt niet aan nemo tenetur
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495821:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze voorbeelden zijn ontleend aan Wattel 1992, onderdeel 3. Schrijver noemt ook het toelaten dat bescheiden worden ingezien.
Schijnbaar anders A-G Wattel, conclusie bij HR 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer), pt. 6.3, die meent dat inbeslagneming een duldplicht ofwel een ‘ondergaan’ behelst.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen).
In pt. 4 van zijn noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226, wijst Schalken erop, dat uit het arrest mag worden afgeleid dat zelfs als er actieve medewerking wordt verlangd, die acceptabel is zolang het lichaam maar normaal kan functioneren. Van dit laatste was in die zaak geen sprake.
Vgl. ’s Hofs overweging in Jalloh dat de mate van geweld die tegen de klager werd gebruikt, aanmerkelijk verschilt met de mate van dwang die gewoonlijk nodig is om de typen van wilsonafhankelijk materiaal uit het Saunders-arrest te verkrijgen (zie het slot van § 7.3.3.1 hiervoor).
Na het Funke-arrest was niet duidelijk of onder de door het EHRM in § 44 gebezigde omschrijving ‘to contribute to incriminating himself’ ook het dulden, dat wil zeggen het niet tegenwerken van onderzoek viel (vgl. een doorzoeking of de afname van lichaamsmateriaal). Enige duidelijkheid lijkt het te geven in Saunders. Uit de door het Hof gegeven voorbeelden van Saunders-materiaal leidt Wattel af, dat die zaak slechts inhoudt dat art. 6 EVRM zich niet verzet tegen het opleggen van een duldplicht aan de verdachte: de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal wordt niet aangetast door het tegen de wil van de verdachte te zijnen laste toepassen van dwangmiddelen, zoals een huiszoeking of een vordering (onder sanctiedreiging) tot uitlevering van documenten, tot het toestaan van een bloedproef, tot het afstaan van haren, speeksel of nagelknipsels et cetera.1 Wattel meent dat hetzelfde geldt voor een ademanalyse, het laten nemen van foto’s of vingerafdrukken of het laten openen van verpakkingen (door de autoriteiten).2 Mij dunkt dat van de genoemde voorbeelden in ieder geval de vordering uitlevering geen duldplicht is, omdat daarvoor enige vorm van medewerking van de verdachte is vereist.3
Uitzondering: schending art. 3 EVRM
Ook na Jalloh blijft mijns inziens goed verdedigbaar dat een duldplicht niet aan de nemo tenetur-problematiek raakt.4 Zo er al dwang op de verdachte wordt uitgeoefend ter verkrijging van hem mogelijk belastend bewijsmateriaal, dan is die niet erop gericht om hem tegen zijn wil (actief) één of meer handelingen te laten verrichten. Jalloh illustreert dat deze dwang dan is gericht op een nalaten, dat wil zeggen het breken van eventueel verzet van de verdachte tegen onderzoekshandelingen die belastend bewijs(materiaal) kunnen opleveren.5 Het arrest illustreert ook dat wanneer de autoriteiten hierin te ver gaan, het niet-meewerkrecht via de band van art. 3 EVRM in het geding komt.6 Zodoende kan niet worden gezegd dat duldplichten nimmer aan het niet-meewerkrecht raken. Wel kan worden gezegd dat vanwege de vereiste schending van art. 3, het niet-meewerkrecht de facto geen betekenis voor duldplichten heeft.7
Overigens kan strikt genomen worden betoogd dat dulden per definitie niet het gevolg is van dwang. Als die nodig is, dan is er geen sprake van dulden c.q. een duldplicht. Een andere redenering (die mij meer aanspreekt) is dat sprake kan zijn van dwang om te dulden (in de zin van: niet tegenwerken).