Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.1:12.1 Inleiding
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.1
12.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is de totstandkoming van getuigenverklaringen in de Nederlandse uitvoeringspraktijk besproken. Daar werd duidelijk dat de verklaring in belangrijke mate een constructie behelst, terwijl op de totstandkoming van de verklaring in de eerdere fasen van het strafproces slechts beperkt controle kan worden uitgeoefend. Tevens bleek dat de verklaring afgelegd tijdens het verhoor niet gelijk kan worden gesteld met de weergave van de verklaring in het proces-verbaal. In dit hoofdstuk komt het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs door de rechter aan bod. De problemen waarmee de rechter zich ziet geconfronteerd bij het toetsen van de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen en het gebruik van de getuigenverklaringen voor het bewijs, staan daarbij centraal. In het bijzonder wordt getracht aan te geven welke vragen rijzen als gevolg van het ontbreken van een juridische bewijstheorie. Tevens zullen vanuit methodologisch perspectief kanttekeningen worden geplaatst bij een aantal in de praktijk gangbare werkwijzen. Daarbij moet worden opgemerkt dat vragen over de geloofwaardigheid noodzakelijkerwijs worden beantwoord aan de hand van de verklaring zoals die op schrift is gesteld. Dit is slechts anders in gevallen waarin de rechter zelf de getuige hoort. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken van de verklaring van de getuige dient de lezer in het achterhoofd te houden dat het gaat om een afgeleide van de verklaring zoals die in werkelijkheid tijdens het verhoor is afgelegd.
Bij de beschrijving van deze problemen in de praktijk moet wel een kanttekening worden geplaatst. Tot dusver is in de literatuur geen systematische analyse gemaakt van de wijze waarop rechters met de selectie en waardering van getuigenverklaringen omgaan. De juridische analyses richten zich vooral op de mate van steunbewijs dat is vereist naast een getuigenverklaring. Over de maatstaven die rechters daarentegen feitelijk aanleggen bij het beoordelen van het waarheidsgehalte van getuigenverklaringen, is vrij weinig bekend. Het doen van uitspraken over de wijze waarop rechters getuigenverklaringen beoordelen, vergt inzicht in de redeneerwijze van de rechter, die zich niet zomaar uit diens schriftelijke motiveringen in het vonnis laat afleiden. Immers, de motivering weerspiegelt maar in beperkte mate de werkelijke beweegredenen van de beoordelaar. Niettemin kan aan de hand van de jurisprudentie en de literatuur wel een aantal kwetsbaarheden of potentiële problemen worden blootgelegd.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Allereerst volgen enkele inleidende theoretische opmerkingen over het proces van bewijzen in relatie tot het Nederlandse strafproces, waarbij wordt teruggekoppeld naar de begrippen en theorieën over bewijs die in het eerste hoofdstuk zijn besproken (§ 12.2). Daarna wordt ingegaan op het rechterlijk beslisproces waarbij aandacht wordt besteed aan de problemen met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring (§ 12.3), vervolgens aan het gebruik van de getuigenverklaring in de bewijsconstructie (§ 12.4) en tot slot aan de motivering van de rechter (§ 12.5). De conclusie is dat de rechterlijke waarderingsvrijheid in Nederland erg groot is en dat dit risico’s meebrengt voor de (kwaliteit van) waarheidsvinding. Er wordt afgesloten met enkele bespiegelingen omtrent de rechterlijke waarderingsvrijheid in Nederland en enkele openstaande theoretische vragen (§ 12.6).